Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Westfriese boeken te koop

    Zoeken:

Bibliotheek » De Speelwagen » 1954 » No. 4 » pagina 130-136

Een kort bezoek aan Alkmaar in proza en poëzie

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 9e jaargang, 1954, No. 4, pagina 130-136.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Huib Fenijn.

Ik hou van mijn stad met haar oude waagtoren,
Haar bruggen en grachten en mooie stadhuis.
Waar 't klokkenspel vrolijk zijn wijsjes laat horen
Hoog boven de huizen en 't stadse gedruis.
Ik hou van de Singels, het bolwerk, de molen,
Ik hou van de straatjes zo proper en rein,
Waar huisjes angstvallig zich houden verscholen,
Als voelen zij zich voor deez' tijd veel te klein.

Wanneer ge, waarde lezer, op uw gemak gesteld zijt, en ge hebt de lust daartoe, dan kunt ge u t.z.t. door een een feesttreintje door de versierde en verlichte straten laten trekken, al of niet voorzien van een feestneus.

Maar wij willen de zevenhonderd-jarige op een andere wijze gaan bezien. Nee, we arriveren niet per „Kaasexpresse”, die tijdens het zomerseizoen elke Vrijdag als een reuzenreptiel de overkapping van het station komt binnenschuiven om uit tientallen deuren een stroom van bezoekers uit te braken, die in een Babylonische spraakverwarring zich door de tunnel naar buiten perst. Wij doen het op een andere manier. Wij spannen onze trouwe viervoeter voor de speelwagen en rijden recht toe recht aan naar Akersloot.
„Maar we zouden toch de feeststad bezoeken?” hoor ik u tegenwerpen. Geduld, waarde reisgenoten, daar kómen wij ook.

In Akersloot houden we halt voor het café van IJff, waarvan de eigenaar tevens walbaas van de Alkmaar Packet is. Zie, daar komt de boot reeds over de Alkmaardermeer aan, een lange sliert rook achter zich latende. Kapitein Koreman stuurt de boot aan wal en de reisgenoten begeven zich aan boord. Als de boot de vaargeul weer heeft opgezocht, verschijnt conducteur Mannes met de koperen doos met kaartjes. Op het dek staat een handwagen met een bruin zeil er over, die is van bode Mijlhof, die een bodedienst op Amsterdam onderhoudt, evenals bode Machielsen, die een paar grote fluwelen zakken vol met goederen bij zich heeft. Om de lange vaartijd van drie uur te bekorten zijn de heren met nog enige passagiers bezig in de kajuit een kaartje te leggen.

Inmiddels is de boot de reiniging gepasseerd en bij de Omval zwaait zij de hoek om, waar wij plotseling de contouren van Alkmaar voor ons zien opdoemen. We varen voorbij de kalkovens en het zwembad waar badmeester Van Diepen zijn hand opsteekt en vrolijk zwaait. Nu liggen de Bierkade en de Accijnstoren in alle schoonheid voor ons. Hoog boven de huizen uit zien wij de torens van de Waag, de St. Laurentiuskerk, de Kapelkerk en de Grote Kerk. Zó moet Alkmaar er ook reeds honderden jaren geleden uitgezien hebben. Beurtvaarders zijn bezig hun schuiten te lossen en bij de steiger van de Alkmaar Packet staan familieleden, die hun verwanten verwelkomen.

Beelden uit mijn kinderjaren,
Toen ik „heel” uit Amsterdam,
Met de slanke witte stoomboot
Weer de kaasstad binnenkwam.
Nu gaat alles met meer snelheid,
Want de tijd is eenmaal vlug,
Maar toch denk ik vaak met weemoed
Aan die oude tijd terug.

Als wij de Turfmarkt passeren, waar uit tjalken blauwe rook omhoog kringelt, zien wij aan de overkant mannen bezig een schuit met zeezout te lossen voor de zoutziederij van Bosman.
Langs het Verdronkenoord gaande passeren wij de Kromme Elboogsteeg en het Katholieke Weeshuis. Voor de ramen van de Piusstichting zitten ouden van dagen te breien en steken vriendelijk hun hand op.
In de Kraanbuurt, voor het „Langedijker Welvaren” van Joh. v. d. Molen liggen smalle puntbootjes met kool, wortelen en andere groenten, die op de Platte Stenenbrug worden geveild. Achter een hoge lessenaar staat de veilingmeester met een houten hamer in zijn hand. Tegen de brug aan ligt een schuit aardappelen te lossen voor de groothandel van Al, naast het „Wapen van Munster”.

Tegen het pothuis van het café van Janssen staat Overpelt bloemen in zijn mand te schikken. In de Hekelstraat hebben de winkeliers hun waren op de stoepen uitgestald. Rieten manden en stoelen bij De Boer, rollen keper en katoen bij Brüning en glas en aardewerk bij Casper Himmelreich. Voor de deur van zijn banketbakkerswinkel maakt Van Oostrom een praatje met buurman Hildering. De buren hebben die Van Oostrom eens een mooie poets gebakken. Hij, de bakker dus, was in het bezit van een paar mooie honden, die zijn trots en glorie waren. Op een keer werd hij opgebeld door commissaris van Griethuijsen met het verzoek, of de bakker eens met zijn honden wilde komen, omdat het hoofd van de politie daar veel interesse voor had. Direct werden de honden in bad gestopt en gekamd en na een poosje zag men de taartartist met zijn honden op weg gaan naar het herenhuis aan de Kennemerstraatweg. Maar wat keek hij vreemd op, toen hem ten huize van de commissaris werd medegedeeld, dat hij helemaal geen honden had besteld. Minder trots dan toen hij heenging keerde Van Oostrom huiswaarts, geen aandacht bestedend aan de buren, die achter de ramen stonden te proesten van het lachen.

Het Zevenhuizen met op de achtergrond het Hofje Palinc en Van Foreest en de Geesterpoort.
Het Zevenhuizen met op de achtergrond het Hofje Palinc en Van Foreest en de Geesterpoort.
Tekening door J. Rijtel, 1885, naar Corn. Pronk, 1e helft 18de eeuw.
Prentverzameling der gemeente Alkmaar. Foto „Flandria”.

Inmiddels hebben de reisgenoten trek gekregen en kopen bij Brands, op de hoek van de Hekelstraat en het Fnidsen een onsje worst. Bij Balder worden nog enige sigaren van acht voor een dubbeltje gehaald en zo, met de brand er in, wordt de tocht voortgezet. Voor de „Gouden Lelie” kijken we even naar de fijn gesmede zilveren kaasdragertjes, die daar te pronk staan.

Op de hoek Fnidsen-Appelsteeg is de grutterij van Jan de Wit, die bekend is om zijn Alkmaarse mosterd. Rondom de wanden staan de gortbakken en op de vloer ziet men geglazuurde grote stenen kannen met mosterd staan, die door de vrachtrijders worden opgehaald voor de naburige dorpen. Naar men mij heeft verteld kon men bij De Wit voor één cent mosterd halen, doch toen de heer De Wit wethouder werd kon men niet beneden de drie cent kopen. Of het waar is weet ikniet, maar wel tekent het de humor, die de Alkmaarders ook in die tijd bezaten.

De geur van versgebrande koffie doet ons stilhouden voor de koffiebranderij van Koom en wie zijn baard kwijt wil kan bij Wijmer terecht, die een praatje staat te maken met Siemon Pijpedop, die een keur van alle mogelijke soorten pijpen in de etalage heeft liggen en hangen.

Onvergetelijk oud straatje,
dromend aan de stille gracht,
Jij bent net een heel oud plaatje
Met je mooie gevelpracht.
Wat een geld is hier verhandeld
Door de goede boerenstand,
Die per sjees naar Alkmaar toe kwam
Uit het wijde polderland.

Bij de sigarenwinkel van Paleari, waar een grote tabakskrul als uithangteken aan de gevel is bevestigd, slaan we de hoek om en zien we de Batavier I in de Mient liggen. Door een smalle houten goot rollen honderden kazen, die met tientallen berries tegelijk worden aangevoerd onder luid geroep der kaasdragers. Bakker Swier is voor de ramen, die op het Waagplein uitzien, bezig aan een groot stuk koekdeeg. Wie panlatten lust kan ze ook naast Swier bij bakker Schoorl kopen.

Aan deze zijde van de Mient passeren we o.a. ook de sigarenwinkel van Broers, de manufacturenzaak van Wienker en de goudsmidswinkel van Levert. Wie zijn geld goed wil bewaren kan aan de overzijde bij Willem van Vuure terecht. Vlak daar naast is de winkel van Sidonius de Jong. Heeft u er al op gelet, dat de leeuwen, die boven op de gevel prijken op hun kop staan? Weet ge hoe dat komt? Een architect had ze met hun klauwen op de Burgt, het Alkmaarse wapen, gezet, maar toen kwam er protest van het gemeentebestuur dat dat niet werd toegestaan, omdat het het Alkmaarse wapen was. Toen moet de architect gezegd hebben: „Als ze er dan niet in mogen bijten, dan zullen ze er op sch ...” Maar ook hier durf ik niet voor de waarheid in te staan.

Op het pothuisje voor de apotheek van Molenaar, nu Hartong van Ark, zitten een paar jongens hun vacantieplannen uit te broeden. Uit de geopende wnkeldeur van Benjamin Kuiper dringt de scherpe geur van pilo en andere stoffen naar buiten. Bij Moeskops staan schoenen volgens de laatste mode in de etalage te glanzen, hoge rijgbottines en knoopschoenen. Van verre hoort men slager Van der Oord het vlees afhouwen in de schaduw van de grote luifel, die het huis in de Huigbrouwerstraat siert. Plotseling wordt ons oor getroffen door de vrolijke klanken van het orgel van Bram de Wilde. Zijn dochter draait aan het grote wiel en Bram, met de kruk onder zijn ene oksel, gaat met het centenbakje rond. Hij staat precies bij de meelwinkel van Lissone voor de deur, op de hoek van de Ridderstraat, waar op de andere hoek de sigarenwinkel van Krijns is. Bij Meijroos, ook op de Laat, liggen de kievitseieren voor de ramen en bij Cloeck in de winkel bestijgen we de ijzeren draaitrap, die ons naar de bovenverdieping voert. In het Paijglop is de opticienswinkel van Sciaronie, die met zijn blauwe horren onze aandacht trekt. Bij bakker Reitsma liggen allerhande soorten luxe broden voor de ramen, masteleins, duitsjes, strengelbroodjes enz. Op de hoek van de Langestraat, waar thans Brügeman is gevestigd, kan men bij Willem Hollenberg keuze maken uit diverse soorten geweren en revolvers. Als we een van onze kleine reisgenootjes even naar Teljer de apotheker om een boodschap sturen, komt hij sabbelend op een grote koninginne-drop de deur weer uit.

De Langestraat met de Paardetram, 1902.
De Langestraat met de Paardetram, 1902.
Prentverzameling gemeente Alkmaar.

Door de Achterstraat slaan we bij Ansing en Mesman, de drogist, de hoek om, om bij Govers een half ons Varinas in te slaan. Met zijn grijze baard en zwarte petje schijnt hij bij deze zaak precies te passen. Voor een hartige beet stappen we bij slagers Kühn binnen, twee broers, met hoge zwarte petjes op. Zij zijn juist bezig saucijsjes te maken en men moet al heel goed kijken om te weten wat nu de saucijsjes en wat hun vingers zijn.

Op de stoep van „De Tijdgeest” staat Bram Engelander en nodigt u vriendelijk uit zijn nieuwe collectie manufacturen te komen bezichtigen.
Maar we kunnen ons overal niet te lang ophouden en daarom begeven wij ons naar het einde van de Langestraat waar voor de schrijfbehoeftenwinkel van Lorjé de paardentram staat te wachten. Eilander, de koetsier heeft reeds een paar maal de bel, die tevens als remslinger fungeert, laten klingelen en even later rijden we langs de hoge herenhuizen. Over de kinderhoofdjes boldert een paardewagen en een visventer laat luid zijn „Levendige bot!!!” tegen de huizen schallen. Bij hotel De Burg, recht tegenover de Pastoorsteeg houdt de tram stil. Er stapt een reiziger op, die zijn koffers met Piet Kleijmeer, de kruier, vooraf naar het station heeft laten brengen. De rem wordt losgedraaid en verder sjokt het paard zijn trage gang naar het station. Vóór de huizen, op de hardstenen stoepen, zit de jeugd te schommelen op de ijzeren kettingen, die tussen gebeeldhouwde stenen palen zijn bevestigd. Plotseling verschijnt Pietje Vellinga, de „stille” en meteen zet de jeugd het op een lopen en rent bij Groebe, de blikslager, de Krebbesteeg in. Op de Nieuwesloot komen zij mijnheer Van Foreest tegen. „Dag meneer van Foreest”, zeggen zij vriendelijk en lichten hun petje, welke groet beantwoord wordt met een reepje chocolade of een paar snoepjes.

Inmiddels is de tram bij de Grote Kerk gekomen. Tegen het tuinhek van De Lange staat een stapel bruine tonnen opgetast. Hier blijft de tram even wachten op de andere tram, die van de Vierstaten komt, waar de reizigers moeten overstappen in onze tram. Van die gelegenheid maken een paar kinderen gebruik even naar Ootje Zwan te hollen om een cent van het blad uit te zoeken. Zwan zelf is met bloederige handen bezig een kip te plukken. De tram rijdt reeds als ze aan komen rennen, maar dat weerhoudt hen niet het voertuig in te halen en met een sprong belanden zij op het achterbalkon. Op het Scharloo, nog een smalle straat, staan de koetsjes van de gebroeders Hoed gereed om een paartje naar het Stadhuis te brengen, waar mijnheer De Braal het huwelijk zal voltrekken, nadat bode Bolderink de portieren heeft geopend. Links op het Scharloo zien wij twee banketbakkerswinkels naast elkaar, de „Zoete Inval” en de „Spoorklok”. In deze laatste is, meen ik, de bekende goochelaar en kindervriend Cakie geboren. Als wij het steegje daarnaast inslaan komen wij bij het geboortehuis van André Carrell. Toen hij daar zijn kwajongensstreken uithaalde, heeft hij zeker niet kunnen dromen, dat hij nog eens op Paleis Soestdijk zijn Alkmaarse humor voor het voetlicht zou brengen.

Gierend rijdt de tramwagen de hoek om en wordt met moeite door het paard bij de steile kluft opgetrokken. Voor het station staat het Berger trammetje te puffen en daar is de paardentram aan het eindpunt gekomen.
We stappen uit en nemen afscheid van Alkmaar waaraan wij een kort bezoek mochten brengen. Hadden we tijd over gehad, we zouden nog een bezoek aan de botermarkt en de graanmarkt hebben gebracht, waar Wolzak druk bezig is de monsters te koken. Ook zouden we nog even opgestoken hebben in het Paardshoofd op de Dijk, waar het vol staat met tent- en bakwagens, tilbury's en glazen koetsjes. Van daar hadden we met de diligence naar de omliggende dorpen kunnen rijden, maar onze tijd is om en wie er lust toe heeft kan op eigen gelegenheid verder door onze stad dwalen.

Prettig is het rond te dwalen
Door die goeie, oude tijd,
Waar de straatjes en de grachten
Rustig liggen neergevleid.
Waar geen auto's jachtend jagen,
Waar geen claxons loeien, klagen,
Waar de paardentram nog rijdt.
Maar ... het is verleden tijd!

Als ik in de vroege morgen
Door de stille straten dwaal
En die oude, oude beelden
Weer voor mijn gedachten haal,
Dan gaan de herinneringen
In mijn binnenste aan 't zingen,
En, wat mij dan 't meeste spijt?
Dat het is, verleden tijd!

Alkmaar, waar ik ben geboren,
Waar ik kende vreugd en smart,
Wàt er komt of gaat verloren,
'k Hou van jou met heel mijn hart!

Huib Fenijn

 

De Speelwagen 1954, No. 4, pagina 136

 


Hé, is dat Westfries?

352. Buurman was juist bij ons met koppiestoid (de tijd van gezamenlijk koffie of thee drinken in 't gezin te ± 10 uur en 15 uur).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.