Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1955 » No. 6 » pagina 163-168

Plaatselijke benamingen in de zilveren Wieringermeerpolder, I

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 10e jaargang, 1955, No. 6, pagina 163-168.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: P. S. Teeling.

In mijn jonge jaren, en in die van de meeste lezers van dit tijdschrift, was er van een Wieringermeerpolder nog geen sprake en het toenmalige eiland Wieringen lag in zijn afgeslotenheid stil te dromen temidden van een soms roerige Zuiderzee.
Wie in die voorbije dagen vanuit ons gewest naar Wieringen wilde, moest zich een weg banen door de binnenlanden van de Zijpe tot de Oude sluis en kwam vandaar langs de Zijperboezem en door de eenzaamheid van de slingerende dijk langs het Oude Veer na twee uur lopens bij de Van Ewijcksluis, waar op gezette tijden de veerboot naar de Haukes de overtocht naar het eiland verzorgde. Dat vaarwater daar, tussen het vaste land van Noord-Holland en de kliffen van het oude Wiron, is door de inpoldering van dit deel van de voormalige Zuiderzee verdwenen, maar nog altijd herinneren de plaatselijke benamingen in de Wieringermeerpolder aan de tijden van weleer, toen het zeewater o.a. door eb- en vloedstromen hier de slikgronden tot Amsteldiep hadden uitgeschuurd, van welk diep de geulen als de Sloot, het Ulkediep en het Molendiep tot ver naar het oosten in de Zuiderzee doordrongen. Naast deze stromen waren meerdere zand- en slijkplaten te vinden, waarvan vele met eigen naam.

Namen bewaren herinnering
Op piëteitvolle wijze is in de jonge Wieringermeerpolder de binding met het verleden door de naamgeving bewaard gebleven. Het Amstelmeer herinnert ons aan het voormalig Amsteldiep en ook de drie eindgeulen van dit diep – nl. de Sloot, het Ulkediep en het Molendiep – vinden we in de nieuwe benamingen terug: Slootdorp, Slootweg, Slootvaart; Ulkesluis, Ulkeweg en Ulketocht; Molenweg. Nabij het Ulkediep en het Molendiep lag de Zandplaat de Kooltuinen, waaraan de Kooltuinenweg en de Kooltuinentocht herinneren. Noordelijk van de geul de Sloot lag vóór de inpoldering de zandplaat de Schelpenbol, waarnaar de Schelpentocht en de Schelpenbolweg zijn genoemd. Iets meer naar het zuiden lagen de wiervelden, waar wellicht Wieringen zijn naam aan dankt en die voortleven in Wierweg, Wiertocht en Het Wier (105).
Nabij Den Oever had men – uit de periode toen er nog robben en bruinvissen in de Wadden- en Zuiderzee te vinden waren – de Robbenplaat en daarnaar is Robbenoord genoemd, en het bos nabij de Leemans, het watergemaal aan het einde van de Den Oeverschevaart. Wat oostelijker trof men de omvangrijke slikgronden van De Oude Zeug, waarop in de herfst van 1927 aangevangen werd met de aanleg van een werkhaven, waar later een nederzetting werd gevestigd, de eerste in de – nog niet eens drooggemalen – Wieringermeer.
Ten noorden van Medemblik liep de geul Het Wagenpad, een plaatselijke benaming welke in de weg van die naam is bewaard gebleven. En zo ziet u, dat – het gehele Wieringermeerland dóór – in de namen van wegen en vaarten de memorie is gebleven aan de oude tijden. Maar ook de naamgeving van andere wegen, woonkernen, kanalen, gebeurde op zinvolle wijze. Zo is de Klieverweg gericht op de Klieven (Ooster- en Westerklief) in Wieringen; de Sluitgatweg eindigt nabij het punt, waar de IJselmeerdijk op 29 Juli 1929 gesloten werd; de Praamweg werd zo genoemd, omdat bezuiden deze weg, onder het zand bedolven, een wrak van een praam (vaartuig) werd gevonden. Ook andere vondsten waren aanleiding tot een typische plaatsnaamgeving. Ten zuiden van de Nieuwesluizenweg werd een haast volledig geraamte van een paard gevonden, waar naar de Paardetocht is genoemd, en de Schervenweg loopt door een gebied waarin verscheidene kuilen met scherven van aardewerk (vuilniskuilen uit vroegere eeuwen van bewoning in deze strook) zijn teruggevonden.

Doordachte naamgeving
De gehele naamgeving van dorpen, wegen en vaarten is in de Wieringermeer eigenlijk allemaal even doordacht. Tijdens het droogmalen van de polder bijv. bleef een school bruinvissen rondzwemmen op een deel van de ingedijkte zee tussen het latere Slootdorp en het tegenwoordige industrieterrein van Middenmeer. De herinnering hieraan is vastgelegd in Dolfijnweg en Dolfijntocht. Toen ik in de Meer de kadastrale opmetingen begon, deden de namen Oom Keesweg en Oom Keestocht mij aanvankelijk denken aan een of ander bekende Wieringermeerder, doch in feite memoreert deze naam de aanwezigheid aldaar in de Zuiderzee van de Oom Keesree tussen de Robbenplaat en de Oude Zeug, waar wellicht de Wieringer vissers een ligplaats hadden. En dat soms tot diep in de streekhistorie van het Noordhollandse land is teruggegrepen, bewijzen ons de namen van de woonkernen, die in eerste aanleg zouden worden gesticht in het zgn. „oude (omstreeks 1334 verlaten) land” noordelijk van Lambertschaag, nl. Nieuw-Gawijzend en Nieuw-Almersdorp. Gawijzend moet als woonvlek hebben gelegen in het verdronken land ten noorden van Aartswoud, en het voormalig dorp Almersdorp (waarvan het Almersdorperzand in de Zuiderzee nog herinnerde) lag in de Middeleeuwen ongeveer een kilometer benoorden Lambertschaag. Het waterschap de Vier Noorder Koggen, dat zulk een prachtig polderhuis te Medemblik bezit, heette in vroeger jaren het Overleker Ambacht en naar dit ambacht zijn het kanaal en de sluis genoemd, die de verbinding te water vormen tussen de Wieringermeer en het oude land bij Medemblik. En zo is bijv. de Noormantocht niet zo zeer genoemd naar de Noormannen die misschien hier nimmer hebben kunnen varen, maar naar „De Noorman”, de bocht in de oude zeedijk van de Waardpolder nabij het electrisch watergemaal van deze polder, op welke bocht de tocht gericht is.
U ziet wel, dat haast elke plaatselijke benaming in de Wieringermeer een diepere zin heeft, om het even of het nu de vastlegging is van toestanden uit de tijden van weleer danwel of het is, om het typisch eigene. Dit laatste spreekt uit bijv. de naam van de Hoekvaart, d.w.z. een vaart die inderdaad een haakse hoek maakt. De Hoge Kwelsloot en de Lage Kwelsloot ontvingen vooral in de beginjaren van de inpoldering het kwelwater, het zoute zeewater, dat voorlopig nog onder de IJselmeerdijk door de Wieringermeer binnendrong en de ontzilting tegenwerkte. De Zandtocht en de Kleitocht zijn sprekende namen en duiden ook zonder commentaar op de gesteldheid van de bodem, waardoor zij lopen.

Inpoldering en pioniers
Bij de wet van 14 Juni 1918 werd besloten tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee en na vele voorbereidende werkzaamheden werd in het begin van 1924 aangevangen met de afsluiting van het Amsteldiep tussen Wieringen en het vasteland. Op 31 Juli 1925, 's avonds om 8 uur was deze afsluiting voltooid en Wieringen geen eiland meer.
In 1927 begon „Zuiderzeewerken” aan de bouw van de dijk tussen Den Oever en Medemblik; vanuit drie punten werd deze dijk in de Zuiderzee neergelegd: vanuit de werkhaven op Wieringen, vanaf de bocht bij Medemblik en naar twee kanten vanuit de zandplaat de Oude Zeug. Op 29 Juli 1929 werd het sluitgat tussen Oude Zeug en Den Oever gedicht en was de verbinding Wieringen-Medemblik tot stand gebracht. In December van hetzelfde jaar kwam de bouw van de motorgemalen de „Lely” en de „Leemans” gereed, de afwerking van de IJselmeerdijk was voltooid en op Zaterdag 18 Januari 1930 verlieten de laatste grote baggermachines de Wieringermeer door een 14 m nauwe opening in de buurt van Lutje Kolhorn en op Dinsdag d.a.v. was door dichting van dit gat de Meer van het buitenwater afgesloten en kon met de bemaling worden begonnen.
Op 10 Februari 1930 werden de „Lely” en de „Leemans” officieel in werking gesteld en met een capaciteit van 4,5 millioen kubieke meter per dag werd het zoute water de nieuwe polder uitgeworpen.
Tachtig jaar tevoren, op 7 Juli 1848, was de „Leeghwater” begonnen met het droogmalen van de Haarlemmermeer en toen daar, na vier jaren malen, het peil van 4 m beneden Amsterdams Peil was bereikt en het gehele maaiveld drooglag, kon in de Staatscourant van 4 Augustus 1852 met een enkele zin een zeer belangrijk gebeuren worden neergeschreven: „In de afgeloopen maand July is het Haarlemmermeer door de werking der machines en de gunstige weersgesteldheid van het nog overgebleven water ontlast en alzoo drooggeworden...” Dit laatste had ook t.a. v. de Wieringermeer op 21 Augustus 1930 kunnen worden gedrukt, want op deze gedenkwaardige dag (die daarom dit jaar feestelijk zal worden herdacht) werd het peil van 5 m min N.A.P. bereikt en lag het gehele maaiveld van de polder droog. Meer dan 600000000 m³ water waren in ruim een half jaar naar de Zuiderzee overgepompt en nu kon met de werkzaamheden van bebouwing en voor bewoning worden begonnen. Die bewoning kwam al zeer spoedig. Was op 21 Augustus 1930 de Meer drooggevallen, op 1 December werd reeds het eerste poststation te Sluis I (Slootdorp) geopend voor de „losse” bevolking. In Augustus 1931 werden, nadat 16 Juni de eerste landbouwschuur was gereedgekomen, de eerste 55 huizen van Slootdorp aanbesteed, waarvan er op 5 September d.a.v. 10 werden betrokken. Vóór het einde van dat jaar lagen in Middenmeer de fundamenten van 102 huizen klaar en telde de bevolking van de polder 69 personen, een bevolking welke vier maanden later alweer tot 136 was aangegroeid. Deze kleine dorpsgemeenschap beleefde haar eerste feestdag, toen dr. H. Colijn op 2 April 1932 de eerste steen legde van de Gereformeerde Kerk te Slootdorp, Colijn aan wiens doorzetten de Zuiderzee-inpoldering zo veel te danken heeft gehad.
Op 25 Mei stelde prinses Juliana te Slootdorp het waterleidingnet in werking en onthulde zij aan de Hervormde Kerk aldaar een gedenksteen.
Waar blijft de tijd? Op 1 Mei 1932 vestigde zich de eerste geneesheer vanuit Kornwernderzand te Slootdorp, nl. dokter A. P. Hoogkamer, die in 1934 naar Middenmeer verhuisde en dus bijna geheel de vijfentwintig jaren met de Wieringermeerbevolking lief en leed heeft gedeeld. Maar bij zijn komst in de polder was alles nog in driftige ontwikkeling. Begin 1933 telde Slootdorp al 103 huizen, 3 kerken, 1 school en 7 winkels, en in Middenmeer vond men 102 huizen, terwijl daar 1 kerk, 1 school en 5 winkels in aanbouw waren.
Aanvankelijk lag het in de bedoeling het hoofddorp Wieringerwerf rond de tijdens de bedijking in de zee opgeworpen Terp te stichten, waarbij de kerken en andere openbare gebouwen een plaats op de terp zouden krijgen. De uitkomsten echter van een nauwgezet bodemonderzoek na de droogmaking wezen uit, dat ter plaatse de slappe ondergrond een kostbare fundering der op te richten gebouwen noodzakelijk zou maken, waarom besloten werd, het derde dorp meer noordelijk te stichten. Hetwelk dan ook in begin 1935 een aanvang nam.
Intussen was langzaam aan de uitgifte van boerderijen sinds de tweede helft van 1934 op gang gekomen. In 1935 waren 113 bedrijven in pacht uitgegeven en dit aantal was in 1938 opgelopen tot 267 boerderijen. Ook in de jaren van het begin van de tweede wereldoorlog vond die uitgifte van boerderijen voortgang. In die periode kwamen ook de pioniers aan hun trek en werden ruim 50 bedrijfjes toegewezen aan de mensen, die aan de incultuurbrenging van de polder hadden meegewerkt, terwijl in diezelfde tijd 35 tuindersbedrijven werden uitgegeven aan de gegadigden uit de noodlijdende Noordhollandse tuinbouwstreken. Op het einde van 1942 kregen de laatstgebouwde boerderijen van de Wieringermeerpolder hun bewoner en was de incultuurbrenging van het nieuwe Zuiderzeeland voltooid. Maar toen hadden zich uiteraard al de drie woonkernen geconsolideerd, de aanleg van de 400 ha Robbenoordbos en van de drie dorpsbosjes bij elk der dorpen was reeds klaar en de meeste boerderijen waren al in een krans van loofhout en bloementuinen gevangen.

P. S. Teeling

 


Bestvat

De bijdrage van mevr. A. C. ter Horst-Hoekstra, „Bestvat”, in De Speelwagen 1955 no. 3, heeft veel goeds, tekent de sfeer wel aardig; heeft ook tekorten. Elke deskundige zal dit beamen. Het heeft geen zin ze hier aan te geven. Het lied „Voor de traliën” zonder ik uit. Het luidt:

Voor de traliën van 'n venster
Aan 'n zware kloostermuur
Zat een jonge1ing te wenen
In het stil en nachtelijk uur.
En hij zeide; „Mijn lieve beminde
Waarom scheiddet oij toch van mij.
Kom, verlaat dit treurig klooster
en kom zuster aan mijn zij.„
Maar de stem van een maagdelijk wezen
klonk door de traliën uit.
't Was 'n stem verstikt van tranen.
„Nooit, nooit, noo-ho-ooit, } bis
Wordt Laura, Laura uwe bruid }bis

Het komt natuurlijk het meest aan op de aangrijpende wijs, die ik hier helaas, niet kan aangeven.

J. Brander

 


Hé, is dat Westfries?

405. Ik ben bij m'n zus op de zuikerstikken geweest (op kraamvisite).
Stik (boterham). Stik-eten (brood-eten).
Stikkebordje (boterhambordje).
Stikkebuul (broodzak).
Hij blijft op stikken (hij blijft over, met brood). Gastestikken (extra lekkere boterhammen als voor gasten).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.