Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » WFON » 1959 » Pagina 68-93

Heerlijkheden in Westfriesland

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 26e bundel, pagina 68-93.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1959.
Auteur: P. Noordeloos.

III. De lenen afzonderlijk.

Oudkarspel Oudorp, Oterleek, Spanbroek, Wadway.

Eén van de huizen, die in de strijd van de graven van Holland tegen de Westfriezen de klappen hebben uitgedeeld, maar ook hebben terugontvangen, is dat van Egmond geweest. Het was als eerste bereid, mee te helpen om de Westfriezen, zijn buren, te temmen, maar enkele telgen hebben daarbij het leven gelaten. Verklaarbaar is - en dat werd ook verwacht - dat de graven van Holland zulke dure diensten niet onbeloond konden laten.
Het naspeuren daarvan heeft tot de ontdekking geleid, dat de graven van Holland in het westelijk gedeelte van Westfriesland reeds aan het uitdelen van lenen zijn begonnen vóór de definitieve onderwerping in 1289. Voor de verklaring hiervan zullen wij terug moeten grijpen naar de meimaand van 1254. Op 11 mei leden de Westfriezen een zware nederlaag tegen de krijgsmacht van Willem II. Hij heeft daarna nog enige dagen onbarmhartig huisgehouden in ons gewest, want op 18 mei bezegelde hij een oorkonde „in castris in depopulatione Westfrisiae”, in de legerplaats tijdens de verwoesting van Westfriesland.1) Drie dagen later was hij met zijn troepen gelegerd op de geestgronden van Vronen. Wij nemen aan, dat het drama zich over het algemeen heeft afgespeeld in Geestmerambacht en aangrenzend gebied en dat er een of ander verdrag met de Westfriezen uit die streken is gesloten. Op grond van zulk een verdrag kon Floris V dan bepalen „ende bij zulcke rechten alze onze here onze wader, haer Willem, wyleneer coningh van Almanghen, plach te hebbene te Vrolen ende toet Oudorpe”.2) Maar er moet meer zijn gebeurd, want voor 1258 blijkt Willem II van Egmond in het hezit te zijn van de heerlijkheden Oudkarspel, Oudorp, Wadway, Spanbroek en Ooterleek met de tienden aldaar.
Wanneer deze plaatsen, waarvan er in het hart van Westfriesland liggen, in leen zijn uitgegeven aan het huis van Egmond, is niet meer te achterhalen. Het feit is er niet minder zeker om, want Willem II van Egmond stond zijn rechten in die plaatsen af aan Floris, oom en voogd van Floris V, en ontving daarvoor terug de heerlijkheid van Warmenhuizen. Ook de datum is niet bekend, maar deze moet liggen vóór 1258, aangezien Floris de Voogd, in dat jaar sneuvelde. Het bezit van Warmenhuizen krachtens deze ruil werd door Floris V in 1290 bevestigd.3)

Warmenhuizen.

Toen de heer van Egmond Warmenhuizen overnam van Floris de Voogd, verkreeg hij daar een onversterflijk4) erfleen, te verheergewaden met een rode valk, de hoge en lage heerlijkheid, „vrilike an hals ende hoofd te rechtene als wi over ons selves lieden rechten” en verder de opbrengst van tienden, sluizen, vis- en vogelrechten en alle andere leenroerige goederen. Hij was daartegenover verplicht de heer met zijn mannen van Warmenhuizen te dienen tot zijn landweer en tot zijn gemene heervaart te varen, als deze geboden werd5) Deze laatste bepaling is wel opgenomen, omdat de heer van Egmond toen nog leenman was van de abdij van Egmond.
Wij nemen aan, dat de heerlijkheid van Warmenhuizen het schoutsdistrict van die naam omvatte en dus ook het kerkdorp Harenkarspel. Dat hiertoe ook Tuitjenhorn behoorde werd door de graaf van Holland na het overlijden van Wouter II van Egmond in 1321 aangevochten. Hij stelde zich op het standpunt, dat tot de goederen, die hem behoorden en die hij niet verplicht was Janne v. Egmond in leen te geven, Tutengehorne behoorde. Dit omdat Jan I volgens de graaf geen bewijzen had, dat hem dit aangekomen was, toen Willem III v Egmond kinderloos stierf.6) De graaf heeft het pleit verloren en aan dit geschil is het waarschijnlijk te danken, dat later Tuitjenhorn naast „Warmenhuizen genoemd wordt: „te Wermerhusen ende Tutinghehorne XXI pont ghelts ende t ambacht van Wermerhusen ende van Tutinghehorne”.
Warmenhuizen bleef een leen van Egmond tot aan de likwidatie van zijn bezit rond 1600. Op Jan I (1321-1369) volgde heer Arnoud (1370-1409). Jan II, Jan met de Bellen, (1409-1451) werd in 1421 door Jan v. Beieren in het bezit bevestigd7) en verkreeg van Jacoba de heerlijkheid Oudkarspel. Hij werd opgevolgd door Willem IV (1431-1483). Jan III, Jan de Manke, (1483-1516) werd door keizer Maximiliaan, echtgenoot van Maria v. Boergondië, in 1486 voor zich en zijn nakomelingen verheven in de rijksgravenstand. Daarbij werd hij losgemaakt van de abdij van Egmond. Al haar rechten gingen over aan de graven van Holland. Hij breidde zijn bezit uit door aankoop van de heerlijkheid Hoogwoud en Aartswoud. Op hem volgden Jan IV (1516-1528), Karel (1528-1541) en Lamoraal (1541-1568). 1 maart 1549 besliste Karel V, dat de Egmonden, enz., alsmede Warmenhuizen, Harenkarspel, Oudkarspel, Petten en Huisduinen een onversterflijk erfleen zouden vormen, te verheergewaden met drie ons fijn goud of 50 £ Vlaams van 40 groten 't stuk en zes schellingen.8)

Tengevolge van een eersterangs politieke blunder werd hij in 1568 onthoofd en zijn bezittingen verbeurd verklaard. Na de pacificatie van Gent (1576) werd zijn weduwe weer in het bezit gesteld van de goederen en lenen in Holland. Na opdracht harerzijds werd haar zoon Filips daarmede verlijd. Toen deze echter overging naar de zijde van de koning en tegen de Staten te velde trok, legden deze op 20 augustus 1579 beslag op zijn lenen en goederen in hun gebied. Nadat Filips in 1590 in de slag van Ivry was gesneuveld poogde zijn broer, Lamoraal II, toen deze in 1593 naar Holland terugkeerde, opheffing van het beslag te verkrijgen. Maar Lamoraal was niet geheel van vreemde smetten vrij. Hij stond onder verdenking in 1582 te hebben medegewerkt aan de voorbereiding van een aanslag op Willem v. Oranje. Hij was wel vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, maar de verdenking bleef. Zij waren hem eigenlijk liever kwijt dan rijk, want hersteld in zijn goederen, zou men hem als een der eersten van de edelen moeilijk de toegang tot de vergaderingen van de Staten kunnen weigeren. Teneinde hem te bewegen, het land te verlaten, werd hem op een hernieuwd verzoek om main-levée te verkrijgen, aangeboden de netto baten van zijn goederen, voorzover deze niet waren vervreemd, mits hij naar Frankrijk zou gaan en daar de koning zou dienen tegen de Spanjaarden.9) Op zijn verzoek, hem daartoe in staat te stellen, werd aan de rentmeester zijner goederen opgedragen, hem 6000 £ uit te keren, terwijl bovendien een oorlogsschip voor hem en zijn gevolg heschikbaar werd gesteld. Het werd een koehandel, maar Lamoraal bleef in Holland. En hier zou hij ongetwijfeld zijn geslaagd, ware hij een man van formaat geweest. Het tegendeel was het geval. Tengevolge van een losbandig en verkwistend leven geraakte hij steeds dieper in schulden, zodat het eens zo omvangrijke familiegoed, dat de heren van Egmond in de volksmond de naam van de rijksten10) had bezorgd, geleidelijk gelikwideerd moest worden. De schuldeisers trachtten er uit te halen wat mogelijk was en splitsten de lenen naar eigen inzicht. Zo gebeurde het, dat Harenkarspel van Warmenhuizen werd gescheiden.

Warmenhuizen.

In 1607 werd krachtens onwillig decreet van het Hof van Holland de heerlijkheid Warmenhuizen met het baljuwschap en schoutambt - dus hoge en lage heerlijkheid — het secretarisambt en bodeambt, de bieraccijns, de turfmaat te Schoorldam, de visserij van de Noorderbrug en de Santsloot, de zwanendrift en wat er verder toe behoorde — voor ƒ 10050.- verkocht aan Gonzelo Gybels en Frederik van der Elburch, schuldeisers van Egmond, die haar 12 december 1609 via Joachim v. Mierop overdroegen aan jhr. Willem Bardesius11) met vier van de vijf blokken tienden. Het vijfde blok, dat in handen van Adriaan van der Burch kwam, volgde kort daarna.
Willem werd 17 april 1620 opgevolgd door zijn gelijknamige zoon12) en 9 december 1631 door diens broeder jhr Arend Bardens.13) Deze droeg zijn leen voor het leenhof door gemachtigde „met halm, hant ende monde” op ten behoeve van Constantijn Sohier de Vermandois, die hiermede 19 oktober 1645 werd verlijd.14) Deze liet het 13 juni 1671 na aan zijn zoon Nicolaas,15) die na zijn dood werd opgevolgd door zijn dochter Adriana op 15 maart 1691.16) Aangezien zij minderjarig was werd voor haar eed en hulde gedaan door Pieter Sydewind, secretaris van Franeker, baljuw van Warmenhuizen. 10 maart 1702 deed zij dat zelf door middel van haar gevolmachtigde notaris. Bij dode en makinge kwam het leen 19 april 1736 aan Antonia Susanna de la Porte17) die huwde met Hendrik van Hoorn, ordinaris gedeputeerde wegens de provincie Zeeland ter vergadering van de Staten-Generaal. Om reden van verkregen akte van diligentie werd 9 februari 1747 Christianus Constantius Rumpf, „eerste commis directeur van de uithemse depesches van de H° O° Heren Staten-Generaal der verenigde Nederlanden”, alsmede Anna Catharina de la Forte, zijn echtgenote, bij dode en makinge van Antonia verlijd met Warmenhuizen.18) Na het overlijden van beiden werd Anna Catharina Rumpf, echtgenote van Jacob Adriaan du Tour, op 16 december 1761 vrouwe van Warmenhuizen.19) 29 maart werd haar hulde vernieuwd door Anne Willem Carel v. Nagell, haar schoonzoon. Haar zoon, de laatste heer van Warmenhuizen, trof boven zijn verlijbrief de slagzin ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ aan. Het was Hans Willem, baron van Aylva, die op 1 mei 1797 beleend werd met Warmenhuizen, hem aangestorven als successeur feudaal van zijn moeder Anna Catharina Rumpf, laatst douairière van de heer Jacob Adriaan, baron du Tour v. Warmenhuizen. Zij overleed 4 mei 1796.20)

Harenkarspel.

Op 13 februari 1608 werd Jacob Huygensz v. der Dussen, burgemeester van Delft, verlijd met de hoge en lage heerlijkheid in Harenkarspel, waartoe behoorden Kalverdijk, Dirkshorn en Tuitjenhoorn, met de inkomsten uit de vis- en vogelrechten, zwanedrift en roerdompen, vronescout en bieraccijns en drie blokken tienden. Verder de inkomsten uit de Witsmeer of Schagerwaard, de Bleijemeer, mede gelegen buiten de Oosterdijck, en de aanwas in de banne Harenkarspel. In het geheel zeven kleine lenen. Jacob v. Mierop had dit voor hem gekocht toen een gedeelte van de goederen van Egmond op verzoek van Frederik v. d. Elburch, Gonzalo Gybels, Adriaen v. d. Burch e.a. publiek was verkocht. Hij betaalde daarvoor 18390 carolusguldens. Wat de tienden aanging, hiervan genoot hij de 15e schoof.21) In 1621 deed dr. Johan Basius, raad en rekenmeester van Holland, als man en voogd van Geertruid v, d. Dussen, oudste dochter en leenvolgster van haar vader, hulde aan de Staten, die 16 januari 1623, krachtens gracieuse concessie, de zeven lenen tot een groot onverstertlijk erfleen verenigden.22) 5 mei 1646 werd hiermede verlijd mr. Jacob v. d. Moere, oud 25 jaar, kleinzoon van Jacob Huygensz voornoemd.23) Dan volgen op 30 januari 1670 Julius v. d. Moere24) op 6 juni 1690 Geertruyt Cornelia v. d. Moere,25) en op 27 augustus 1691 Adam v. d. Moere.26) De reeks werd onderbroken door het verlij van mr. Ant. v. d. Meer, vervangende de executeurs van wijlen Julius v. d. Moere, ten behoeve van diegene, die bij testamente bevonden zal worden gerechtigd te zijn. Deze interruptie, welke 31 decemher 1691 plaats vond, werd snel teniet gedaan27) en de reeks v. d. Moeres werd voortgezet, te beginnen met Alida en daarna op 30 juli 1731, haar zoon Cornelis v. Teylingen, oud-schepen van Alkmaar.28) 18 september 1738 werd zijn zevenjarige zoon als leenvolger aanvaard, Jan Lodewijk,29) die 16 maart 1750 persoonlijk hulde deed. Hij huwde met Maria v. Foreest, die hem 15 augustus 1759 opvolgde als vrouwe van HarenkarspeL30) Zij hertrouwde met Franç Constantijn Druyvesteyn, die 2 november 1763 hulde deed. Bij dode, makinge en erfscheidinge verviel het leen 6 januari 1783 aan Jacob v. Foreest,31) die 9 oktober van dat jaar afstand daarvan deed ten behoeve van Paul Christiaan Fuchs te Amsterdam.32)
Dezelfde lijst van leenvolgers treffen wij aan voor de nieuwe bedijkte tienden van de Ammerswaal onder Harenkarspel, nadat Cornelia Duyck, als moeder en voogdes van haar minderjarige zoon Adriaan Duyck, deze had verkocht aan Everard Berlhaer en deze op zijn beurt had overgedragen aan Jacob v. d. Moere.33)

Oudkarspel.

De heerlijkheid van Oudkarspel werd door Jacoba v. Beieren geschonken aan Jan met de Bellen. Hij verkreeg daar de hoge en lage jurisdictie, de tienden groot en smal, vis- en vogelrechten, het pluimgraafschap en alle andere inkomsten te water zowel als te land, welke de graaf van Holland daar bezat en bovendien nog acht blokken buitenlands tienden en eigendom van de Schaapskuilmeer en alle andere leenroerige goederen aldaar tot een onversterflijk erfleen.34) Het is aan het huis van Egmond gebleven tot de likwidatie van zijn bezit. „Bij het aftrekken des zegels van wasche, ende brieve van decrete” werd mr. Adriaen Duyck, secretaris van de Staten van Holland, in 1607 koper van deze rechten. Aangezien het oorspronkelijk leen echter was gesmaldeeld en in partijen verkocht, zoals dat de crediteuren van heer Lamoraal goeddacht, waren dit afzonderlijke lenen geworden, hetgeen mr. Adriaen niet aanbevelenswaardig vond. Met een beroep op precedenten en het boek De feudi juris scripti Hollandici Westfrisique successione van de hand van Cornelis van Nyenstadt, in leven raad in de Hoge Raad, verzocht hij, deze lenen, die allen van nature onversterflijk waren, tot een onversterflijk erfleen te willen samenvoegen, nu zij weer in één hand waren verenigd. De Staten gingen hiermede akkoord. Samengevoegd werden: De heerlijkheid van Oudkarspel, acht blokken buitenlands tienden, de visserij en de eigendommen van de Schaapskuilmeer met alle tochten, wateringen, af- en aangangen vandien en alle andere leenroerige goederen, die hij „In ende onder de heerlijkheid van Harinckarspel possideert oft noch comen te possideren zal”. 13 augustus 1619 werd hij hiermede verlijd.35) 1 juni 1623 werd hij opgevolgd door zijn zoon Ghysbert,36) 12 februari 1625 door diens broer Jan37) en 6 oktober 1645 door diens zoon Adriaen. Kort daarop doet zijn moeder afstand van het leen ten behoeve van Johan v. Overrijn Schoterbosch,38) die 16 december 1646 wordt opgevolgd door zijn vrouw Maria v. Walenburgh.39) 2 februari 1680 wordt met het leen verlijd haar neef Adriaan Paets,40) die nog wordt opgevolgd door zijn zoon mr. Adriaan Paets, ontvanger-generaal van het college ter admiraliteit op de Mase. Hij verkocht zijn rechten echter op 1 maart 1687 voor ƒ 23000.- aan Julius v. d. Moere, heer van Harenkarspel, en droeg daartoe in persoon met halm, hant ende monde, voor het leenhof zijn rechten op aan de Staten zonder enig „recht daer aen te behouden, als onse leenmannen wijsden dat recht was”.41) De leenvolgers zijn sindsdien tot 6 januari 1783 dezelfde als die van Harenkarspel. Dan komt dit met uitzondering van de acht blokken buitenlands tienden, de visserij en andere eigendommen in de Schaapskuilmeer, die aan Paul Christiaan Fuchs, heer van Harenkarspel, komen, aan mr. Jacob Binkhorst, raad van Hoorn, echtgenoot van Maria v. Foreest.42)

Oudorp.

Wij vernemen, dat Floris V in 1271 aan Wouter de Vriese o.m. in leen gaf de „huishoenren bij Oudorp en Vronen”.43) Geldnood bracht hem er op 29 april 1283 toe om Oudorp en Huisduinen voor 250 £ Hollands in leen te geven aan Willem v. Egmond. Dit was een kwaad leen, want er was de voorwaarde aan verbonden, dat het goed na Willems dood zou komen aan zijn erfzoon Gerrit. Zou deze komen te overlijden, dan zou het in handen van zijn kinderen komen, zolang er enig kind van Gerrit zou leven.44) In de akte worden de verleende rechten niet gespecificeerd, zodat in 1319 inderdaad verschil van gevoelen kon ontstaan tussen de graaf van Holland en Wouter v. Egmond over ieders rechten.45)
Gerrit stierf in 1300 voor zijn vader, maar had een zoon, Willem de Goede, die zonder kinderen overleed. Bovendien had hij een zoon Wouter. Toen deze in 1321 stierf werd hij opgevolgd door zijn zoon Jan I. Deze is echter niet meer beleend met Oudorp, aangezien de rechten daarop weer aan de graaf waren vervallen. Hierover schijnt geen verschil van gevoelen te hebben bestaan. Sindsdien is de heerlijkheid Oudorp, behoudens een korte onderbreking, waarop wij nog terugkomen, aan de graaf van Holland gebleven en van deze overgegaan aan de Staten van Holland.

Ursem, Mijzen, Koedijk, Sint Pancras, Oudorp, Oterleek.

Ursem en Mijzen zijn al vroeg in leen uitgegeven. Wanneer is niet bekend. Wij vernemen het feit uit een verklaring van Floris V uit 1290, houdende, dat Willem van Egmond, Gerard v. Velzen en Gerard, heer Woutersz. voor hem hadden vastgesteld, dat Willem v. Haarlem, heer Simonsz., het Noordeinde van de Schermer, Mijzen en Ursem in achterleen zal houden van Gherarde den kinde van Voorne.46) Deze Gerard was de leenvolger van Aelbrecht van Voorne, die gehuwd is geweest met Catharina v. Teylingen. Hij werd opgevolgd door Johanna en deze door vrouwe Machteld v. Voorne, die in 1372 kinderloos stierf. Gevolg was, dat het leen terugviel aan de graaf van Holland, Albrecht v. Beieren.47)
In 1420 ontsloeg Jan v. Beieren de buren van Schermer en Ursem van de hem gedane hulde en eed en gelastte hij hun zijn bastaardzoon Willem als hun heer te ontvangen.48) Deze belening heeft weinig effect gesorteerd, want in het rumoer van de strijd tussen Jacoba v. Beieren en Filips v. Boergondië komt met onweerstaanbare kracht naar voren 's hertogen raad en kamerling Roeland v. VVtkerke. Hij had hem onschatbare diensten bewezen o.m. als verdediger van Haarlem en werd door zijn heer met weldaden overladen. Vierkantemeters perkament zijn hieraan besteed. Wij willen ons bij de opsomming echter beperken tot ons gebied. 28 december 1425 gaf Filips hem zijn huis en slot ‘ter Nuburch’ met al hetgeen daartoe behoorde in leen, voegde daaraan 8 maart de vrije heerlijkheid Koedijk, Oudorp, Oterleek, Graft en Zuidschermer toe, teneinde het kasteel beter in stand te kunnen houden49) en verpachtte hem zijn Vroonlanden - het eertijds in Vronen onteigende gebied - voor tien jaren. In 1426 gelastte hij die van Kennemerland en Kennemergevolg, waartoe behalve de hiervoor genoemde plaatsen ook Ursem behoorde, om hun privilegiën in te leveren in handen van heer Roeland te Haarlem, die ze kon behouden of teruggeven naar zijn goeddunken.50) 17 augustus 1428 vernieuwde Jacoba v. Beieren de beleningen van Filips, die haar oorkonde enkele dagen later ook weer bekrachtigde51) 3 juni 1429 voegde hij daaraan o.m. Ursem toe, hetgeen toen door Jacoba werd bevestigd.52) Nadat Jacoba op 12 april 1433 afstand had gedaan van haar rechten op het graafschap Holland werden aan deze heerlijkheid nog enige oorkonden gewijd. 25 april 1433 ontsloeg heer Roeland de goede lieden van der Nyeburch, Koedijk, Sint Pancras, Oudorp, Oterleek, Ursem en Schermer van de hulde en eed en belofte van trouw, aan Jacoba afgelegd53) Daarop droeg deze de hoge, middele en lage heerlijkheid daarvan over aan Filips, om er Roeland van VVtkerke mede te belenen. Welke oorkonde door Filips wordt bevestigd met deze correctie, dat Roeland de dorpen Ursem en Schermer in eerste belening van hem heeft ontvangen. Het leen te verheergewaden, als het versterft, met een rode valk.54)
Roeland v. VVtkerke stierf in 1442 zonder mannelijk oir na te laten. Zijn zoon was in 1441 gerechtelijk ter dood gebracht. De enorme verdiensten van zijn vader tegenover de hertog hebben hem daaraan niet kunnen onttrekken. Kort voor zijn dood heeft Roeland bij brieven het slot en de heerlijkheden aan Filips teruggegeven, hij zijn dood te aanvaarden.55) Sindsdien zijn zij aan de grafelijkheid gebleven.

Opmeer, Spanbroek, Obdam, Hensbroek.

Het heeft er een ogenblik naar uitgezien, alsof deze kerkdorpen, die samen een schoutambacht vormden en in een stedelijk verband waren samengevoegd, als een onsplijtbaar geheel door de historie zouden gaan. Dit te meer, omdat Jacoba v. Beieren op 5 novernber 1429 met haar dienstman Aernt v. Ghent, heer van Giessen, een ruil aanging, Waarbij hij tegen afstand van zijn rechten in Waterland en kwijtschelding van enige vorderingen, verlijd werd met de hoge en lage heerlijkheid van het schoutschap en schependom Opmeer, Spanbroek, Obdam en Hensbroek, „palende an Hoichtwoude, Abbenkerck, Zybenkerspel, Wadway, Luttedrecht ende Urshem ende voirt in die Wairt tot Veenhusen toe, alsoe verre als dat behoirt te water ende te lande met alle renten, thienden, profijten, opcomingen, vervallen ende rechten ende mit anders allen hoeren toebehoren, alzo vrij, alzo groet ende alzo cleyn als onse voirvaderen grave van Hollant, zaliger gedachten, ende ons dese voirs.heerlicheden toebehoirt hebben .... niet uitgesceiden in eniger manieren”. Aernt voornoemd ontving deze als een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden.56) Filips v. Boergondië bevestigde de ruil 15 november 1429 en het verlij op 20 april 1433.57)
Het heeft Aernt blijkbaar financieel niet meegezeten, aangezien hij in 1434, teneinde enige schulden te kunnen afdoen, een gedeelte van zijn bezit, waaronder de heerlijkheid Opmeer c.a., heeft moeten verkopen. Zij ging, zoals hij haar in leen had ontvangen, als een onverdeeld geheel58) over aan een driemanschap. Bij onderlinge regeling, ongetwijfeld steunende op ieders bijdrage in de koopsom, ontving Jan v. Boekhorst de helft. Goeswin Michielsz en Jan v. Zwieten elk een vierde.59)
Ieder van de heren werd door de graaf in zijn aandeel bevestigd zonder dat in de betreffende oorkonden het deel nader wordt omschreven. Nu zullen wij niet ver mis zijn, als wij aannemen, dat Jan v. Zwieten toen Opmeer is toegewezen, want door Gouthoeven wordt hij reeds ‘heer van Opmeer’ genoemd. Iets minder zeker zijn wij ten aanzien van Goeswin Michielsz, maar wij vermoeden, dat hij Spanbroek kreeg toebedeeld, omdat dit later een afzonderlijk leen werd en Obdam en Henshroek a.h.w. van nature één waren. Hoe waarschijnlijk ook, vast staat dit niet, want toen heer Goeswin in 1438 zijn aandeel overdroeg aan Jan v. Boekhorst, wordt dit zonder nadere aanduiding ‘een vierde deel’ genoemd. Nu in het bezit van twee lenen - een vierde plus de helft - wordt hij daarin bevestigd door Filips van Boergondië.60) Voor ons, die niet anders dan breuken opgediend krijgen, begint het geval ingewikkeld te worden, wanneer Jan v. Boekhorst in 1448 een regeling treft, waarbij wordt bepaald, dat zijn zonen Jan en Daniël, die zich ‘van Noortich (Noordwijk)’ noemen, na zijn dood van de ‘gerechte helft’ elk een vierde zullen ontvangen, en wij bespeuren, dat Daniël in 1449 ter gelegenheid van zijn huwelijk beleend wordt met een vierendeel.61) Na zijn dood in 1465 treedt zijn zoon Floris in zijn rechten.62) Deze omvatten voor hem alleen het versterf. Deze herhaalde overdracht en splitsing van niets zeggende breuken moet zelfs voor de griffier der lenen een probleem zijn geworden en misschien is van die zijde aangedrongen op een verkaveling en scheiding, zodat concreet kon worden vastgesteld hetgeen elk hunner toebehoorde. In 1474 kwamen partijen Jan v. Zwieten, schout van Leiden, Jan v. Noordwijk, heer van Noordwijkerhout, en Floris v. Noordwijk - tot overeenstemming betreffende het aan ieder toe te kennen gedeelte en het daarbij te verrekenen bedrag. De overeenkomst verwierf 26 oktober 1474 de goedkeuring van het leenhof en 28 mei 1475 de sanctie van Karel de Stoute.
Jan v. Zwieten ontving de heerlijkheid Opmeer als volledig vierendeel van de hoge heerlijkheid, welke eertijds was uitgegeven. Floris v. Noordwijk werd het schoutambacht van Spanhroek, dus de lage heerlijkheid van die plaats toegewezen met de tienden, de molen, de visserij van de Kaghe en wat er overigens toe behoorde, als zijnde de helft van het oorspronkelijk leen. Aan Jan v. Noordwijk werd het schoutambacht van Obdam en Hensbroek toegewezen - dus ook de lage heerlijkheid - met de tienden, de zwanedrift, de vogelrechten, het visrecht van de Wogmeer met hetgeen er overigens toe behoorde als een gerecht vierendeel.63) Vandaar nu dat, terwijl het drietal de hoge heerlijkheid van Aernt v. Ghent had overgenomen, alleen Opmeer nog maar een hoge heerlijkheid blijkt te zijn en de beide andere slechts ambachtsheerlijkheden? Dat zit zo. Jan v. Boekhorst had indertijd van hertogin Margaretha de ambachtsheerlijkheid van het dorp Noordwijk en de hoge en lage heerlijkheid van de hofstede aldaar ontvangen. Toen hij na haar overlijden bevestiging van die rechten verzocht aan Filips v. Boergondië stelde deze, dat „aangesien dat onse lieve moye niet dan lijftochtsvrouwe en is der lande voirsz. ende dat mitsdien dieselve verlynige ende ghifte van ghenre wairde en is na hoire doet” en Jan v. Boekhorst toch zeer veel prijs stelde op de vernieuwde belening met Noordwijk, bedong Filips dat hij te zijner beschikking moest stellen drie vierendelen van de vrije heerlijkheid Opmeer c.a. Hiertoe bleek Jan v. Boekhorst bereid. Het resultant was, dat Filips bepaalde: „in welken dorpen wij ende onse erven ende nacomelingen stellen ende committeren sullen onsen bailliu van onsen wegen tot alre tijt als ons dat nut ende oirbaar duncken sal”.64) In overeenstemming hiermede treffen wij dan op 24 mei 1443 aan, dat Jan v. Noordwijk het baljuwschap van Spanbroek, Obdam en Hensbroek „met hoeren toebehoren” wordt opgedragen.65)

Opmeer.

Jan v. Zwieten, na Aernt v. Ghent de eerste heer van de vrije heerlijkheid Opmeer, werd bij zijn overlijden opgevolgd door zijn zoon Boudewijn. Diens leenvolger was zijn derde en jongste zoon Jan, die uit zijn huwelijk met Emmerzoete Engelbrechtsdochter v. d. Marck een zoon Adriaan won, die 21 december 1484 door Maximiliaan en Filips v. Oostenrijk verlijd werd met „die heerlichevt hoge ende lage van Opmeer”, zoals zijn vader Jan die na de scheiding had bezeten. Het werd hem gegeven als een onversterflijk erfleen te verheergewaden met een rode valk66) Hij werd in 1486 opgevolgd door zijn zoon Jan67) en in 1511 door zijn kleinzoon Jan,68) die in 1526 ongehuwd stierf. Dientengevolge kwam het leen aan Janna of Josina, dochter van Adriaan, die gehuwd was met Willem v. d. Coulster, die zich v. Alkemade noemde.69) Vandaar dat na de dood van Janna een Agatha v. Alkemade als vrouwe van Opmeer wordt gehuldigd.70) Zij huwde met Jan v. Culemborg. Na haar dood werd Opmeer in 1562 toebedeeld aan de jongste van haar vier dochters, Florentina v. Culemhorg,71) die huwde met Jan v. Mathenes. Haar zoon Adriaan voegde aan de naam Mathenes die van Rivière toe en na de dood van zijn rnoeder kon hij 24 juli 1619 ook nog die van heer van Opmeer voeren.72) Hij heeft hiervan niet lang genoten, want reeds 25 juli 1622 wordt zijn zoon Jan met het leen begeven.73) Het bleef nog een paar generaties in het huis van Mathenes. Adriaan 19 juli 1654,74) Ghysbert 17 februari 1656.75) Deze stierf in 1670. Leenvolger werd toen de één jaar oude Willem, die drie jaar later stierf76) en tenslotte Florentina 20 januari 1676.77) Bij het overlijden van deze vrouwe van Opmeer blijkt haar financiële toestand vrij precair te zijn. Curatoren worden over haar boedel aangesteld en bij opdracht van hen gaat de heerlijkheid 5 maart 1688 over aan Isaac v. Thyen.78) Op deze volgen zijn zoon Abraham 12 december 1695,79) zijn kleinzoon Isaac 21 septemher 172580) en zijn kleindochter Johanna Benjamina, huisvrouw van Jan Willem Hannes, krijgs- en domeinraad van de koning van Pruisen, wonende te Utrecht. Zij draagt het leen, nadat het haar door haar broer was vermaakt, op dezelfde dag over aan mr. Adriaan v. d. Mieden, president van den Hove van Holland,81) die 3 oktober 1765 wordt opgevolgd door zijn zoon mr. Aris v, d. Mieden, secretaris van de Staten van Holland.82) en 4 augustns 1794 door diens broeder Christoffel.83)

Spanbroek.

Bij de scheiding in 1474 werd de ambachtsheerlijkheid Spanbroek, gelijk wij zagen toegewezen aan Floris v. Noordwijk. Deze werd 14 febrnari 1487 in het leen bevestigd door Maximiliaan en Filips v. Oostenrijk. Dezelfde dag trof hij een schikking, waarbij hij zijn vrouw Lijsbeth Ludolf Claesd. de helft van het leen na zijn dood toewees, maar in 1492 vermaakte hij het aan zijn zoon Jan.84) Deze verkocht het aan Manke Jan v. Egmond, die het in 1500 blijkt te bezitten. Sindsdien volgt het leen de lotgevallen van het huis van Egmond totdat het 24 december 1599 werd verkocht aan Reinoud v. Brederode. Het heet dan heerlijkheid van ‘Spanbroek ende tot Spierdijk’ en moest verheergewaad worden met twee rode valken of vier schellingen. - Een bewijs, dat het samengesteld was uit twee afzonderlijke delen. Lamoraal v. Egmond had hieraan vrijwillig medegewerkt door het leen met halm, hande ende monde op te dragen aan de Staten ten behoeve van de koper. Hij werd hiermede verlijd bij opdrachte van Fey v. Brochoven, als daartoe gevolmachtigd door de Staten van Holland, benevens mr. Willem Schouten en Johan v. d. Meulen, procuratie hebbende van de hooggeboren heer Lamoraal v. Egmond, graaf v. Egmond, den 24 februari 1600.85) Heer Reinoud v. Brederode, baanderheer v. Wesenberch, ridder, heer v. Veenhuizen, Oosthuizen en Etersheim, enz. telde voor zijn nieuwe heerlijkheid de som van ƒ 15534.12 neer. Zijn rechten droeg hij 6 januari 1633 over op zijn kleinzoon Willem v. Cats.86) Na diens overlijden werd zijn zuster Catharina Maria in 17 September 1636 verlijd zowel met de hoge als lage heerlijkheid.87) In 1644 wordt haar echtgenoot jhr. Albert v. Raephorst. Guenterstein door burgemeester, schepenen en vroedschappen van Spanbroek gehuldigd. Op haar volgde haar zuster Anna v. Cats in 1649.88) Haar echtgenoot Pieter v. Wassenaer werd in 1655 gehuldigd en ontving te dier gelegenheid de blijkbaar gebruikelijke som van 649.10.- £. Anna stierf waarschijnlijk op vrij jonge leeftijd, aangezien haar kinderen toen nog minderjarig waren. De vader, als voogd, verkocht de heerlijkheid Spanbroek, Spierdijk en Zuidermeer voor 36000.- £ aan mr. Johan v. Gheel 8 maart 1658.89) In de verlijbrief staat, dat hij beleend wordt met de hoge heerlijkheid van Spanbroek ende tot Spierdijk, zoals deze op 20 dec. 1601 was uitgegeven aan Reinoud van Brederode: met de lage of ambachtsheerlijkheid van dat gebied, zoals deze destijds bij het huis van Egmond berustte, en met een nobel „op te beuren op de molen te Spanbroek: ter cause van de wint aldaar.”89) In de N.H. kerk van Spanbroek staat, dat hij op 27 maart 1668 is overleden, maar deze datum is zeker niet juist. Vast staat, dat zijn broer Daniël op 20 februari 1668 is verlijd met het leen en dat dit hem aangekomen en bestorven is „bij doode ende overlijden van vrouwe Elisabeth Lampsius, sijn moeder”. Aldus in de leenregisters van Holland alsook in de originele beleningsakte, welke zich in het Archief van de heerlijkheid Spanbroek in het Rijksarchief te Haarlem bevindt. Uit diezelfde stukken blijkt, dat de moeder daaraan was gekomen „bij doode ende maeckinge van mr. Johan van Geel, haer soon” krachtens testamentaire dispositie. Dit testament was gemaakt ten overstaan van notaris N. v. Kittensteyn op 20 december 1665, toen mr. Johan ziek lag in de woning ‘Het Clooster’ te Heemstede. Daarin staat, dat hij zijn moeder Elisabeth Lampsius, weduwe van Johan v. Geel, aanstelde tot enige erfgename van de heerlijkheid en van al zijn andere goederen „naer sijn overlijden” te aanvaarden. Dus tussen Daniël en Johan is ook de moeder nog vrouwe van Spanbroek geweest. Dat vermeldt trouwens ook de inventaris van het archief, welke echter over de daaruit voortvloeiende moeilijkheden heenglijdt.
Het eerste wat nu voor de hand lag, was na te gaan, wanneer E. Lampsins dit schijnt haar werkelijke naam te zijn geweest. Lampsius zou een verkeerde lezing zijn? - met het leen was verlijd. Krachtens het octrooi, waarbij aan Johan was toegestaan een testament betreffende de heerlijkheid te maken, moest de erfgename binnen zes weken na het overlijden hulde doen aan de Staten. Wij hebben er geen spoor van kunnen ontdekken en ook drs. J. Fox, chartermeester aan het Algemeen Rijksarchief, die steeds bereid was ons van advies te dienen als wij bij onze speurtochten in het Algemeen Rijksarchief klem kwamen te zitten, heeft dit ook uit andere bronnen niet kunnen achterhalen. Toen een onderzoek in het Rijksarchief en het Gemeentearchief te Haarlem ook niets opleverde, wendden wij ons tot het Centraal Bureau voor Genealogie. De directeur was zo vriendelijk ons te verwijzen naar het werk van Johan E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, Dit vermeldt, dat Elisabeth Lampsius in 1602 werd geboren te Middelburg, op 5 September 1623 te Amsterdam huwde met Jean van Gheel, heer van Spanbroek, Spierdijk en Zuidermeer en op 14 juli 1667 werd begraven in de Westerkerk te Amsterdam. De datum van begraving hebben wij gecontroleerd aan het begravingsregister en juist bevonden.
Dit staat dus wel vast. Daartegenover bezorgt Elias ons twee andere puzzels, nl. de trouwdatum van de ouders tegenover de leeftijd van de zoon, welke in het grafschrift op 43 jaar wordt gesteld, en de vraag of de vader van mr. Johan ook reeds heer van Spanhroek was. Wij zullen met de laatste beginnen.
Jan v. Gheel Sr., geboren in 1589, was een „Straetse handelaar”. Onder de naam van Daniël x Jan v. Gheel dreef hij handel op Italië en de Levant. Hij woonde op de Herengracht te Amsterdam. Maar als wij aannemen, dat de passage „10 februari (1657) Jan van Geel Here graft 8.-.-”, welke wij aantroffen in het pijnlijk nuchtere - van vrijwel niemand wordt meer vermeld dan de eigen naam en de woonplaats - begraafregister van de Wester Kerk te Amsterdam, op hem betrekking heeft, dan kan hij geen heer van Spanhroek zijn geweest, aangezien het leen eerst in 1658 in handen van de familie Van Gheel kwam. Elias kent maar één Johan v. Gheel en geeft daarom de titel van de zoon aan de vader.
Elisabeth Lampsins is begraven 14 juli 1667, dus moet de zoon voor die datum zijn overleden. Blijven wij 27 maart als sterfdatum aanhouden, dan zal dit in 1667 gebeurd zijn. Dan zou hij 43 jaar zijn geweest. Zijn ouders zijn echter gehuwd op 5 september 1623, zodat Johan, normaal genomen eerst begin juni 1624 geboren kan zijn. Wij zullen dus achter de leeftijd ook een vraagteken moeten plaatsen. Is deze aan de onjuiste sterfdatum opgehangen? Mogelijk is de fout gemaakt hij het vernieuwen van de epitaaf. "Toen is vermoedelijk ook de R uitgevallen, welke achter VIATO op de eerste regel behoort te staan.90)
Daniël v. Gheel wordt een voornaam ossenweider genoemd. Hij woonde op de Herengracht te Amsterdam en was een vermogend man. In 1674 werd hij gesteld op ƒ 304.000.-. Hij was gedoopt in de Nieuwe kerk op 16 april 1628 en wordt bij de aanvaarding van zijn leen op 20 februari 1668 veertig jaar oud genoemd! De staat van goederen, welke Daniël en Johanna Boon, met wie hij 23 april gehuwd was, hun zoon Cornelis ter gelegenheid van dens huwelijk met Jacoba van Reigersberg in 1682 toezegden, vermeldt ook de heerlijkheid Spanbroek. Hij werd daarmede dan ook, nadat zijn vader in 1705 was overleden, op 21 januari 1706 verlijd.91)
Op Cornelis v. Gheel volgen als leenvolgers zijn dochter Johanna Jacoba op 18 december 1719,92) haar broeder Daniël op 29 juni 1733.93) Diens zoon Cornelis droeg op dezelfde dag dat hij ermee werd verlijd het leen over aan Jan Mein te Amsterdam, die er ƒ 15000.- voor betaalde.94) Na zijn dood werd zijn weduwe Maria Amelia v. Notten er mee verlijd, maar zij verkocht het met haar allodiaal goed, bestaande uit een herenhuis, huismanswoning, landerijen en een elzenbos voor ƒ 13200.- aan Alexandre Auguste des Villates, die hiermede op 22 oktoher 1766 werd verlijd.95) 10 april 1766 komt het in handen van Johan Henri des Villates, maar diens voogd verkocht het in de castelnye van den Hove van Holland aan de meest biedende, in casu Casparus de Jong, die hiermede 18 april 1766 wordt verlijd.96) Na zijn dood werd zijn weduwe leenvolgster, maar deze verkoopt het, eveneens met haar allodiaal goed, voor ƒ 45000.- aan Willem baron v. Wassenaar, die hiermede op 22 december 1774 zijn zoon Willem Frederik Hendrik laat belenen.97) Deze deed zelf hulde 2 juni 1777.

Obdam en Hensbroek.

Na de scheiding in 1474 bleef de amhachtsheerlijkheid Obdam en Hensbroek in handen van Jan v. Noordwijk, de schout van Leiden, die daarmede door Maximiliaan en Phillips v. Oostenrijk in 1486 werd beleend. Daarna ging het in 1501 over op zijn neef Jacob en van deze in 1504 op zijn dochter Anna.98) 10 februari 1540 droeg juffr. Anna, weduwe van Gijsbrecht v. Duvenvoorde, het leen op aan de allergenadigste heer de keizer van Duitsland als graaf van Holland ten behoeve van haar zoon Jacob v. Duvenvoorde.99) In 1559 kwam het aan dens zoon Gijsbrecht100) en in 1582 in rechte lijn aan zijn zoon Jacob.101) Zijn kleinzoon jhr. Jacob v. Wassenaer v. Duvenvoorde, die in 1665 sneuvelde in de slag bij Lowestoft, was 1 September 1624 in het bezit ervan gekomen.102) 13 juli 1666 werd zijn zoon Jacob ermede verlijd.103) Het leen is in de familie Wassenaer gebleven. Jan Hendrik volgde zijn wader 31 december 1714 op.104) Zijn leenvolger was zijn zoon Unico Willem op 2 oktober 1746.105) Daarna op 29 december 1767 diens zoon Jacob Jan.106) En dan op het einde van de dagen van de ‘heren‘, als de Franse revolutie reeds in zicht is, worden Obdam en Hensbroek, die tot dan als Siamese tweelingen door het leven zijn gegaan, bij besluit van de Staten van Holland en Westfriesland van 23 februari 1781 van elkander gescheiden.

Obdam.

Met Obdam wordt beleend op 8 januari 1781 Carel Georg v. Wassenaer, broer van de overledene Jacob Jan.107) De reeks wordt besloten met Jacob Unico v. Wassenaer die op 21 januari 1794 krachtens donatie van zijn voorganger met het leen word beleend.108)

Hensbroek.

Met de heerlijkheid Hensbroek werd 5 maart 1781 bij opdracht van Carel Georg v. Wassenaer verlijd Anthony v. Maurik te Sloten109) en bij opdracht van deze op 2 juli 1794 Gerrit v. Steyn.110)

Hoogwoud en Aartswoud.

Eduard v. Beieren, een bastaardbroer van Jacoha, had zich biezonder onderscheiden in haar dienst en was door haar tot ridder geslagen in de tweede slag bij Alphen in 1426.111) Op 12 februari 1429 beloont zij zijn verdiensten door hem te begeven met de heerlijkheid Hoogwoud en Aartswoud. Het gebied was gelijk aan dat van het schoutambacht en het schependom. De heerlijke rechten omvatten de hoge, middele en ]age rechtspraak, terwijl daaraan verbonden werden alle inkomsten, welke de graaf van Holland daar tot dan toe had bezeten. Bovendien nog de tienden van Wognum. Het leen was onversterflijk, te verheergewaden met een rode valk of twee Franse schilden.
De volledigheid van de rechtsmacht van de heer blijkt uit het stedelijk recht, dat hij 29 maart aan zijn gebied verleende. In de twist tussen Filips v. Boergondie en Jacoha v. Beieren had Hoogwoud op het verkeerde paard gewed en zijn stadrechten verspeeld. Van heer Eduard ontvingen zij nu een nieuw recht. Dit was niet in alle opzichten oorspronkelijk. Meerdere bepalingen waren overgenomen uit het stadrecht van Medemblik, of ontleend aan het door Willem de Bastaard aan Barsingerhorn en Haringhuizen geschonken recht. Uit de vrijbrief blijkt, hoe volledig de heer de plaats van de landsheer innam. De bepalingen toch hebben niet alleen betrekking op de verhoudingen tussen de burgers onderling, en hun bestuur, maar regelen ook die van poorters en beambten tot de heer. Ook wat de beden betreft treedt hij in de plaats van de landsheer door te bepalen, dat men hem een bede verschuldigd is wanneer hij voor het eerst wordt gehuldigd, wanneer bij een tocht over zee gaat maken, wanneer hij een wettig huwelijk sluit, en eenmaal in geval van uithuwelijking van de oudste zoon of de erfdochter. De bedragen zouden in onderling overleg worden vastgesteld.
De civiele en lage rechtspraak liet de heer over aan de schout, de hoge oefende bij of zelf of door zijn baljuw uit.
Opmerkelijk is in dit recht, dat de parochianen van Hoogwoud twee pastoors aan hun parochiekerk verbonden wensten te zien. De heer zou hierop ingaan, zodra de prebende voor de pastoor zes gouden Engelse nobels zou bedragen.112)
Zoals wij zagen is Eduard, een bastaardzoon van Willem VI, de eerste heer van Hoogwoud en Aartswoud geweest. Gouthoeven deelt mede, dat hij daar een slot timmerde.113) Hierbij behoeven wij niet aanstonds te denken aan een kasteel, zoals er een te Medemblik stond. In latere stukken wordt het een ‘huis‘ genoemd. Opvolger van Eduard was in 1458 zijn zoon Anthonius114) en in 1490 zijn kleinzoon Willem.115) Deze was niet vrij in zijn doen en laten, wat de heerlijkheid betrof, want 8 maart 1490 was hij met zijn broers Gerrit en Cornelis overeengekomen de heerlijkheid niet te zullen verkopen tenzij met aller instemming. Niettegenstaande dat verkocht hij haar in 1493 aan manke Jan, graaf van Egmond.116) Ten einde ook zijn allodiaal goed, het huis met drie morgen land te kunnen overdragen, droeg hij dit uit vrij eigen op aan de graaf van Holland om de graaf van Egmond hiermede te belenen. De broers maakten wel bezwaar tegen deze verkopen, maar uiteindelijk zijn deze rechten en goederen toch aan Egmond gebleven117) Van deze tijd dateert het baljuwschap van Egmond in zijn volle omvang.
Op Manke Jan volgde zijn zoon Jan IV v. Egmond, maar deze droeg zijn heerlijke rechten in 1520 over op zijn broer George, Joris of Juriaan v. Egmond, bisschop v. Utrecht,118) die het leen bij overeenkomst van 25 juni 1530 tussen hem en Françoise van Luxemhurg, gravinne douarière v. Egmond, als „gecommitteerde tutresse ende voocht van Kaerle v. Egmond” overdroeg aan zijn neef Karel. De bisschop behield zich het recht voor het leen te belasten met een erfelijke rente van ten hoogste 300 £ per jaar, te lossen de pennink 16, zulks met toestemming van Karel. Zijbrand Occo, poorter van Amsterdam, blijkt hierop later een hypotheek te hebben van 125 carolusguldens per jaar.119) Bij overgifte van Karel werd Lamoraal in 1538 heer van Hoogwoud en Aartswoud.120) Verder volgde het de lotgevallen van het huis van Egmond.
Opgejaagd door zijn schuldeisers kwam Lamoraal jr. overeen met Cornelis v. Mierop v. Cuyck, heer v. Calslagen, om de heerlijkheid over te nemen voor 26000 £, te betalen in drie termijnen. De koper werd ermede beleend op 28 februari 1600.121) Hij werd in 1609 opgevolgd door zijn zoon Hugo122) en, bij opdracht van deze, in 1611 door Charles v. d. Noot, gouverneur van de stad Sluis en omgelegen forten, kolonel over een regiment voetknechten, kapitein van de lijfwacht van prins Maurits.123) Bij dode en makinge van deze ging het leen op 12 juni 1615 over aan zijn zoon ridder Karel v. d. Noot124) en bij diens dood op 25 maart 1626 aan zijn zuster Louise.125) Haar leenvolger was op 12 februari 1638 haar zoon Alexander Zoete geseyt Houtain126) en op 9 juni 1640 haar zoon Charles de Zoete v. Laken, geseyt Houtain.127) Door fidei commissaire subjectie kwam het leen op 13 oktober 1672 aan Filips Jacob v. d. Boetzelaer, een neef van de voorgaande heer.128) Bij het ontbreken van mannelijhe erfgenamen verviel het leen op 23 februari 1689 aan zijn beide dochters Anna Magdalena en Maria Cornelia.129) Deze laatste kwam het eerst te overlijden, met als gevolg, dat haar dochter Catharina v. d. Noot in haar rechten trad op 13 januari 1716.130) Zij huwde met Willem Maurits v. Cats, die wij na haar dood als leenvolger zien optreden op 3 november 1728.131) Bij overlijden van deze en krachtens uiterste wil van Catharina wordt haar schoonzuster Louise Hedwig v. Cats op 8 januari 1744 vrouwe van Hoogwoud en Aartswoud.132) 26 oktober 1757 wordt zij opgevolgd door haar neef Pieter v. Wassenaer, heer v. Sterrenberg, ridder, door de ridderschap gecommitteerd in het college ter admiraliteit te Amsterdam, hoogheemraad van Schieland, baljuw en dijkgraaf van het land van Voorne, bij dode en makinge van vrouwe Louise Hedwig, in leven gewoond hebbende te Leiden.133) Hij was gehuwd met Anna Arnoldina v. Boetzelaer, die haar man op 10 maart 1762 opvolgde.134)

Veenhuizen.

Veenhuizen wordt verondersteld uit onze protohistorie te voorschijn te zijn gekomen in 1289. In dat jaar werden vertegenwoordigers van Geestmerambacht naar de bisschop van Utrecht gezonden om te handelen over de voorwaarden ter bijlegging van de vete tegen Holland. Wij treffen in dat gezelschap mannen aan uit Vronen, Oudorp, Broek, Zuid- en Noordscharwoude, Warmenhuizen, 't  Nieuwland (Sint Maarten), Tuitjenhorn (Harenkarspel), Enigenburg, Oterleek en ook uit Rehuzen of Behusen,135) welke naam nauwelijks op een andere plaats dan Veenhuizen betrekking kan hebben.
Wij maken er opnieuw kennis mee op 20 mei 1436, toen Filips v. Boergondië Bertout v. Assendelft en Jan Willem v. Hoogwoud beleende met de heerlijkheid Veenhuizen, welke de hoge en lage rechtspraak omvatte. Daaraan werden bovendien alle bezittingen en inkomsten verbonden, welke de graaf in dat gebied bezat. De regeling tussen beide leenmannen was, dat Bertout de hoge en lage heerlijkheid zou bezitten in onversterflijk erfleen en dat ieder de helft van de goederen en inkomsten zou ontvangen.136) Na de dood van Bertout ging het leen in 1466 over aan zijn zoon Aelbrecht, die, nadat hij in 1491 was gestorven, werd opgevolgd door de kanunnik Hugo v. Assendelft,137) die het in 1506 opdroeg ten behoeve van zijn zuster Anna.138) Bij overgifte van deze kwam het in 1537 aan haar zoon Aelbrecht Bloys v. Treslong.139) en na diens dood aan zijn dochter Adriana. Dat was in 1555.140) lonkvrouw Adriana huwde met. Lancelot v. Brederode en na haar dood trad haar zoon Reinoud v. Brederode in 1582 in haar rechten.141) Bij dode en makinge van Reinoud ging het leen op 13 september 1634 over op zijn dochter Isabella Adriana v. Brederode en Wesenbergh.142) Na haar ging het leen over aan het huis van Cats. Dieter v. Cats was op 5 inaart 1677 de eerste die er mede werd verlijd krachtens making van zijn tante Isabella.143) Op hem volgde op 26 januari 1693 Willem Maurits v. Cats, krachtens een regeling welke getroffen was tussen hem en Willem v. Wassenaer, heer v. Sterrenburgh.144) Op hem volgde op 29 juni 1744 Jacob v. Cats, schepen van Alkmaar, die zonder mannelijk wettig oir kwam te overlijden.145) Krachtens testamentaire beschikking kwam het 21 april 1774 aan zijn neef Willem Maurits v. Cats,146) die het 25 november 1776 naliet aan zijn zoon Willem. Vermits bekomen venia aetatis deed deze op 16 oktober 1783 hulde aan de Staten.147) Hierna schijnen nog met het leen verlijd te zijn geweest ene Jacomina v. Cats c.s. en ene Cornelia Bergeon148)

Schellinkhout.

De enige aanwijzing, dat deze plaats als heerlijkheid zou zijn uitgegeven, bezitten wij in een protest van Filips v. Boergondië. Het schijnt, dat Jacoba v. Beieren Schellinkhout in leen had uitgegeven aan Jan, bastaard van Beieren. Deze maakte ook aanspraak op Wijdenes, aangezien dit kerkdorp met Schellinkhout verenigd was geweest. Hiertegen hebben de buren van Wijdenes zich verzet bij Filips, die hun bezwaren onderschreef. Hij besliste, dat beide plaatsen van elkander gescheiden zouden blijven.149) Van het leen vernemen wij verder niets meer.150)

Schagen.

Op 29 juni 1427 werd Willem, bastaard van Albrecht v. Beieren en Maria v. Bronkhorst, admiraal van Holland, kastelein van Medemblik en opperkamerling van Filips v. Boergondië om de verdiensten voor de hertogelijke zaak door deze verlijd met zijn heerlijke rechten in Schagen.. Hieronder mede te verstaan Kolhorn en de Keinze. 6 augustus d.a.v. voegde hij daaraan toe Barsingerhorn en Haringhuizen, zodat hij zich heer kon noemen van de Schagerkogge. Een en ander werd door Jacoba op 4 maart 1429 bevestigd. Blijkens deze oorkonde behoorde ook nog het visrecht in de Niedorperkogge tot het leen. Het was een onversterflijk erfleen, te verheergewaden met een paar nieuwe handschoenen en een zwaard of veertig schellingen.151)
Heer Willem en zijn echtgenote Johanna v. Hodenpeil hebben wel getracht ervan te maken wat mogelijk was. Zij bouwden uit eigen middelen in 1440 een slot, dat omgeven werd met tuinen, boomgaarden, 'n hofstede en weilanden. Dit was dus geen leengoed, maar allodiaal bezit van het huis v. Beieren v. Schagen. Verder heeft hij zijn heerlijkheid uitgebreid door bedijking van vroeger uitgedijkte gronden. 2 januari 1457 verleende Filips hem machtiging tot inpoldering van een gedeelte van de Zijpe tot een korenland. Al het land, dat binnengedijkt zou worden, werd zijn eigendom of, dat van hem, die het zou bedijken. In ieder geval werd aan heer Willem de hoge en lage rechtspraak in de nieuwe polder toegekend. Deze werd gevoegd bij het leen Schagen en zou daarmede een geheel vormen.153) De polder Burghorn was in aantocht.
Toen het werk gereed was gaf heer Willem aan zijn leenheer te kennen, dat hij hierin een leen wilde scheppen voor zijn jongste zoon. Daartoe droeg hij aan hem op de tienden, groot en smal, en 105 geersen eigen land. 22 februari 1463 aanvaardde Filips de opdracht en beleende daarmede Willem Wz. Het werd een onversteflijk erfleen, maar zou een van zijn nakomelingen zonder wettige kinderen komen te sterven, dan zou het leen weer terugkomen aan Schagen. Voor heergewade moest worden betaald een welbehangen jachthoorn. 3 mei volgde nu de mededeling aan Filips, dat Willem v. Schagen de hoge en lage heerlijkheid Burghorn wilde afscheiden van die van Schagen om het aan zijn jongste zoon Willem te geven op dezelfde voorwaarden als waarop hij het had ontvangen. Na ingewonnen advies van het leenhof ging Filips hiermede op 7 juli 1463 akkoord.153) De heerlijkheid Burghorn was geschapen.
Op 23 juni 1481 droeg Willem v. Burghorn zijn rechten, uitgezonderd de tiende, over aan zijn broer Jan, die gehuwd was met Aven Jansd, v. Berkenrode.154) Hij verleende op 25 januari 1489 stedelijke rechten aan zijn polder.155)
Wij volgen nog een ogenblik de beleningen van Burghorn, omdat deze betrekkelijk spoedig samenvallen met die van Schagen. In 1511 werd Gerrit v. Schagen, een zoon van Jan voornoemd, „bij overgifte van Jan d'oude zoon van Willem de Bastaard”, heer van Burghorn.156)
Zijn leenvolger was zijn broer Jan v. Schagen, die huwde met Catharina v. Schengen.157)
De rij van leenvolgers van Schagen is enigszins anders dan die van Burghorn. Op de stichter volgde in 1465 diens zoon Aelbrecht.158) Deze was niet biezonder fortuinlijk in zijn ondernemingen. Zijn slot werd belegerd en ingenomen in 1477 en zelf stierf hij in 1480 als gevangene in het slot van Medemblik. Aan zijn vrouw, Adriana v. Nyenrode, had hij op 31 juli 1477 „in rechte duwarie ende lijftocht” vermaakt zijn huis en burcht te Schagen met hofstede, boomgaard, enz, en 50 £ gr. V1.159) Wij lezen echter, dat zijn dochter Josse in 1480 werd verlijd met de heerlijkheid Schagen en met het allodiaal goed. Dit moet toen dus reeds uit eigen vrij goed zijn opgedragen aan de graaf van Holland en door deze weer aan de heren van Schagen in onversterflijk erfleen teruggegeven. Voor dit tweede leen moest vrouwe Josse als heergewade een rode sperwer of 10 schellingen aanbieden.160) Na voor zichzelve haar levenlang een lijftocht te hebben bedongen, droeg zij op 15 december 1535 haar lenen over aan haar reeds oude neef Jan.161) Daardoor kwamen de Schager lenen en dat van Burghorn in één hand. Na het overlijden, van heer Jan ontstond er verschil van mening over de aanspraak op de heerlijkheid. Dat komt tot uiting in de verschillende beleningsakten. 4 September 1542 wordt de zoon van Jan, Willem, beleend met hetgeen hem aanbestorven is van zijn vader.162) 9 juli 1543 wordt jonkvrouw Janna v. Schagen verlijd met wat haar aanbestorven is bij dode van Josse v. Schagen uit dezelfde heerlijkheid van Schagen.163) Er heeft blijkbaar een schikking plaats gehad, want 26 juli 1543 wordt Willem verlijd met de hoge en lage heerlijkheid Burghorn met 24 rijnse gulden uit de visserij in de Schagerkogge en 250 klinkaerts uit alle tienden, renten, goederen en visserijen in de Schager en Niedorper koggen.164) In 1550 is de verhouding weer normaal, want dan treedt Jan, de zoon van Willem en Elisabeth v. Bronckhorst, weer als volwaardig heer van Schagen op, verlijd als hij is met de drie lenen waaruit de heerlijkheid bestond.165) Van hem wordt medegedeeld, dat hij en zijn vrouw Anna v. Assendelft op 19 September 1608 uit hun eigen vrij goed het huis en slot van Schagen met hetgeen daartoe behoorde aan de Staten hebben opgedragen om daarmede verlijd te worden in onversterflijk erfleen.166) Dit komt ons enigermate zonderling voor, aangezien Jan daarmede reeds beleend was. Bijzonderheden kunnen moeilijk worden achterhaald, omdat het register Hooge Overicheit E van de leenkamer van Holland verdwenen is. Na de dood van Jan trad zijn zoon Albert in 1618 in zijn rechten.167) Op hem volgde 11 oktober 1639 zijn zoon Willem.168) Tijdens zijn bestuur geraakte het huis van Schagen zodanig in financiële moeilijkheden, dat het bezit moest worden verkocht „aan de meest biedende en de leste verhoger bij den vytganck vande barnende wasschen kaersse". Reeds in 1655 werden gedeelten verkocht, doch uiteindelijk ging het gehele complex voor ƒ 263000.- over aan George v. Cats, die hiermede op 14 februari 168 bij opdracht aan mr. Pieter van Salingre weed verlijd.169) Het moet voor het geslacht van Schagen biezonder pijnlijk geweest zijn dat het stamhuis overging in vreemde handen. Men was op dat punt nu eenmaal zeer gevoelig. Daarom zal het niet verwonderen, dat toen jonkheer van Cats op zijn beurt in de knel kwam, een telg uit het huis van Schagen de gelegenheid waarnam om het leen terug te kopen. Floris Carel v. Schagen behoefde er maar ƒ 170000.- voor neer te tellen. Hij werd er 10 mei 1676 mede verlijd uit krachte van brieven van onwillig decreet ten laste van George v. Cats uitgevaardigd.170) Deze Floris Carel was een zoon van Diederick en kleinzoon van Jan v. Schagen en Anna v. Assendelft. Diederick noemde zich vrijheer van Goudriaan, St. Hubert en Waddinxveen, heer tot Zijl, Zuiderwijk en der hofstad Spieringshoek. Hij huwde eerst met Anna v. d. Noot en later met Marie de Thiennes, gravin van Rumbeek, dochter van Thomas, vrij- en baanderheer v. Heukelum, en van Anna v. Renesse v. Elderen, zuster van de graaf van Warfusé. Floris Carel v. Beieren v. Scagen, graaf van Warfusé, huwde Jacoba Maria v. Wassenaer. Hun zoon Diederick volgde hen in 1700 op171) en nadat deze in 1706 in de slag van Ramilies was gesneuveld trad hun dochter Maria Isabella in diens rechten.172) Zij huwde met François Paul Emil, graaf van Oultremont en Han. Uit hun huwelijk werd geboren Florent Henri Emil d'Oultremont et Warfusé, die na de dood van zijn moeder op 13 april 1734 verlijd werd met de lenen van Schagen.173) Zijn leenvolger was op 24 maart 1763 zijn zoon Louis Adrien Emil174) en na diens overlijden in 1782 werd op 26 februari 1786 bij brieven van relief zijn broer Théodore nog heer van Schagen.175)
De Franse revolutie was in zicht.

1) J. Meerman, De geschiedenis van graaf Willem v. Holland Roomsch-Koning II. 168 en 183.
2) v. d. Bergh, a.w. nrs. 649, 650.
3) ARA. L. nr. 9. EL 10, f. 22, nrs. 103; nr. 11. EL. 12. f. 23
4) Typisch leenrechtelijke uitdrukking voor ons begrip ‘onsterfelijk’.
5) ARA. L. nr. 9. EL 10, f. 22 nr. 103. In 1319 ontstond verschil van gevoelen over de tienden van Warmenhuizen tussen de graaf en de heer van Egmond. v. Mieris, a.w. II, 210.
6) ARA. L. nr. 9. EL 10, f. 23, nr. 106. Zie voor de heren en graven van Egmond: A. W. E. Dek, Genealogie der heren en graven van Egmond, 's-Gravenhage 1958.
7) ARA. L. nr. 62. In Beyeren IX. f. 29.
8) ARA. L. nr. 127. Roode Register, c. Vriesl. f. 11. Hierbij kwamen dan nog de niet geringe overheidskosten, als: zegel 30 £, registermeester 30 £. clerck 8 £, camerling 8 £, deurwaarder 8 £ en portiers 6 £.
9) ARA. Holland, nr. 347, f. 314-316.
10) De faam ging: Wassenaar de oudste; Arkel de stoutste; Brederode de edelste; Egmond de rijkste.
11) ARA. L. nr. 250, f. 54. Het register Hooge Overicheit E, waarnaar wordt verwezen, is verloren gegaan.
12) ARA. L. nr. 143. Hooge Overicheit F, c. Ken. f. 1.
13) ARA. L. nr. 146. Hooge Overicheit I, c. Ken. f. 4.
14) ARA. L. nr. 150. Hooge Overicheit N, c. Ken. f. 4.
15) ARA. L. nr. 157. Hooge Overicheit S, c. Ken. f. 4.
16) ARA. L. nr. 163. Hooge Overicheit X, c. Ken. f. 5.
17) ARA. L. nr. 172. Tractaat v. Sivilie, c. Ken. f. 23.
18) ARA. L. nr. 174. Quadruple alliantie v. Dresden. c. Ken, f. 8.
19) ARA. L. nr. 179. Weilburg. c. Ken. f. 32.
20) ARA. L. nr. 191. Algemeen Welzijn. c. Ken. f. 14-15.
21) ARA. L. nr. 140. Hooge Overicheit D. f. 340.
22) ARA. L. nr. 143. Hooge Overicheit F, c. Ken. f. 41-42.
23) ARA. L. nr. 150. Hooge Overicheit N. c. Ken. f. 9.
24) ARA. L. nr. 156. Hooge Overicheit. R. c. Ken. f. 36.
25) ARA. L. nr. 163. Hooge Overicheit X, c. Ken. f. 2.
26) ARA. L. nr. 162. Conventus regis et principum. c. Ken. f. 10.
27) ARA. L. nr. 162. Conv. reg. et princ, c. Ken. f. 15.
28) ARA. L. nr. 171, Hannoversche Alliantie. c. Vriesl. f. 81.
29) ARA. L. nr. 173. Princes Royalle, c. Vr. f. 11.
30) ARA. L. nr. 176. Willem V. c. Vr. f. 64.
31) ARA. L. nr. 186. Gewapende Neutraliteit, c. Ken. f. 70.
32) Als voren f. 84.
33) ARA. L. nr. 150. Hooge Overicheit N. c. Vr. f. 19; ARA. L. nr. 250. f. 34 en 43.
34) ARA. L. nr. 62. In Beijeren IX. f. 155.
35) ARA. L. nr. 142. Treves B, c. Ken. f. 24-26.
36) ARA. L, nr. 143. Hooge Overicheit F. c. Ken. f. 37.
37) ARA. L. nr. 144. Hooge Overicheit G. c. Ken. f. 5.
38) ARA. L. nr. 150. Hooge Overicheit N. c. Ken. f. 3 en 61.
39) ARA. L. nr. 155. Hooge Overicheit Q. c. Ken. f. 14.
40) ARA. L. nr. 159. Hooge Overicheit V. c. Ken. f. 40.
41) ARA. L. nr. 161. Hooge Overicheit W, c. Ken. f. 19 en 34.
42) ARA. L. nr. 186. Gewapende Neutraliteit. c. Ken. f. 61.
43) ARA. L. nr. 38. EL 39. f. 2.
44) ARA. L. nr. 9. EL 10. f. 23. 104. ‘Also dat voors, dorpe ende goed na deszelven haren Willems doid te Gherarde, zine erfzone, comen zullen. Ghevelt oec, dat dese Gherard sturve ende haer Willem syn vader, dit voir ghenoemde goid zoude comen op desselves Gherards ouste zone, erfzone, te houden teliene ende niet te verstervene also langhe alse deszelves Gherards witteliker kinder eenick levet’.
45) v. Mieris, a.w. III 380.
46) v. d. Bergh, a.w. nr. 952. Volgens mededeling van de bij uitstek op dit gebied deskundige dr. A. C. F. Koch te Deventer dateert de oorkonde niet uit 1296, maar uit 1290. Ook is hem niet bekend, wanneer Ursem c.a. in het bezit van Voorne is gekomen. Voor zyn mededeling onze vriendelijk dank.
47) In de registers Voorne A.B. komt voor: ‘Dit sijn mijns heeren manne, hertoge Aelbrecht die hem angecomen sijn vander vrouwe van Voorne ende dier manne waren.... die buren van Ursem.’
48) ARA. L. nr. 313. Reg. Memoriale BL. f. 24.
49) ARA. L. nr. 326. Commissiones B. R. Bourgogne. f. 21, nr. 315. Mem. ducis Johannis f. 87, en v. Mieris a.w. IV 813 en 822.
50) ARA. L. nr. 326. Commissiones B. R. Bourgogne, f. 62; v. Mieris, a.w. IV 855.
51) ARA. L. nr. 62. In Beyeren IX. f. 63 en 68. v. Mieris, a:w. IV 934 en 936.
52) ARA. L. nr. 62. In Beyeren IX. f. 70; v. Mieris, a.w. 951 en 960.
53) ARA. L. nr. 112. Borsselen diversa. f. 15.
54) v. Mieris, a.w. IV 1026, 1041 en 1049 Het kan zijn nut hebben er op te wijzen, dat dit leen ‘het baljuwschap v. d. Nyeburg’ werd genoemd. Het baljuwschap werd uitgeoefend door Roeland v. VVtkerke en na hem door een door de graaf voor een bepaalde tijd aangestelde gegadigde. Het baljuwschap bestond, nadat er in 1555 Broek op Langendijk, Noord- en Zuidscharwoude aan waren toegevoegd, nog in 1750. In al deze plaatsen berustte de hoge rechtspraak dus in handen van hem, die baljuw van de Nieuweburg werd genoemd. De burcht zelf was in 1517 door de ‘Zwarte hoop’ Geldersen en Friezen met de grond gelijk gemaakt.
55) ARA. Reg. der charteren van Holland, door Suis, f. 33v.
56) ARA. L. nr. 62. In Beyeren IX. f. 110 en nr. 114. Philippus A. f. 9-20. De notitie in ARA. L. nr. 250. f. 124, dat A. v. Ghent de gerechtelijke helft van Spanbroek in Teen kreeg is niet juist.
57) ARA. L. nr. 62. In Beyeren IX f. 103 en nr. 114. Philippus A. f. 1.
58) De vasthoudendheid van de grafelijke leenkamer aan een eenmaal getroffen regeling blijkt uit een aantekening betreffende de tienden uit dit gebied, welke wij in de rekening van Adriaen Stalpart van 1528 (ARA. Rek. rekenk. dom. nr. 1156) f. vij aantreffen. ‘Die thienden v. Spanbroeck, Updam, Upmeer ende Heijnsbrouck plagen jaerlicx te gelden lx of lxx zijn gegeven heeren Arent v. Gent mit allen rechten, renten prouffijten, upconmingen ende andere vervallen totter voorsz heerlicheyt behoerende’. Dus een eeuw later wordt, ter motivering van het ontbreken van een bedrag voor tienden van Opmeer c.a. teruggegrepen op de eerste belening.
59) ARA. L. nr. 114. Philippus A. f. 19, 20, 23- 24, 84.
60) ARA. L. nr. 114. Philippus A. f. 84 en 148-150.
61) ARA. L. nr. 116. Principium c. Vriesl. f. 3.
62) ARA. L. nr. 117. Et Finis. C. Vr. f. 10. De akte dateert van 27 dec. 1466 (=1465).
63) ARA. L. nr. 118. Karolus a Burgoigne A, c. Vr. f. 3-4.
64) ARA. L. nr. 114. Philippus A. f. 149-150.
65) ARA. L. nr. 326. Commissiones Burgondiae. f. 137.
66) ARA. L. nr. 118. Karolus a Burgoigne c. Vr. f. 34; nr. 120. Max. en Phil. V. Oostenrijk c. Vr. f. 4.
67) ARA. L. Als voren. f. 31.
68) ARA. L. nr. 123. Principium regis Castilla. C. Noordh. f. 44.
69) ARA. L. nr. 125. Caroli Imperatoris Germania, c. Noordh. f. 7.
70) ARA. L. nr. 128. Confederatio Anglorum. C. Noordh. f. 8-9.
71) ARA. L. nr. 129. Pax utilis et diuturna. C. Ken. f. 14.
72) ARA. L. nr. 142. Treves B. c. Ken. f. 22.
73) ARA. L. nr. 143. Hooge Overicheyt F. c. Ken. F. 35.
74) ARA. L. nr. 152. Ruptura. C. Ken. f. 17.
75) ARA. L. nr. 152. Ruptura. f. 30.
76) S. v. Leeuwen, Batavia, Illustrata, 's-Gravenhage 1685. Op het geslacht v. Mathenes.
77) ARA. L. nr. 158. Hooge Overicheit T. c. Ken. f. 21.
78) ARA. L. nr. 161. Hooge Overicheit W. c. Ken. f. 24.
79) ARA. L. nr. 163. Hooge Overicheit X. c. Ken. f. 26.
80) ARA. L. nr. 170. Indische Vaart. c. Ken. f. 12.
81) ARA. L. nr. 178. Weilburg. c. Ken. f. 50.
82) ARA. L. nr. 180. Wolfenbuttel. c. Ken, f. 9.
83) ARA. L. nr. 190. De jonge princes v. Pruisen. c. Ken, f. 7.
84) ARA. L. nr. 120. Max en Phil v. Oostenrijk. c. Vriesl. F. 4; nr. 121. Finis M. P. Oostenrijk. c. Vr. f. 2.
85) ARA. L. nr. 135. Hooge Overicheit 1. f. 582-587.
86) ARA. L. nr. 147. Hooge Overicheit K. c. Vr. f. 9.
87) ARA. L. nr. 147. Hooge Overicheit K. c. Vr. f. 32.
88) ARA. L. nr. 151. Libertas Patria. c. Ken. f. 5.
89) ARA. L. nr. 153. Hooge Overicheit O. c. Ken. f. 23.
90) ARA. L. nr. 156. Hooge Overicheit R. c. Ken. f. 23 en Haarlem, Rijksarchief. Archief v.d. Heerlijkheid Spanbroek, nr. 305. Het testament bevindt zich in het Gemeentearchief te Haarlem. Notariële archieven nr. 297, f. 322. De begraafdata zijn ontleend aan de begraafregisters van de Westerkerk te Amsterdam in het Gemeentearchief aldaar. D. Tr. En B.-registers nrs. 1100b en 1101 op aangegeven data:
91) ARA. L. nr. 166. Hooge Overicheit Y. c. Ken. f. 13.
92) ARA. L. nr. 169. Quadruple alliantie c. Ken. f. 5.
93) ARA. L. nr. 172. Tractaat v. Sevelien. f. 13.
94) ARA. L. nr. 173. Princes Royalle. c. Ken. f. 41.
95) ARA. L. nr. 179. Weilburg. c. Vriesl. f. 80 en 94.
96) ARA. L. nr. 180. Wolfenbuttel. c. Vr. f. 23 en 28.
97) ARA. L. nr. 184. Willem VI. c. Vr. f. 16.
98) ARA. L. nr. 122. Archidux. c. Vr. f. 3. 8-9
99) ARA. L. nr. 126. Nieuwe register. c. Vr. f. 4-5.
100) ARA. L. nr. 129. Pax utilis et diuturna. c. Vr. f. 2.
101) ARA. L. nr. 135. Hooge Overicheit 1. f. 268.
102) ARA. L. nr. 144. Hooge Overicheit G. f. 16.
103) ARA. L. nr. 155. Hooge Overicheit O. c. Noordh. f. 35.
104) ARA. L. nr. 168. Hooge Overicheit Z. c. Noordhh. f. 43.
105) ARA. L. nr. 169. Quadruple alliantie. c. Noordh. f. 30.
106) ARA. L. nr. 180. Wolfenbuttel. c. Noordh. f. 112.
107) ARA. L. nr. 186. Gewapende Neutraliteit. c. Noordh., f. 9.
108) ARA. L. nr. 190. De Jonge Princes v. Pruisen. c. Noordh., f. 81.
109) ARA. L. nr. 186. Gewapende neutraliteit. c. Noordh., f. 9.
110) ARA. L. nr. 190. De Jonge Princes v. Pruisen. c. Noordh., f. 1.
111) S, v. Leeuwen, a.w. p. 690.
112) Pols, a.w. I 81, 82.
113) Gouthoven, a.w. 122. Zie over het ‘kasteel’ te Hoogwoud: F. J. C. Speets, Hoogwoud en Aartswoud in de 18e eeuw, in Westfriesland Oud en Nieuw nr. 23, p. 73.
114) ARA. L. nr. 116. Principium. c. Vr. f. 10.
115) ARA. L. nr 120. Max. en Phil, v. Oostenrijk. c. Vr. f. 7.
116) Egmondanorum; Potentissimae Hollandiae Gentis Historia et Genealogia. P. Cornelissonii Bockenbergii Goudani. Lugd. Bat. 1589. p. 158. Hoogwoudam quoque et Ertswoudam.... coëmit .... p. 159, Georgius sive Jorianus sexagesimus pontifex Ultrajectensis.... item Hoogwoudae et Ertswoudae dominus.
117) ARA. L. nr. 121. Finis M. P. Oostenrijk. c. Vr. f. 4, 5 en nr. 120. Max en Phil. c. Vr.. f 7-9.
118) ARA. L. nr. 124. Swarte ruige register. c. Vr. f. 6. Van bisschop G.v. Egmond bezitten wij een rekening van zijn rentmeester betreffende de heerlijkheid. Deze ontleden wij hier achter, om een inzicht te geven van de inkomsten, welke hij hieruit genoot.
119) ARA. L. nr. 125. Caroli Imperatoris. c. Vr. f. 7-9.
120) ARA. L. nr. 126. Nieuwe Register. c. Vr. f. 2. Filips volgde op l5 juni 1578. ARA. L. nr. 134. Nassauw. f. 226.
121) ARA. L. nr. 135. Hooge Overicheit 1. f. 589-590.
122) ARA. L. nr. 250. f. 117 en 120. Het register Hooge Overicheit E, waarnaar hier wordt verwezen is verloren gegaan.
123) Als voren.
124) ARA. L. nr. 141. Treves A. c. Ken. f. 17-20.
125) ARA. L. nr. 144. Hooge Overicheit G. c. Ken, f. 15.
126) ARA. L. nr. 148. Hooge Overicheyt L. c. Ken. f. 1.
127) Als voren.
128) ARA. L. nr. 157. Hooge Overicheyt S. c. Ken. f. 24.
129) ARA. L. nr. 161. Hooge Overicheyt W. c. Ken. f. 31.
130) ARA. L. nr. 168. Hooge Overicheyt Z. c. Ken. f. 15.
131) ARA. L. nr. 171. Hannoversche Alliantie S. c. Ken. f. 4.
132) ARA. L. nr. 173. Princes Royalle. c. Ken. f. 60.
133) ARA. L. nr. 176. Willem V. C. Ken. f. 47.
134) ARA. L. nr. 178. Weilburg c. Ken. f. 43.
135) v. Mieris, a.w. I 474 en 476.
136) ARA. L. nr. 117. Et Finis. C. Vr. f. 9-10.
137) ARA. L. nr. 121. Finis M. P. Oostenrijk, c. Vr. f. 1.
138) ARA. L. nr. 123. Principium regis Castilla. c. Vr. f. 1.
139) ARA. L. nr. 126. Nieuwe register, c. Vr. f. 1.
140) ARA. L. nr. 128. Confederatio Anglorum, c. Ken. f. 5, 6.
141) ARA. L. nr. 135. Hooge Overicheit 1. f. 275.
142) ARA. L. nr. 147. Hooge Overicheit K. c. Vr. f. 5-8.
143) ARA. L. nr. 159. Hooge Overicheit V. c, Ken. f. 3.
144) ARA. L. nr. 163. Hooge Overicheit X. c. Ken. f. 1.
145) ARA. L. nr. 173. Princes Royalle. c. Ken. f. 61.
146) ARA. L. nr. 184. Willem VI, c. Vr. f. 1.
147) Als voren, f. 34.
148) ARA. L. nr, 251. f. 283.
149) v. Mieris, a.w. IV, 985, d.d. 14 sept. 1430.
150) De Goede, a.w. 156, n.l. is niet juist, als hij hieruit besluit, dat er ook een heerlijkheid Wijdenes heeft bestaan. Dit is hem ingegeven door chauvinisme. Er bestond een heerlijkheid, Westfriesland, en van dat geheel braken de graven van Holland af en toe brokken af, welke zij toewierpen aan heren, die zich jegens hen bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt, of uit anderen hoofde. Bijv, om een bastaard aan enig inkomen te helpen.
151) ARA. L. nr. 62. In Beyeren IX. f. 66 en 171.
152) ARA. L. nr. 117. Et finis. c. Ken. f. 3-4. Het octrooi dateert van 2 maart 1456. Pols, a.w. I 105-110.
153) ARA. L. nr. 117. Et Finis. c. Vr. f. 3, 5-6.
154) ARA. L. nr. 119. Maria Maximiliaan. c. Ken. f. 7.
155) Pols, a.w. I, 111.
156) ARA. L. nr. 123.Principium regis Castilla. c. Vr. f. 4.
157) ARA. L. nr. 124. Swarte Ruige Register. c. Vr, f. 2.
158) ARA. L. nr. 117. Et Finis. c. Ken, 19-21.
159) ARA. L. nr. 119. Maria Maximiliaan. c. Vr. f. 2.
160) ARA. L. nr. 119. Maria Maximiliaan. c. Vr. f. 6.
161) ARA. L. nr. 125. Caroli Imperatoris Germania. c. Vr. L 15.
162) ARA. L. nr. 126. Nieuwe Register. c. Vr. f. 5.
163) Als voren. f. 10.
164) ARA. L. nr. 126. Nieuwe Register. c. Vr. f. 11.
165) ARA. L. nr. 127. Roode Register. c. Vr. f. 12.
166) ARA. L. nr. 251. f. 165.
167) ARA. L. nr. 142. Treves B. c. Ken. f. 9.
168) ARA. L. nr. 148. Hooge Overicheit L. c. Ken. f. 8.
169) ARA. L. nr. 153. Hooge Overicheit O. c. Ken. f. 18. R. A, Haarlem, archief v. d. heerlijkheid Schagen nr. 208. Stukken betreffende de verkoop bij executie v. d. heerlijkheid Schagen met alle aanhorigheden uit de boedel van Willem v. Scagen, gehuwd met Anna v. Mathenesse. 1651-1655.
170) ARA. L. nr. 158. Hooge Overicheit T. c. Ken. f. 20.
171) ARA. L. nr. 164. Pax Europa. c. Ken. f, 12.
172) ARA. L. nr. 166. Hooge Overicheit Y. c. Ken. f. 15.
173) ARA. L. nr. 172. Tractaat v. Sivilien. c. Ken. f. 18.
174) ARA. L. nr. 179. Weilburg. c. Ken. f. 61.
175) ARA. L. nr. 178. Amerika. c. Ken. f. 3.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.