Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1950 » No. 11 » pagina 337-339

Een mal peerd reden

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 5e jaargang, 1950, No. 11, pagina 337-339.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

't Was herfst.
Onophoudelijk stuwde de westerkim zijn donkere wolkgevaarten naar omhoog, die hun grijze regensluiers over het Westfriese land lieten slepen. Alle molens en molentjes in de omtrek zwaaiden van de vroege morgen tot de late avond hun wieken door de steeds aandrijvende buien.
Een van die molens stond op het land van de boer bij wie Klaas werkte. Hij was belast met de zorg ervoor tegen een beloning van 25 gulden in 't jaar. Klaas verdiende 6 gulden in de week, zodat het molengeld er aardig inkwam. Dat was kaplaken.
Toen de boer en hij na melkerstijd het priekerige bon verlieten en zij elk met de laatste gevulde melkemmer op het deeltje over de sloot balanceerden, keek de boer bedenkelijk naar het hoge water.
„Klaas,” begon hij, „ik docht zo, je moste vannacht mar deurmale. 't Land wordt zo sopperig mit die regen: de koeie frete mit vaifmonde; zo moete ze veul te gauw op stal.”
Klaas had er niet veel zin in. Overdag hard werken en dan nog 's nachts opzitten.... Maar aan de andere kant: die nacht verdiende hij een gulden extra!

Zo had Klaas wel meer een oppertje!1 's Herfstdags, als bij de boer het varken werd geslacht, kreeg Klaas de darmen. Die maakte Geertje goed schoon, ze werden fijn gesneden, in de pan gebraden en dan dienden ze om de boterham aan te kleden. – En als 't kermis was en de boer gasten kreeg, dan viel er ook wel wat af. Klaas spande de paarden uit en als de gasten vertrokken, had hij ze weer voor 't kartje gespannen en dan kwam hij met een aardige fooi thuis. – Eens werd Klaas na zo 'n gastdag binnengeroepen en kreeg hij van de boerin een pakje mee voor Geertje. Toen ze het open maakte, kwam er een hambeen te voorschijn, dat nog niet helemaal schoon was afgesneden. Maar daar hebben ze toch smakelijk om gelachen! – Tegen Kerstmis, als de koeien zo weinig gaven, dat het de moeite niet was, om te kazen, kwam Klaas met een halve emmer melk thuis en dan werd er op Kerstavond chocolademelk gedronken. En nu weer een gulden verdiend met malen.... Zo kwam Jan Splinter door de winter!

„Weet je, wat we doene?” zei Geertje, toen Klaas nat en hufterig2 was thuisgekomen en verteld had, dat hij vannacht moest opzitten, „weet je wat we doene? We vrage koffiegaste, dèn gaat de eivend ongeërgerd3 om.
„Wie?” vroeg Klaas.
„De smid in z'n vrouw, dat binne aardige mense.”
Geertje naar de smid!
„In?” vroeg Klaas, toen ze terugkwam.
„Ze kome, 'oor! Leg de kaarte mar klaar. Dèn gane we pedoere!”

„Jullie binne an 't erf? In dat gane we venacht an 't verdele ? Goed weer deer voor,” lachte de smid, terwijl hij z'n natte pet bekeek, die hij had willen uitslaan, als hij de ogen van Geertje niet had ontmoet. Hij zette hem dus maar weer op.
„De blikken4 is lekker warm, neem mar een matje!” nodigde Geertje.
Ze schikten zich aan de tafel, waarop de staande petroleumlamp met z'n melkwitte ballon een gezellige gouden lichtkring wierp, waarin het „skinkblad” met de „kop in bakkies” verwachtingen opriep naar de lekkere koffie in de beschilderde koffiekan met z'n drie kromme poten en z'n kraantje, boven het kooltje vuur in 't glimmende koperen komfoortje. – De vierkante kachel werd nog eens extra opgepookt en toen kon het spel beginnen.
De centen kwamen op tafel, er werd geschud en gegeven en onhandig wurmde Klaas met de vele kaarten in z'n nog knoffelige5 vereelte werkhanden, maar eindelijk kreeg hij ze toch gerangschikt.
Oei! Wat raasde de wind!
Nadat ze een poosje gespeeld hadden, zei Klaas: „De wind laikt wel om te gaan, ik moet efkes nei de molen kaike!” En op een drafje trok hij de klompen aan en ploeterde door de regen en de stikdonkere nacht naar zijn zorgenkind.
„Stong-ie d'r nag?” gekscheerde de smid, toen Klaas terug was gekomen.
„Hai liep in 'n star; 'k hew 'm eerst van de wind afdraaid, want hai zou deur de vang loupen hewwe, in toe hew ik de paar halve zailtjes wegnamen. Nau loupt ie op z'n blote biene.”6
't Spel werd hervat.
Wat kletterde de regen tegen de rammelende glazen!
„Wat hew ik an je?” riep Geertje, „deer vergooi je je weer! Je laike wel soedel!”
Ja, Klaas speelde erg ongelukkig. Dat moest hij toegeven.
Wat was dat? Een windvlaag bulderde door de schoorsteen en de as uit de kachel stoof naar binnen.
Zou de molen het houden?
„'t Laikt wel, of de lamp uitgaat,” zei Geerje. „Wacht, ik sel er efkes wat petrum indoen.”
„Dèn gane wai mar nei pluimedaik,” besloot de smid.
„In ik moet nag 's nei de molen kaike,” zei Klaas.
Teruggekomen vertelde hij: „'k Hew 'm stil zet, vóór hai an flenters vliegt. Dut is gien weer om te male.”
Geertje had ondertussen de winst- en verliesrekening opgemaakt. „'k Hew een dubbeltje wonnen, in jij hewwe twei-in-twintig stuivers verloren,” hoorde Klaas zeggen, terwijl hij de beddedeuren open maakte. „'t Kin mooi weze! De hele eivend de lamp brand..., de kachel stookt..., koffie tapt..., in dèn nag het molengeld verspeuldl”
Klaas zette een stoel voor 't bed en zei berustend: „We hewwe veneivend een mal peerd reden, zo is 't.”

Z.

1 Buitenkansje.
2 Huiverig.
3 Zonder dat men 't merkt, er erg in heeft.
4 Een grote stoof, boven met blik voorzien.
5 Verkleumd.
6 Zonder zeilen.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.