Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Westflinge » 2006 » 21 juni

Met het ‘Ave Maria’ de sores vergeten

Westflinge
De rubriek Westflinge richt de schijnwerper op het verleden van West-Friesland met een actuele aanleiding. Vandaag aandacht voor een moeder uit Hem.
(Eerder verschenen in het Noordhollands Dagblad, woensdag 21 juni 2006.)

Door Ed Dekker

HEM – Het dikke familiealbum getuigt van veel gezelligheid met de kinderen en kleinkinderen. „We hebben mooie feestjes gehad met moeder, tot op hoge leeftijd.” Dochter Cili weet dat het vroeger anders was. „Soms was er weinig eten. Dan zei moeder: ‘Beter honger dan ziek’.”

Cili Groot-Appelman (76) uit Hem is een van de negen kinderen van Jan Appelman en Maria Jendraschack. Met het fotoalbum op tafel loopt Cili door het leven van moeder. Haar broer Joost heeft een uitvoerig artikel geschreven over moeder. Het verhaal is gepubliceerd in het jaarboek 2005 van historische vereniging Suyder Cogge.
‘Een moeder’ heet het verhaal over Maria Appelman-Jendraschack (1900-1993). Het artikel geeft een mooi beeld hoe een mens in soms heel moeilijke omstandigheden zich staande kan houden, terwijl allerlei ingrijpende veranderingen zich in rap tempo voltrekken.

Slag in de rondte

„Deze vrouw en haar tijdgenoten hebben menig keer in hun leven een slag in de rondte moeten maken”, schrijft Jos J. (Joost) Appelman, wonend in Beverwijk. Daarmee bedoelt hij dat zijn moeder gedurende de twintigste eeuw werd geconfronteerd met soms onwaarschijnlijk lijkende tegenstellingen en daarin steeds opnieuw haar eigen weg wist te vinden.
Wie deze woorden op zich in laat werken, leest het verhaal van ‘Een moeder’ met bewondering. Mooi is het dan om te beseffen dat Maria Appelman zichzelf bleef, ondanks alle maatschappelijke en sociale veranderingen. ‘Ze moet flexibel van geest zijn geweest’, schrijft Joost Appelman. Zijn zus Cili kan dat volmondig beamen. Maria Appelman, Duitse van geboorte, heeft zich altijd ‘een van de eerste gastarbeidsters’ genoemd. Als jonge vrouw van rond negentien jaar kwam zij naar Nederland. In haar vaderland was na de Eerste Wereldoorlog nauwelijks werk. „Bij ons was juist groot gebrek aan hulpen in de huishouding”, weet Cili.

Bovenkarspel

Hoe moeder in De Streek verzeild raakte, weten de kinderen niet. Feit is wel dat zij ruim een jaar in de huishouding heeft gewerkt bij kruidenier Lammertsma in Bovenkarspel. Later diende zij bij Van der Gulik in Westwoud, die op de hoek met het Zittend een cafeetje dreef. Daar leerde zij Jan Appelman uit Hem kennen. Zij trouwden op 27 mei 1925.
Maria Jendraschack was geboren op 28 augustus 1900 in Langendreer, een stadje in het Ruhrgebied. Zij stamt uit Poolse ouders die uit armoede hun heil in Duitsland hadden gezocht. Maria groeide op, zo schrijft Joost, in een periode van onderdrukking. ‘Een periode waarin Staat en Kerk samenspanden, onder het motto: wij houden ze wel arm, houden jullie ze maar dom’.
Haar man Jan Appelman was een geboren en getogen Hemmer, zoon van landarbeider Willem Appelman en Jantje Wind – die naailes gaf. Het pasgetrouwde stel ging wonen op Hemmerbuurt 219, het ouderlijke huis van Jan. Alle kinderen zijn daar geboren. Moeder zou er 65 jaar wonen. De sfeer in het gezin was hartelijk, beschrijft Joost. ‘Als kinderen onderling leverden we natuurlijk soms wel strijd. Het was elke ochtend een gevecht om je eigendom. Alle jassen, truien, vesten, kousen, jurken en schoenen van de negen kinderen lagen in een kast van een halve meter bij een meter’.

Schone kleren

Bittere armoede heerste in de jaren dertig. ‘Maar moeder liet het niet merken. De kinderen gingen met schone kleren naar school. Er was maar net genoeg eten. Vaak hadden we honger. Dan kregen we te horen: neem maar een wortel. Of: beter honger dan ziek. Of: er worden geen vreters geboren maar gemaakt. Wij als kinderen klaagden niet. Dat deed immers moeder ook niet. Vader en moeder leefden toen bij de gratie van de financiële ruimte die zij kregen van de bakker, slager en melkboer’.
Joost vervolgt: ‘Wij leven nu in financiële weelde en kunnen ons nauwelijks meer voorstellen wat armoe is. In de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog was het een trieste bedoening. Het is niet te geloven, maar ondanks alle sores hoor ik mijn moeder nóg het ‘Ave Maria’ zingen, staande voor een wastobbe’.
Hij noemt zijn moeder de stabiele factor. ‘Ondanks de ellende van de dagelijkse zorgen. Elke vrijdag gingen de stoelen op tafel en zette zij op haar knieën het zeil in de was. Dan mochten we op moeders rug paardje rijden. Wat moet dat onnoemelijk zwaar zijn geweest en wat moet ze enorm sterk zijn geweest. Zowel lichamelijk als geestelijk’.
En alle dagen het eerst uit bed, en het laatste erin. ‘Behalve in de winter, dan was vader er het eerst uit, om de kachel aan te maken. Niks tv, niks vakantie, wel sokken stoppen en kleren verstellen, vaak tot middernacht. En maar optimistisch blijven en het hoogste lied zingen bij het bakken van brood. En groenten inmaken en bonen lezen, om een centje bij te verdienen. Hoe houdt een mens dat vol?’ Gebruikte lucifers werden niet weggegooid. Die kon altijd nog worden aangestoken. En anders werd er mee gespeeld.
Enig lucht ontstond na de Tweede Wereldoorlog. Het ene na het andere kind verliet het huis. In 1950 vierden vader en moeder hun 25-jarig huwelijksfeest. De bruiloft kon cash worden betaald, tot verbazing van vader. ‘Moeder had het bedrag gespaard met centen en stuivers. Daar wist vader niets van. Onze moeder was een financieel expert gebleken’.
Vader mocht slechts kort genieten van zijn pensioen. Hij overleed in 1970. Dertien jaar later verloor zij een zoon. ‘Je man verliezen is erg, maar je eigen kind kwijtraken is nóg erger’, zei ze later vaak.

Als een koningin

Met ruim tachtig mensen vierde Maria Appelman haar 90e verjaardag. Zij straalde als een koningin. Op 26 januari 1993 overleed zij, op 92-jarige leeftijd. Joost Appelman noemt zijn moeder een vrouw die zichzelf bleef, ondanks alles. ‘Ze kon goed relativeren en had een aparte humor. Nooit viel ze iemand af. Als iemand over een ander begon, antwoordde ze dat je zelf ook wel wat mankeerde. Ze was niet veeleisend, was gauw ergens tevreden mee. Misschien dat ze dat bedoelde toe zij op latere leeftijd zei geen armoe te hebben gekend’.

 


Hé, is dat Westfries?

666. Toen buurvrouw hoorde, dat ze 'n prijsje had gewonnen in de staatsloterij, was ze helemaal onthikt (opgetogen, zichtbaar blij).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.