Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » WFON » 1926 » Pagina 94-96

De eerste sporen van tuinbouw in West-Friesland

Eerder verschenen in West-Friesland's Oud en Nieuw, 1e bundel, pagina 94-96.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1926.
Auteur: C. Koeman.

Van de oergeschiedenis van Westfriesland is ons niets bekend; we weten niet, wanneer zich hier een blijvende bevolking heeft neergezet en waar deze vandaan is gekomen. Tot nu toe zijner in het geheel nog geen overblijfselen van een bevolking van voor de geschiedkundige periode (ongeveer 1300) gevonden. Waar we wel in Friesland en in de Kennemer duinen deze overblijfselen vinden, ligt het vermoeden voor de hand, dat Westfriesland niet door de Batavieren of Romeinen blijvend bevolkt is geweest.
Hoe het zij, van eenige bevolking was wel reeds sprake, toen de Hollandsche graven er op uit waren hun grondgebied te vergrooten en zich daartoe over de gevaarlijke poelen, moerassen en meren naar de Noordelijke streken begaven.
In naam was dat land wel vanaf 839 bij een leen ingedeeld, maar het was een volkomen terra incognita, een onbekende landstreek.

Het eerst kwam ermee in aaraking Dirk II in 939. Het bleef een voortdurend geschermutsel tot de totale onderwerping door Jan I, waarvan Westfriesland op 7 November 1299 zijn grondwet ontving.
De landstreek werd geheel door zee omspoeld en had slechts lage kaden, zoodat bij vloed een groot deel en bij stormvloed haast alles onderliep. Er kan dan ook voor 1300 nog geen sprake van eenige tuinbouw geweest zijn. Daarna werd de aanleg van dijken krachtig ter hand genomen. Eerst omstreeks 1450 begon men met bemaling om het overtollige binnenwater te loozen. De lagere deelen, zoo als de Langedijk, zullen dus toen ook nog niet voor tuinbouw geschikt geweest zijn; door verturving, kleidelving en zoutbranding werd de bodem hier bovendien nog vernield. Alleen op de hoogste deel en kan men slechts met wat fruitteelt begonnen zijn wegens de sterk wisselende stand van het water.

De veeteelt werd van het begin af beoefend. In de 14e eeuw begon reeds de scheepvaart op te komen, tegelijk met de handelssteden.
Er zal eerst wel voornamelijk geproduceerd zijn voor eigen behoefte; toen de grond geschikt bleek te zijn en er meer vraag naar tuinbouwproducten kwam, zal men verkocht hebben aan de stedelijke bevolking en spoedig ook, door de scheepvaart op de Zuiderzee, aan andere plaatsen, zoo als het opkomende Amsterdam.
De enkele getuigen van fruit- en groenteteelt uit de late middeleeuwen moeten wij hoofdzakelijk zoeken in de oude stadsrechten en -keuren. In het democratisch Westfriesland bestonden naast de handelssteden nog verscheidene plattelandssteden, die behalve het stadsrecht nog vele voorrechten van de graven wisten te verkrijgen. Daarbij zorgden ze zelf voor plaatselijke verordeningen.
Zoo spreken de Handvesten van Hoorn van 1416-1426, reeds van de landbouwgewassen, vlas, tarwe, rogge, garste, haver, erwten, boenen en daarbij van fruit als: van buten appelen, peren, noeten, en diergelijke; in 1534 van: peren of karsen verkopen. Onder boomgaarden worden in dat jaar genoemd: Jan Ellerts boegaert bij die oude doelen, in 1533 van: een boemgaert upte Rysdam. In 1528 is er al sprake van twee karviels, varende alle dagen tusschen Hoornen Amsterdam. In 1534-1553 wordt aangegeven de plaats voor: schuyten mit wortelen, uyen, ajuynen en warmoes.
In die van Enkhuizen is omstreeks 1500 sprake van ladicken (baggeren) op saedlant (of sayland), ook: ladicken om 't land te hoghen.
Grootebroek geeft voorschriften over: saedland, coolthuynen, laycken (baggeren) op haer saedland in Hoeckarspel. Verder moesten: 14 dagen voer Mey die eynden en oude woerden van saetlandende buyten it velt brocht wesende; ter bescherming vermoedelijk van de jonge groente.
In Nieuwe Niedorp treffen we een keur over het: scaedt doen in bomen, appelen, in Burghorn een verordening tegen het: klimmen in de bogaert, verder wordt de verbouw van wortelen genoemd.

Overal verspreid treffen we van 1400-1500 de naam saedland aan. Dit zijn waarschijnlijk graanakkers geweest; ze hadden verre de overhand op „coolthuynen en boemgaerden”.
Binnen de muren van de stad Hoorn vinden we ook boomgaarden; bij de omwalling in 1426 zijn deze buiten het centrum gelegen bedrijven eenvoudig mee binnengesloten om een afgeronde plek te krijgen en langzamerhand zijn ze door huizenbouw verdwenen.
Ook de schitterende stedekroniek van Velius-Centen geeft een en ander.
In het reglement van het in 1381 opgerichte schippersgilde kwamen bepalingen voor over de maat bij verkoop van appelen en peren.
In 1398, toen Gerrit van Heemskerk sneuvelde in de oorlog tegen de Friezen, werd zijn groote boomgaard binnen Hoorn, waarop zijn woonhuis stond, met huizen betimmerd.
Als bijzonder feit wordt vermeld, dat in 1469 tusschen Zwaag en Westerblokker, de Bangert, beplant werd door een Hoornsch burger, Jan Heesjes. Later gingen anderen uit die stad zijn voorbeeld volgen. Dit is dus het begin van het bekende fruitteeltcentrum van Westfriesland.
In gevallen van natte perioden, vorst, overstrooming en wind, is meermalen sprake van vruchthoomen, pruymen, kersen, appels, peren, wyngaerdt. Bij de verlegging van een wal in 1510 werden hierbij verscheidene kleine tuinen opgedolven. Hieruit hlijkt dus wel, dat om Hoorn heen al een opkomende tuinhouw was.
Ook bij het slot te Schagen behoorden, blijkens de archiefinventarissen, in 1480 reeds, onder meer, boomgaarden.

Waar tegen de 16e eeuw de kloosters hier sterk in opkomst waren, kunnen deze medegewerkt hebben tot verspreiding van tuinbouwgewassen. Ze kregen uitgestrekte landerijen, die ze veelal zelf bebouwden, blijkens de bekende Informacies.
Groenteteelt zal er weinig gebloeid hebben, de grond was te droog, te nat of te zout voor fijne groenten.
Opmerkelijk zijn de ter sprake gebrachte coolthuynen. Deze kwam,en voor binnen de wallen van Enkhuizen en ook bij de ruïne van het kasteel Torenburg (bij Oudorp), als de buurt Kooltuin, die beschouwd werd als de voormalige groentetuin van de sterkte. Ook in de regesten van het archief van Hoorn is in 1484 sprake van een kooltuin buiten de Oosterpoorte. Ze waren dus hlijkbaar erg verspreid.

C. Koeman.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.