Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1951 » No. 7 » pagina 203-212

Nieuwe bouwstoffen voor de geschiedenis van de Noord-Hollandse boerderij

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 6e jaargang, 1951, No. 7, pagina 203-212.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: R. C. Hekker.

Toen wij in 1944 een werkje publiceerden over „De Noord-Hollandse Stolphoeve” (Torenlaan, Assen), waren wij door de destijds beperkte reisgelegenheid niet in staat het onderzoek zo ver uit te breiden als wij wel wensten. Na de bevrijding hebben wij een groot aantal nieuwe gegevens verzameld, die weliswaar geen wijziging brengen in de reeds beschreven ontwikkelingsgeschiedenis, maar talloze details verduidelijken of aanvullen.

Het mag nu bekend worden verondersteld, dat de oudste boerderijvorm in Noord-Holland (het Gooi en Weesperkarspel rekenen wij cultureel natuurlijk niet tot deze provincie) in principe gelijk was aan die in Friesland en bestond uit een laag langwerpig gebouwtje met woongedeelte en dubbelrijige koestal en een afzonderlijke hooiopslag op het erf. Schreven wij in '44, dat het laatste voorbeeld van dit type — een houten hoeve te Den Ilp met als toevoeging in 't laatste vak de hooiberging — in 1922 gesloopt was; in '45 „ontdekten” wij nog een tweetal exemplaren in de Gemeente... Amsterdam, te Schellingwoude.

1. Oud-Fries bedrijfje te Schellingwoude (Schellingerdijk 305) met hooiluik boven de staldeur.

1. Oud-Fries bedrijfje te Schellingwoude (Schellingerdijk 305)
met hooiluik boven de staldeur.

Het primitiefste huis is Schellingerdijk 305. Het gebouwtje, dat anderhalve eeuw oud kan zijn, is geheel van hout opgetrokken, de delen zijn donkergroen geverfd en de kozijnen met raamhout wit; het zadeldak is belegd met rode oud-Hollandse pannen. De huisdeur in de zijgevel geeft toegang tot de keuken, die tevens voor ander huishoudelijk werk diende, en die met de woonkamer (waarin dubbele bedsteden) en de zolder in verbinding staat. In de stal staan de koeien aan weerszijden van de middengang op Friese wijze in boxen voor twee opgesteld met de kop naar de buitenwand. Op de stalbodem vervangen klinkers de eertijds gebruikelijke zodenbedekking, maar langs de groep heeft het stalhout, waarop de dieren met de achterpoten staan, nog niet plaats gemaakt voor de latere rollaag. De houten voergoot is daarentegen weer een jongere toevoeging, evenals de hooizolder. Oorspronkelijk was deze niet aanwezig en werd de hooioogst in een open schelf op het erf getast. Daar deze wijze van berging weinig practisch was, richtte men bij dit type in de loop van de zestiende eeuw achter de stal onder hetzelfde dak een afzonderlijk hooivak in, dat bij de uitbreiding van het bedrijf tot een hoger element uitgroeide en tenslotte geheel werd losgemaakt van de boerderij. Nadat men ook de vierde zijde met planken beschoten had, was de typisch Noordhollandse „kaakberg” ontstaan.

2. Plattegrond Schellingerdijk 305.

2. Plattegrond Schellingerdijk 305.

In dit stadium verkeerde het thans tot smederij verbouwde boerderijtje Schellingerdijk 251. Het woonhuis is van steen en hoger dan de stal, terwijl men de beide vertrekken niet achter maar naast elkaar heeft geplaatst. Het nu gewijzigde bedrijfsgedeelte bevatte naast de (ook bij het vorige voorbeeld aanwezige) pomphoek wederom een dubbelrijige Friese stal, maar de balken rusten hier op muurplaten in plaats van op vrij in de ruimte staande stijlen en de dwarsschotten waren tegen afzonderlijke koestijlen bevestigd.

Naast het hoofdgebouw staat de tot drievaksschuur uitgegroeide beschoten berg, die men, om gemakkelijker te kunnen voeren, door middel van een luchtbrug met de koehuiszolder had verbonden. Helaas is dit merkwaardige onderdeel verdwenen, toen men in 1943 de schuur verlaagde. Het was een laatste herinnering aan het op het einde van de zestiende eeuw opgekomen verlangen om stal en hooitas te verenigen. Toen schoof men — naar op oude kaarten is te zien — de berg eerst tegen het koehuis aan en later zover er in, dat de dakvoet van de eerste samenviel met de nok van het laatste en de berg dus ook de helft van de stal innam, waardoor natuurlijk één rij koeien moest verdwijnen. Deze verkregen nu een plaats aan de andere kant van de tas, terwijl men aan de derde zijde een wagenberging aanbracht. De woning werd nog niet onder het hoge stolpdak opgenomen, maar bleef als vooreind aangebouwd.

3. Zuidgevel van Schellingerdijk 251 te Schellingwoude.

3. Zuidgevel van Schellingerdijk 251 te Schellingwoude.

Dit type, dat we in bovengenoemd werkje uitvoeriger beschreven, is op het vasteland bijna overal verdreven door de latere stolp, waarbij ook het woongedeelte onder het pyramidale dak werd opgenomen. Uit archivalia en oude prenten is ons thans gebleken, dat de hoeve met vooreind vroeger voorkwam in een gebied, dat groter is dan dat van de huidige stolp.

Blijkens een tekening van het dorp West-Vlieland, dat op het einde van de zeventiende eeuw door stormvloeden werd verwoest, kende Vlieland eveneens het ook op Texel gebruikelijke type met de bedrijfsruimten aan drie zijden van het centrale hooivak onder de hoge kap en het lagere uitgebouwde woonhuis. Tegenwoordig bezit dit eiland slechts een moderne Friese hoeve. Het boerenbedrijf is hier ook vroeger nagenoeg niet beoefend; omstreeks 1850 bestond de gehele veestapel slechts uit een veertigtal koeien en kalveren, evenveel geiten, twaalf paarden en acht schapen, en zelfs deze werden „ongans” door 't slechte gras.1

4. Hoeve met vooreind (waarnaast Zuidhollandse hooiberg) aan het Nieuwe Diep onder Diemen. 4. Hoeve met vooreind (waarnaast Zuidhollandse hooiberg) aan het Nieuwe Diep onder Diemen. Tekening van de landmeter Maurits Walraven anno 1703 in het kaartboek van het Leprooshuis. Gem. Arch. A'dam.

Ook de voormalige Zuidgrens van het vooreindtype kan verlegd worden; tot om Amstelland. Een kaart van voor 1631 laat een dergelijke hoeve „ten Westen van de Heemsteer duinen” zien2, een achttiende-eeuwse gravure van Osdorp (tussen Halfweg en Sloten) dezelfde vorm; zelfs het kistgat met openstaand luik, als ventilatieopening in het rieten dak boven de hooitas, is aangegeven. Het Haarlemmermeer bleef de grens vormen tot de Uiterweg in Aalsmeer, waarop wij later terugkomen. Vervolgens boog hij terug naar Amstelveen3 om via Ouderkerk4 de Bullewijk en Waver te volgen tot Stokkelaarsbrug5.

Hoewel wij in het Rijksmuseum op een laat 17e-eeuws schilderij van Jacobus Storck, voorstellende kasteel Nijenrode onder Breukelen, een stolpdak zagen, zal dit, indien de afbeelding juist was, wel een hoge uitzondering zijn geweest in dit gebied. De Zuidgrens ging n.l. van Abcoude langs 't Gein6 en de Gaasp naar Diemen, blijkens verschillende tekeningen van Rembrandt7. Tegenwoordig komen ten Zuiden van de weg Haarlem-Amsterdam nagenoeg geen oude Noordhollandse boerderijen meer voor. Trouwens volgens de landmeterskaarten was de Zuidhollandse hofstede met kapberg omstreeks 1600 reeds rijkelijk vertegenwoordigd in deze streek.

De enige nog bestaande voorbeelden van het vooreindtype ten Zuiden van het IJ liggen geïsoleerd in een Zuidhollands boerderijgebied aan de Uiterweg te Aalsmeer op een smalle landtong tussen de Ringvaart en de Westeinder Plas. Zij werden het eerst beschreven in het gedenkboek van de Aalsmeerse veiling8 (waarop dhr A. Bicker Caarten ons opmerkzaam maakte) en vervolgens terloops vermeld door T. Koot,9 die zijn wijsheid kennelijk aan dit werk ontleende. De heer J. C. Lunenburg te Leimuiden verstrekte ons veel aanvullende gegevens.

Zoals overal heeft de bodemgesteldheid ook hier invloed uitgeoefend op het boerderijtype. Hoewel men kort na 1635 het gehele Westeinde van Aalsmeer omkaad had, verzochten de ingezetenen reeds 25 jaar later aan het Hoogheemraadschap de molen en de paalwerken te mogen verkopen, daar het onmogelijk bleek de kade langs het Haarlemmermeer in stand te houden. Ieder jaar spoelden grote stukken land weg en tal van huizen moesten worden afgebroken. De bedrijven waren klein en vrij primitief, al het vervoer geschiedde per boot, de praam voor 't vee, de bok voor de oogst en de wit- en blauwgeverfde schuit (met puntige voor- en achtersteven) voor de melk. Het moerassige veenland was nauwelijks geschikt voor weidegrond, maar toch poogde men eveneens wat rogge te verbouwen op de baggerwallen langs de sloten, de z.g. roggekanten, een systeem, dat hier al in de middeleeuwen voorkwam blijkens een enquête in 149410.

Toen naburige plassen ingepolderd werden en verschillende Aalsmeerse boeren landerijen verkregen in deze droogmakerijen, vervingen zij hun onpractisch geworden Noordhollandse hoeven door moderner gebouwen, terwijl veel bedrijven tevens plaats maakten voor de in het midden van de zeventiende eeuw opgekomen kwekerij. Aldus waren omstreeks 1900 nog slechts een twintigtal hoeven met vooreind of zoals men hier zegt „hooihuizen” over. Daarna ging het snel bergafwaarts; in 1917 verbrandden er drie tegelijk, waaronder de fraaiste, en thans zijn er nog drie over, n.l. Uiterweg 100, 174 en 288. Het eerste en het laatst genoemde exemplaar zijn op de voorgevel na nog van hout, maar inwendig gewijzigd en buiten bedrijf. No 174 is grotendeels van steen en weliswaar nog in bedrijf, maar de Friese stal is vervangen door een Hollandse.

5. Pentekening van een in 1917 verbrand „hooihuis” aan de Uiterweg te Aalsmeer.

5. Pentekening van een in 1917 verbrand „hooihuis”
aan de Uiterweg te Aalsmeer, bew. door J. C. Lunenburg
naar J. F. Berghoef.

Van het gaafste voorbeeld, dat helaas verbrand is, gaat hierbij de plattegrond. De voorgevel van de uitgebouwde woning was van het Noordhollands type, dat nog tot in Vinkeveen gevonden wordt, met een „dooddeur” en de ramen van veurhuis en melkkelder onder het groengeverfde houten voorschot, die voorzien is van witte windveren en een makelaar. Het voorhuis gaf toegang tot het naastgelegen schrijfkamertje en de achtergelegen woonkeuken (met schouwen bessteeën), die weer in verbinding stond met kelder en opkamertje. Via een verbindingsportaaltje kwam men door de dagelijkse buitendeur op het wurfstuk en door een binnendeur in een buitenstijlruimte van de schuur, die ter plaatse als kaarnhok gebruikt werd. Het centrale vak diende tot hooihok en de overige buitenstijlruimten tot berging (of dars) en koestal. Deze laatste bezat oorspronkelijk de Friese indeling met open boxen. Soms was nog een paardestal aanwezig bij deze vaarboerderijen, die overigens slechts een kleine veestapel bezaten, daar vanouds ernaast gekweekt werd.

In later tijd is het bedrijfsgedeelte uitgebreid met een vleugel, waarin men een hout- en turfschuur onderbracht en een van een luif voorzien achterhuis, ter vervanging van de woonkeuken, die nu zitkamer werd. Hierdoor koppelde men tevens het walhok (met stoep en waterfornuis) aan het hoofdgebouw. Het erf was omringd door sloten en vanaf de Uiterweg slechts bereikbaar over de plank op 't hoefdenend. De voortuintjes bestonden slechts uit een grasveld met enige kastanjes, omgeven door groen en wit geschilderde hekjes en paden van witte schulpen. Aan de wegzijde stonden de geschoren linden en op de bermen daarvoor, de z.g. bonnetjes, was dikwijls buxus geplant. Verleden jaar is een der wegsloten helaas gedempt.



6. Plattegrond van een in 1917 verbrand „hooihuis”
aan de Uiterweg te Aalsmeer naar J. F. Berghoef in
het Gedenkboek C.A.V. Het gedeelte links van de lijn
A.B. is op het walhok na een latere toevoeging.

Het Wieringse boerenhuis, waarbij de schuur met dars en oogstberging niet in, maar tegen het bedrijfsgedeelte van de oud-Friese hoeve is geschoven, heeft Mej. Daan in dit blad reeds beschreven11. Een punt willen wij echter nog aanroeren. De boerderij op Wieringen, waar de landbouw op zijn minst even belangrijk is geweest als de veeteelt, heeft in verband met de kleine veestapel steeds een enkelrijige stal bezeten. Bij het type met vooreind werden de koeien langs de scheidingswand met de schuur geplaatst en gevoerd door middel van luiken in dat schot, een voerwijze, die ook op Terschelling en in Het Bildt gebruikelijk was en met enige variaties in Zeeland, West-Brabant en op sommige Zuid-Hollandse eilanden voorkomt. Deze overeenkomstige systemen zullen uit gelijksoortige bedrijfseisen zijn voortgekomen en men moet niet te snel gevolgtrekkingen maken aangaande wederzijdse beïnvloeding ook al is er sprake van enig contact, zoals bij een Wieringse emigratie naar Het Bildt12.

Ook van het Texels type met vooreind valt weinig nieuws meer te zeggen, of het zou moeten zijn, dat Allan13 een volkomen fantastische afstammingstheorie mededeelt. Zijns inziens zouden de woningen voor de 14e eeuw meestal uit twee vertrekken hebben bestaan, waarvan het ene deels tot woning, deels tot stal en het andere tot bergplaats en tasruimte bestemd was. Later werd de veestal dan afgescheiden en het grote voorhuis vervangen door drie kamers of kantoortjes.

Wel moeten de skapenboeten nog genoemd worden, waaronder er zijn, die evenals de hoeve zelf een centrale hooitas bevatten met drie uitlagen er omheen voor schapenpotstal. De onaangebouwde vierde zijde van het hooi vak is met gepotdekselde delen beschoten en bezit een paar hooiluiken. De overige wanden zijn van baksteen en het dak weer van riet met een voet van pannen.

In de middeleeuwen was de schapenteelt het belangrijkste middel van bestaan op Texel en het grote aantal schapen, dat toen aanwezig was blijkt wel uit het feit, dat er bij de dijkdoorbraak van 1509 vijfduizend verdronken14. Niet altijd stalde men de schapen in een boet, maar soms bracht men ze in de boerderij zelf onder, zoals bij de hoeve Westermient B 141, waar een buitenstijlruimte voor hen was ingericht. Ogenschijnlijk wijkt dit huis sterk af van het gebruikelijke Texelse type, doch bij nadere beschouwing blijkt het slechts een variant.

7. Aanzicht en plattegrond van de boerderij Westermient B 141 op Texel.

7. Aanzicht en plattegrond van de boerderij
Westermient B 141 op Texel.

Men heeft de tasruimte namelijk niet in de hoogte gezocht, maar in de diepte door twee gebintvakken voor dit doel te bestemmen. De nok van het vooreind ligt dus weinig lager dan die van de schuur. De onduidelijkheid wordt nog in de hand gewerkt, doordat het vooreind (met woon- en slaapvertrek) in de breedte is uitgebreid met een kelder en bovengelegen bergruimte en doordat tussen woongedeelte en hooivak een dwarsdeel is aangebracht om gemakkelijker te kunnen tassen (beide lengte-uitlagen worden immers ingenomen door koehuis en schapenstal). De buitenstijlruimte aan de achterzijde dient eveneens tot dwarsdeel en voorts tot voederbereiding, paarden- en jongveestal. De ingang van de eerste rijing is tevens de voordeur. Oorspronkelijk zouden er een vijfentwintigtal van deze hoeven geweest zijn, nu is dit de enig overgeblevene.

8. Schematische afbeelding van een Noordhollandse stolp. 8. Schematische afbeelding van een Noordhollandse stolp.

Over het laatste ontwikkelingsstadium van de Noord-Hollandse boerderij, de stolp (al dan niet voorzien van vooreind, koehuisstaart of dubbel tasvak bij gemengd bedrijf op 't vasteland en op Texel), valt niets nieuws meer te zeggen, hetgeen ook geldt voor de keuterij. Slechts kunnen wij vermelden, dat wij ook op Marken een oude Friese stal hebben aangetroffen. Op het verband tussen het oudste boeren- en burgerhuis wijst voorts de driebeukige plattegrond van een type woning, dat naar dhr Th. M. van der Koogh ons mededeelde, nog in Broek in Waterland en omgeving voorkomt.

Tot slot dient onder de oudste onderzoekers van het boerenbedrijf in Noord-Holland naast Le Francq van Berkhey nog J. Kops genoemd te worden. Deze heeft met J. Goldberg over de landbouwkundige toestand in verschillende delen van de republiek een rapport opgesteld, waarvan het handschrift in het Algemeen Rijksarchief wordt bewaard.15 In Noord-Holland werden West-Friesland, de Beemster, Waterland, de Zaanstreek en Amstelland besproken. Voor het door hem in 1801 ingerichte „Rijkskabinet van Landbouwkundige Werktuigen en Gereedschappen” te Amsterdam, heeft Kops drie boerderijen in Noord-Holland laten opmeten, n.l. één in de Beemster, één te Boekenrode (bij Vogelenzang) en één te BentweId (bij Zantvoort)16. Helaas zijn deze tekeningen met de verzameling spoorloos verdwenen.

R. C. Hekker

1 F. Allan, Het eiland Vlieland en zijne bewoners. Amsterdam 1857. blz. 18.
2 Caertbouck toebehoorende het Leprooshuijs buyten Haerlem ende is vernieut ende verbonden den 22en Martij 1631. No 131, Archief Herv. Weeshuis, Haarlem.
3 Het Leprooshuys en zijne Landerijen. Kaartboek door landmeter Maurits Walraven 1703. Gem. Archief Amsterdam.
4 Kaartboek Burgerweeshuis A.B.W.B. „Ouwerkerck 1592”. Gem. Archief Amsterdam.
5 Kaartboek D, fol. 15. Het huis van „die schout van de Waver” bij de Stockelaersbrug, get. door Lucas Jansz. Sinck. 1605. Gem. Archief Amsterdam.
6 Kaartboek Burgerweeshuis A.B.W.B. „'t Gein bij Abcou”, 1592(?). Idem.
7 F. Lugt, Wandelingen met Rembrandt in en om Amsterdam. Amsterdam 2e dr. 1915, afb. 98 Gezicht op Diemen, waarop hoeve met vooreind.
8 Gedenkboek Centrale Aalsmeerse Veiling 1912-1937. Aalsmeer 1937, blz. 41-42.
9 Ton Koot, En nu rondom Amsterdam, 4e dr. Amsterdam 1944, blz. 151.
10 M. J. Boerendonk, Een landbouwkaart van het Graafschap Holland omstreeks het jaar 1500. „Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw.” I. Den Haag. 1939. blz. 128-132. („een weinich lanttelinghe, te weten van aarde uyt die sloten te werpen op die canten van heuren weyen ende daer sijn coorn in werpen sonder enich ander saylant te hebben”; zie ook Gedenkboek C.A.V. blz. 12).
11 Jo. Daan, Het Wierings boerenhuis. „De Speelwagen”. jrg. I 1946 blz. 334-338.
12 S. J. v. d. Molen, Vreemde Volksplantingen in Friesland I. Het Bildt. „Sibbe” Jrg. 4, '944. blz. 311-318.
13 F. Allan, Het eiland Texel en zijne Bewoners. Amsterdam 18S6, blz. 116.
14 J. van Campen, Een oud schapen-proces op Texel. „Buiten” 28 Sept. 1928, blz. 465-467, geeft aan de hand van een proces uit 1651 enige aardige bijzonderheden over de schapenteelt op Texel. Vanouds was het de arme boeren aldaar toegestaan hun vee in de winterse stalperiode op de weiden van rijkere eilanders te doen grazen. Reeds in het eind van de 16e eeuw matigden de laatsten zich echter ook het recht toe hun dieren „overal” te weiden; zij namen meer vee dan hun land kon voeden en de „overslag” niet kunnende afwachten, zonden zij het 's zomers naar Grint of Terschelling. Op hun beurt kwamen vreemde veebezitters het de Texelaars weer lastig maken. Het gevolg was grote schade aan de landerijen en de daaruit voortvloeiende ruzies.
15 Verslagen omtrent 's Rijks oude Archieven. 1913 I blz. 275, 1914 I blz. 507.
16 J. Kops, Catalogue des instrumens, machines et outils à l'usage de l'Argiculturs, réunis au Cabinet Royal, formée à Amsterdam. Haarlem 1827, blz. 41.

Texelse boerderij met vooreind (Foto Jac. de Boer)

Texelse boerderij met vooreind (Foto Jac. de Boer)

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.