>Eind 1835 werd door het waterschap Drechterlandse Koggen besloten dat alle modderwegen in dat gebied moesten worden bestraat.Eind 1835 werd door het waterschap Drechterlandse Koggen besloten dat alle modderwegen in dat gebied moesten worden bestraat. Dat gebeurde vooral met puin uit Enkhuizen, waar veel gebouwen werden gesloopt. Uit deze jaarrekening blijkt dat Wervershoof ook puin en keisteen van elders liet komen. (N.J. Groot, Hoorn)

Hier voelden Grootebroek en Westwoud wel voor. Beide plaatsen waren zelfs bereid bij te dragen in de kosten, in ruil voor het vrije gebruik van de weg. De achttien kilometer lange klinkerweg kwam in 1671 gereed. Over de weg werd een wagenveer onderhouden. Vier keer per dag reed er zowel uit Hoorn als Enkhuizen een wagen af. De reis duurde ongeveer twee uur. Een enkele reis kostte achttien stuivers. Meer dan achtduizend reizigers maakten jaarlijks gebruik van de wagendienst.
In 1725 kreeg ook Medemblik een aansluiting op de straatweg. Aan het begin van de nieuwe weg stond in Hoogkarspel een groot tolhuis, het ‘Medemblikker Tolhuis’. Een ieder die over de met puin en schelpen verharde weg naar Medemblik wilde, moest een financiële bijdrage leveren om de weg te onderhouden. De straatweg Hoorn-Enkhuizen werd door beide steden gezamenlijk onderhouden. In 1819 werd hij opgenomen in het totaal van jaagpaden en trekvaarten tussen Hoorn, Edam, Monnickendam, Purmerend en Amsterdam. Als zesde stad trad Enkhuizen tot het college toe dat dit geheel ging beheren. De klinkerweg stond voortaan bekend als de Zesstedenweg, een naam die nog steeds de hoofdstraat van Grootebroek siert.

Al vanaf 1621 werden in Enkhuizen speciale ritten met paard en wagen georganiseerd naar Hoorn.Al vanaf 1621 werden in Enkhuizen speciale ritten met paard en wagen georganiseerd naar Hoorn, Alkmaar en Medemblik. Na de aanleg in 1671 van de straatweg tussen Enkhuizen en Hoorn kon er een diligencedienst in het leven worden geroepen. De naam Zesstedenweg, hier in Grootebroek, wijst op de doorgaande verbinding met andere steden. (AWG)

Een verbetering was de overdracht van het onderhoud niet. Volgens een reisverslag van de schrijver Jacob van Lennep, die West-Friesland in 1823 bezocht, was de weg ‘bijna onmogelijk te berijden, zoo ongelijk en gebroken zijn de klinkers. Noch is er een voetpad en zand over de weg, 't geen voor den voetganger lastig is’. Dit laatste kwam doordat de aanwonenden de weg te veel schrobden en boenden, waardoor het zand wegspoelde.

Het tolhek aan het Noord te Schagen in 1818. Eén huisje bij het tolhek bestaat nog steeds.Het tolhek aan het Noord te Schagen in 1818. Eén huisje bij het tolhek bestaat nog steeds, zij het danig gerenoveerd. De bereikbaarheid van Schagen over de weg vanuit het noorden was belangrijk voor de handelsbetrekkingen met het stadje. (HVS)