Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Westflinge » 2008 » 2 juli

De vergeten hul komt uit het stof

Westflinge
De rubriek Westflinge richt de schijnwerper op het verleden van West-Friesland met een actuele aanleiding. Vandaag aandacht voor de hul als – bijna – vergeten klederdracht.
(Eerder verschenen in het Noordhollands Dagblad, woensdag 2 juli 2008.)

Door Ed Dekker

HOORN – De muts – beter bekend als de hul – werd tot in de eerste helft van de twintigste eeuw zo hier en daar in West-Friesland nog wel gedragen. Over herkomst en traditie is weinig bekend. Daarmee is de hul, gedragen door de laagste bevolkingsgroep, een achtergestelde dracht.

Het Westfries Genootschap dook in het gat dat de hul heeft achtergelaten. In het nieuwe jaarboek besteedt het genootschap uitgebreid aandacht aan de ontwikkeling van deze hoofdbedekking. Het jaarboek 2008 is een speciale uitgave. Het is de 75e editie. Een aantal artikelen in het 240 pagina's dikke jaarboek staan in het teken van 75 jaar. Voorzitter Ina Broekhuizen-Slot overhandigde afgelopen zaterdag op een feestelijke bijeenkomst in het Westfries Archief het eerste exemplaar aan Jos Bakker, voorzitter van de Archiefcommissie. Deze commissie, bestaande uit gemeentesecretarissen, voert het bestuur over het Westfries Archief.
In het archief om zich heen kijkend verzekerde Bakker dat er voldoende bronnen en informatie voorhanden zijn om nog eens 75 jaarboeken samen te stellen. Voor veel artikelen in het jaarboek is ook dit jaar onderzoek in het archief gedaan.

‘Kap en Dek’

Twee personen zijn namens ‘Kap en Dek’, een van de commissies van het Westfries Genootschap, in de geschiedenis van de hul gedoken. Zij zijn Conny Stolk-van Veen uit Benningbroek en Hans van Kampen uit Schagen.
De hoofdbedekking van de vrouw bestond zo'n achthonderd jaar geleden uit een lange, vaak afhangende doek: een hovetcleet. In de periode 1200-1500 veranderde die afhangende doek in een ingenieus gevouwen, gespelde en later genaaide doek.
Gehuwde vrouwen bedekten het hoofd met een doek. Afhankelijk van de status van de vrouw was er variatie in stof en versiering. Arme vrouwen gebruikten hennep, de wat beter bedeelde vrouw ongebleekt linnen, de rijkere vrouw wit gebleekt linnen, later zelfs zijde of katoen.

Kaproen

Vrouwen droegen over hun hovetcleet dezelfde hoeden als mannen. Hoeden, gemaakt van stro, vilt of bont.
Ook de kaproen – nadien verbasterd tot kaper = capuchon – is zo'n gemeenschappelijk hoofddeksel. Een soort kap, reikend tot over de schouders, gemaakt van wollen stof, vaak gevoerd met linnen.
Het woord hul is voor het eerst aangetroffen in een uit 1477 daterende tekst, verband houdend met hullen (omhullen, inhullen, verbergen). Een jongere betekenis van hul is bekleding of omhulsel. In West-Vlaamse dialecten wordt met hul een deksel bedoeld.
In de Nederlanden is de hoofdbedekking typerend geweest voor de verschillende streekdrachten. Kleding was nog wel eens aan mode onderhevig. De mutsdracht daarentegen volgde een eigen mode, passend bij het behoudende karakter van het platteland.

Velius

De Hoornse kroniekschrijver Theodorus Velius (1572-1630) gunt ons een blik in de ontwikkeling van de mode van de mutsdracht, die van dorp tot dorp kon verschillen. In zijn kroniek beschrijft hij, ondersteund door sepia's en zeer eenvoudige, soms naïef aandoende schilderingen, hoe men zich hier en daar in West-Friesland kleedde. Hij laat daarmee zien wat voor de lokale identiteit belangrijk was.
In een serie van 24 kostuumpaneeltjes, sinds 1998 te zien in het nationaal Kaasmuseum dat is gehuisvest in De Waag in Alkmaar, wordt deze beschrijving van Velius zichtbaar. Op deze schilderijtjes zijn vrouwen (met hoofddoek) en maagden (zonder hoofddoek) afgebeeld, afkomstig uit ondermeer Wadway, Hoogwoud, Hensbroek, Heiloo, Broek op Langedijk, Hoorn, Enkhuizen en Benningbroek. Wat uit deze serie heel duidelijk naar voren komt is dat elk dorp of stad de hoofddoek vouwde en speldde op een andere manier. Ook het model muts varieerde per streek.

Verrijking

In de steden Enkhuizen en Hoorn en in de welgestelde Beemster met zijn lusthoven werd de muts in de zeventiende eeuw verrijkt met extra geplooide randen langs de voorkant. Soms zelfs met wel twee tot drie stroken, die tegen de haargrens en tegen het gezicht aan kwamen: de bekende cornetmutsen. De invloeden uit de steden op het platteland waren vrijwel nihil.
De West-Friese ‘oorijzerdracht’, een van de rijkste drachten van Nederland, was een typisch zondagse dracht. Door de week werd de eenvoudiger hul in zijn vele variaties aan soorten tule, kant en doorstopwerk/tamboereerwerk gedragen.
Uit overlevering is bekend dat wanneer de vrouw op zondag uit de kerk thuis kwam zij haar oorijzer afdeed, opruimde en de hul opzette.
Uiteraard een zondagse, een meer bewerkte. De doordeweekse hul was eenvoudiger. En wanneer er zwaar werk moest worden verricht volstond het zwarte ondermutsje.

Vergetelheid

Tegenwoordig zien we dat de meeste West-Friese dansgroepen de kap dragen en dat de hul, een toch zo frequent gedragen muts, in de vergetelheid dreigt te geraken. In de donderdagse optocht van de Stichting Westfriese Folklore in Schagen loopt – helaas – nog slechts een enkele hullendraagster mee!

 


Hé, is dat Westfries?

721. Kalkedodders zijn kale, jonge vogeltjes, die nog maar korte tijd uit 't ei zijn.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.