Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1950 » No. 1 » pagina 28-32

Op Doorreis

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 5e jaargang, 1950, No. 1, pagina 28-32.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: E. Kroeskop.

Op Doorreis (Tekening: M. Oortwijn)

In deze eerste kroniek van 1950 zouden we onze lezers een woord voor het nieuwe jaar mee op weg willen geven, dat wijlen Prof. Ter Veen aanhaalde in het door hem geredigeerde gedeelte van het Rapport der Prov. Commissie ter bestudering der Gemeentegrenzen: „Neem uw hoed af voor het verleden, en stroop uw mouwen op voor de toekomst”. Een vermaning in pakkende vorm, dat historische studie, geïnspireerd door liefde en eerbied voor het „oude beeld”, nimmer mag leiden tot blinde afgodendienst. Er is trouwens niet zo heel veel kans, dat modem georiënteerde geschiedenisstudie fanatieke afgodendienaars voor Clio zou kweken. Te groot is de invloed van diegenen onder haar beoefenaars, die aan brede kringen geleerd hebben, hoe veranderlijk het beeld is, omdat het verleden voor een belangrijk deel functie is van een heden! De periode, waarin men tegenstanders schaakmat zette met voorbeelden uit de historie, behoort als afgesloten te worden beschouwd; met de geschiedenis immers bewijst men, desverlangd, ... alles en dat is van het goede te veel. Wij verlangen van de geschiedenis slechts de wijsheid, vrucht van een nimmer voltooide kennis, om onze taak in het heden te kunnen verrichten, niet alleen met blijmoedig opgestroopte mouwen, maar ook met bezinning, en in het besef van onze verantwoordelijkheid.

Voor de afronding of herziening van deze onontbeerlijke kennis kan het boven aangehaalde „Rapport” onschatbare diensten bewijzen. Men late zich door de enigszins ambtelijk klinkende titel vooral niet suggereren, dat dit onlangs verschenen boek een onverteerbare turf, zonder enige kraak of smaak, zou zijn. Het werk vormt voor allen, die zich op een of andere wijze bezighouden met de sociale of culturele situatie van ons gewest niet alleen een belangrijk hulpmiddel, maar door de begripsverheldering, welke het biedt, wordt de lectuur ervan tot een boeiende bezigheid gemaakt.

Speciaal voor de streekgeschiedenis heeft de heer Blauw zich verdienstelijk gemaakt door het vraagstuk der gemeentegrenzen in historisch verband te belichten. De term „gemeente” behoort tot die talrijke woorden in onze taalschat, die door veelvuldig gebruik zijn geworden als oude muntstukken met afgesleten beeldenaar. In een oudere taalperiode betekende het woord: „gemeenschap”, „vergadering”, of „burgerij”. De heer Blauw stelt zijn lezers duidelijk voor ogen, dat de term „gemeente” voor 1795 geen staatkundige, doch wel een kerkelijke bestuurseenheid aanduidde. De Franse Tijd schiep hier veel nieuws op het gebied der bestuursvormen, doch pas de beproevingsvolle jaren der Inlijving, van 1810 tot 1813, brachten de meest ingrijpende wijzigingen. Zo is onze eerste, feitelijk ingevoerde, gemeentelijke indeling een product van de Inlijvingsperiode, het Decreet, dat de regeling bevatte is van 12 Oct. 1811 en draagt het stempel van Keizer Napoleon! In onze provincie heeft de ijverige en bekwame Belg, De Celles, die te Amsterdam als Prefect zetelde, deze gemeentelijke organisatie voorbereid. Zo was deze hoge ambtenaar van het Franse Op Doorreis (1950, pagina 29)bestuur, wiens naam en portret in de schoolboeken staat, b.v. nauw betrokken bij het ontstaan van Andijk als zelfstandige gemeente in het jaar 1811. Bij de vaststelling der grenzen van de jonge gemeente, deed zich een merkwaardige fout voor, tekenend voor de over-straffe centralisatie van Napoleons regime, die alles van één middelpunt uit wilde afdoen. Deze fout schrapte Wervershoof tijdelijk als zelfstandige gemeente van de kaart, doch dit ging buiten De Celles om. Deze had de gebieden „Hoog- en Laag-Zwaagdijk” bij Wervershoof willen voegen en achtte dit voorstel in overeenstemming met de richtlijnen der Fransen, die immers kleinere dorpen (de grens naar beneden zou zelfs 500 inwoners moeten zijn) wilden combineren. Maar het centraal gezag, zonder enige locale kennis het laatste machtwoord sprekend, voegde de beide Zwaagdijken bij het dorp Zwaag, in de veronderstelling, dat de treffende naamsovereenkomst op nauwe territoriale samenhang moest wijzen! Slechts de streekbewoner kan zich goed voorstellen, welk een zonderling verknipt kaartbeeld hier nu ontstond, de Zwaagdijken waren een aanhangsel van een tamelijk ver gelegen dorp geworden, en bleven dat tot 1867. Wervershoof, nu te klein geworden volgens Franse maatstaven voor zelfstandige gemeente, werd bij het pas geformeerde Andijk gevoegd, maar herkreeg na de bevrijding van 1813 zijn oude status.

Oud zijn de dorpen van Westfriesland, waar de bevolking in 1289 reeds zo'n graad van dichtheid had bereikt, dat verscheiden plaatselijke bestuurseenheden konden worden gevormd. Westfriesland bereikte dit ontwikkelingsstadium b.v. vroeger dan „Gooiland”, was dus vergelijkenderwijs gesproken, niet achterlijk. Opvallend in de wel zeer oude, maar niet zeer sprekende geschiedenis der dorpen, is overal, dat de vestiging van een eigen bestuur der dorpshuishouding samenvalt met de promotie van de landelijke nederzetting tot kerkelijke parochie. Het kerkelijk bestuursgebied, met een oud woord aangeduid als „kerksoekinge”, had met het rechtsgebied van de schout een gemeenschappelijke omgrenzing. Parochie-grenzen zijn zeer oud en zeer duurzaam. Vaak ontleende een dorp zelfs zijn naam aan het begrip „kerspel” of parochie, soms was de patroonheilige van de dorpskerk de naamgever. Het sobere dorpskerkje was het grote middelpunt, binnen zijn muren vonden volksvergaderingen plaats, de heiligedagen daar gevierd vormden de vaste punten bij de jaarsindeling en bepaalden voor eeuwen de tijden van zaaien en oogsten. De liturgische en mysterie-spelen in de kerk brachten de eerste elementen van gewijde, dramatische kunst in het leven der dorpelingen. Zo is het oude dorpskerkje de symbolische schakel, die ons aller geestelijk bezit verbindt met de prille jeugdtijd van alle sociaal en cultureel leven. Hoe jammer, dat het materiële behoud van deze eerwaardige monumenten, vaak schoner door de historische tradities, welke zij belichamen, dan door „aesthetische” kwaliteiten, in onze dagen zo moeilijk valt. Koedijk is een naam, die in dit verband een droeve klank heeft gekregen, Warmenhuizen roept onbehaaglijke toekomstbeelden voor. de geest. De materiële kwesties van onderhoudsplicht en bezit der middeleeuwse kerkgebouwen zijn na de Reformatie steeds een doornig probleem geweest. Ruim twee eeuwen na de protestantisering, toen onze eerste grondwet, die van 1798, de naastingskwestie der kerkgebouwen in principe op het tapijt bracht, doken al velerlei moeilijkheden op. Wat er bij een „naasting” in de zin van die grondwet allemaal kwam kijken, heeft Pastoor J. C. van der Loos indertijd uiteengezet aan de hand van de gegevens voor Uitgeest. Historisch inzicht en liefde voor het monument als „zichtbare geschiedenis” gaven deze priester in 1922 een warme opwekking aan zijn parochianen in de pen, om de restauratie van de bouwvallige Op Doorreis (1950, pagina 30)Hervormde kerk financieel te steunen. Thans is de restauratie van dit Uitgeester kerkje weer aan de orde, en dringend ook. Trouwens al in de Gouden eeuw klaagde men over de deplorabele toestand van dit bedehuis: men kon er kwalijk droog zitten en de vloer lag „seer rebell”. Dat de duitjes in het verleden ook al een zwak punt vormden, blijkt uit het feit, dat in 1704 al een loterij moest worden gehouden, om fondsen voor noodzakelijk onderhoud bijeen te brengen. Thans is een bedrag van ƒ 11.000 beschikbaar om deze kerk, rustplaats van Cornelis Cornelisz., „die de eerste saeghmolen in Holland gepraktiseerd heeft”, voor volkomen ondergang te behoeden. Enkele losse notities doen reeds bevroeden, hoe grijs haar verleden is: de toren van omstr. 1250 is „romaans” en toont dat in zijn muurgeledingen nog duidelijk, het schip is van kort na 1400, maar - veelzeggend - uit afbraakmateriaal gebouwd, en, als om te demonstreren dat verschillende historische stijlen aan één gebouw nog niet „vloeken”, heeft men in 1635 een pittig portaaltje met een trapgevel in Hollandse renaissance tegen de gothische zuidgevel geplaatst! Broek in Waterland en Graft willen de verwording van hun oude kerken een halt toeroepen. In Broek heeft de architect Jan de Meyer opdracht gekregen de reeds zeer verminkte kerk in toonbare staat te brengen; inwendig heeft deze kerk een rijke preekstoel en het graf van de rijke Neeltje Pater. Haar geschiedenis is verweven met de grote lotgevallen van ons gewest: de laat-gothische kerk uit de 15de eeuw brandde 1573 geheel af en is toen bij gedeelten herbouwd. In Graft wordt o.a. de kerk, daterend uit 1670, en toch in gothische vormen gebouwd, (zo taai zijn tradities in de bouwkunst!) gerestaureerd en verkleind. Voor de zeer belangwekkende kerk te Oude Niedorp blijft de heer Lutjeharms te Schagen zich veel moeite geven; op zijn arbeid hopen we later terug te komen.

In onze steden heeft men, naast de kerken nog monumenten van velerlei aard te verzorgen. „Oud Hoorn” besloot het oude jaar goed door de restauratie te verzorgen van dat mooie poortje, dat thans toegang geeft tot het Stadsziekenhuis, maar in de Gouden eeuwen de daarop volgende Pruikentijd Op Doorreis (1950, pagina 31)deftige, en mogelijk ook wel corrupte en intrigerende, regenten zag binnenschrijden, om in het oude gebouw der Admiraliteit de belangen van de toenmalige marine der Zeven Verenigde Nederlanden te helpen behartigen. Van dergelijke poortjes bezitten onze steden er, gelukkig, nog heel wat en wie er eenmaal oog voor gekregen heeft, zal er een eenvoudig genoegen in vinden eens een paar van die pittoreske gevalletjes met elkaar te vergelijken. Zo bezit Alkmaar tegenhangers van het Hoornse monument je in de poortjes van de stichting der Diaconie aan de Nieuwe Sloot en dat van de voormalige Latijnse school, thans opgesteld in de tuin van het Murmellius-gymnasium; Amsterdam biedt zelfs in het poortje van het voormalige Spinhuis een vergelijkingsobject, dat uit precies hetzelfde jaar dateert, nl 160]; maar dat is heel wat rijker en „Italiaanser” . We zijn hier telkens temidden van de vormen der Hollandse Renaissance. Heel die rijk gevarieerde ornamentiek, de behakte bergstenen boogblokjes, de pilasters, de ionische voluten, de rolwerkversieringen, behoorde tot het repertoire van bouwmeesters als Hendrick de Keyser.

De boven besproken voortbrengselen van onze oude bouwkunst kan men alle hun plaatsje in de kunstgeschiedenis aanwijzen. Zelfs de eenvoudigste dorpskerk uit een ver genoeg verleden kan men met een stijl-etiket als romaans, gothisch, of laat-gothisch catalogiseren, ook al ziet men de zeer betrekkelijke waarde van deze schoolse methode in. Het zegt misschien meer, wanneer men vaststelt: dit kerkje kreeg deze vormen in dezelfde dagen, dat Thomas à Kempis zijn boek over de Navolging van Christus schreef, dan door te klassificeren: laat-gothisch! Onze dorpsgemeenschappen hebben echter ook te waken over oude bouwwerkjes, zonder veel uiterlijk aanzien, die met vaktermen uit de kunstgeschiedenis vrijwel niet te benaderen zijn. Maar ten eerste ziet men zo'n oud vertrouwd geval niet gaarne uit het dorpsgeheel verdwijnen, en vervolgens vormen deze simpele getuigen van voorbije dagen ook weer een stukje aanschouwelijke Op Doorreis (1950, pagina 32)geschiedenis. Zo'n geval bezit Midden-Beemster in zijn oude Travalje van 1744. Onze redactie vroeg al eens om „piëteit” voor dit stukje ambachtsgeschiedenis, uit een periode dat de vakman zijn werkstukken nog aan de straat tot stand bracht. De Beemster gemeenteraad komt een eresaluut toe, dat zij het verdere lot van dit historische gebouwtje ter harte heeft genomen. Door de Travalje voor de prijs van één gulden over te nemen en de plicht te aanvaarden voor herstel en onderhoud, is het voortbestaan van dit karakteristieke monument gewaarborgd. De uitheems-klinkende naam voor een simpele dorpshoefstal is al zeer oud; de samenhang met het Franse woord „travailler” (arbeiden) is duidelijk. Toch is het geen „vreemde” import uit jongere tijden; in het Middelnederlands, de taal onzer Middeleeuwen, kwam het woord „travael” reeds voor in de betekenis „zwaar werk” en was „travaelge” de naam voor hoefstal.

E. Kroeskop

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.