Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Westfrieslanddag 2019

Archivering » De Speelwagen » 1949 » No. 10 » pagina 305-308

Eenvorme, Informe, Yefforme

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 10, pagina 305-308.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Dr G. Karsten.

Deze woorden, die men o.a. aantreft in de Westfriesche Stadrechten, uitgegeven door mr. M. S. Pols, hebben reeds menig philoloog het voorhoofd doen fronsen.
Verdam gist, dat men er een onderlegger of stutpaal aan een vonder of ophaalbrug onder heeft te verstaan. Tevens vermeldt hij de gissing van mr. Pols, die vermoedde, dat die stutpalen wellicht de vorm hadden van een Griekse Y en dat derhalve de juiste vorm van het woord yefforme zou zijn1. Ook de heer P. Noordeloos, die in de 18de bundel van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland een lezenswaardig artikel schreef over „Vischrechten in den polder De Grote Slach” , wist met het woord geen raad.21

Voor mijzelf zijn de bovengenoemde woorden ook steeds een raadsel geweest, tot ik onlangs in het onvolprezen woordenboek van dr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, bij het art. stoep op blz. 1012 het volgende las: „Ook in Hs. Kool worden de stoepen beschreven als houten bruggenhoofden, terwijl daaraan wordt toegevoegd: „Omdat dezelve alle op een vaste maat moeten gemaakt worden, heeten zij in oude papieren eenvormen, dat verbasterd is in ieveringen onder Hoorn, ook onder Westwoud; onder Midwoud en daaromtrent heeten zij warren”.

Wat de vorm van het woord betreft staat derhalve dit vast. Dergelijke stoepen of warren droegen de naam van eenvormen, omdat ze alle één bepaalde maat, één vorm, hadden. Wie hierbij bedenkt, dat één in de Noordhollandse volkstaal wordt en werd uitgesproken als ien, hij zal begrijpen, dat uit het woord ienvorm door assimilatie van de n aan de volgende v zeer gemakkelijk de vorm iefform kon ontstaan. De andere spelvormen zijn van deze twee vormen slechts verbasteringen.

Hoe zag zo'n stoep of war er uit en waar in het water werd hij aangebracht?
Het komt me voor dat P. Noordeloos de vorm van zo'n stoep of war juist heeft beschreven. Hij schrijft: „Een wer, war of warre was een stoep of een in het water uitstekend hoofd. In visscherstaal werd onder werre verstaan een kunstmatig gevormde plaats in het water, waarheen de visch werd gelokt en waarbinnen fuiken en netten werden geplaatst. Wij moeten ons een wer indenken als een met hout in het water afgescheiden plaats. Hierin waren een paar deuren aangebracht; de opening waardoor de visch naar binnen werd gelokt. De ingang tot de wer moest worden gemarkeerd door boven het water uitstekende palen. De deuren moesten zoo diep in het water staan, dat een beladen schuit daarover kon varen. De ingang moest ten minste acht voet breed zijn”. Deze laatste bepalingen leidt de schrijver natuurlijk af uit de statuten van de polder Het Grote Slach, die op blz. 234 e.v. worden afgedrukt. In andere waterschappen kunnen andere verordeningen gangbaar zijn geweest.

Op het tweede gedeelte van bovenstaande vraag, nl.: waar in het water werden deze stoepen of warren aangebracht? mis ik het antwoord. En toch is ook dit van belang. Welnu, deze stoepen of warren bevonden zich aan de walkant en niet midden in het water. Dit blijkt o.a. duidelijk uit deze keur: „Item dat men op alle eenvormen aan den lantzijde in den vaert eenen kenpael zullen setten, een roed voet hooch boven 't waeter, op peene van elcx tien st., ende den blintpaelen, elcx tien stuvers”.3

De stoepen èn de hier genoemde „blintpalen” stonden onder water; derhalve was een zgn. kenpaal noodzakelijk om het gevaar te bezweren, dat men er met een schuit op bleef vast zitten. Soms stond er op iedere hoek van de war een, de zgn. hornpalen4. In een keur van Heemskerk uit het jaar 1659 staat dan ook dit: „Sullen meede op de legers ofte stoepen in den Hecksloot, setten hooge palen ofte baeckens, daer [men] by hoogh water merck op mag nemen, hoe naer dat de schuyten aen de wallen zijn, omme alsoo op de stoepen ofte legers niet vast te varen”.5

Onder de hier genoemde leger verstaat men een grote takkenbos, die naast een stuk land in het water wordt gelegd op een plaats waar de vis gaarne komt. De vis nestelt dan bij voorkeur in de takken en wordt daar gemakkelijk gevangen. Men schakelt daartoe de leger uit, ofwel, men slaat er een zegen omheen en haalt dan de takken één voor één door de mazen van het net, totdat alleen de vis in de zegen overblijft. Deze manier van vissen schijnt vooral in de Zaanstreek vroeger zeer gebruikelijk te zijn geweest.6.

Deze bovengenoemde stoepen of warren nu, die onder toezicht stonden van de warrenschap, een college door de overheid daartoe benoemd, werden verpacht aan de zgn. warluyden. Dit woord war of wer is stellig een afleiding van het w.w warren/werren, dat de betekenis heeft van „verwarren”, „in de val laten lopen”. In deze stoepen of warren werd gevist met „staand want”, zoals zegens, schakels en fuiken, in tegenstelling met „gaand want” zoals plemp, vlouwe, dobber en hoek, die men gebruikte voor het vissen midden in het water7.

Zeer duidelijk worden deze twee manieren van vissen onderscheiden in een keur van de stad Haarlem, die aldus luidt: „Dat geen Plempers, Vlouwers, Dobberaars, Hoekers of andere gelyke Visschers, huur hebbende in de voorsz. Wateren, zullen mogen visschen, noch hun Visch-Want schieten binnen de zestig Roeden van de Wallen af, ter Meerwaarts in te rekenen, en dat ten inzigte van de Zegenaars, Fuykers en Schakelaars, wier Visscheryen aan de kanten gelegen zyn, en niet in de wydte van de Wateren, en om dezlelve in hunne ingehuurde Visscheryen niet te verkorten, op poene van... " enz.8

En dat men de laatstgenoemde wijze van vissen belangrijker vond dan de eerste, blijkt wel uit dit gezegde, dat men in dezelfde Haarlemse keur vermeld vindt, nl.: „'t Gaande Want moet het staande wyken”.

Dr G. Karsten

1 Zie het Mnl. Wdb., II, 550 en mr. M. S. Pols, Westfriesche Stadrechten, II, 157.
2 Zie W.O. en N., XVIII, 243.
3 Zie Westfriesche Stadrechten, II, 356.
4 Zie W.O. en N., XVIII, blz. 239.
5 Zie: Het Groot Previlegie en Hantvest Boeck van Kennemerlandt... door W. G. Lams, 457.
6 Zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, 564.
7 Voor de betekenis van dit visgerei verwijs ik weer naar Boekenoogen.
8 Zie Keuren en Ordonnantiën der stad Haarlem, 141.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.

Westfrieslanddag 2019