Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1949 » No. 10 » pagina 299-305

Flitsen uit de Engels-Russische invasie van 1799, in Noord-Holland

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 10, pagina 299-305.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: R. P. Goetsch.

door R. P. Goetsch

In de eerste jaren na het vertrek van stadhouder Willem V en zijn familie uit Scheveningen, werkte vooral de erfprins – de latere koning Willem I – aan het herstel van de vrije Nederlanden. Een van de gedachten, die hem daarbij leidden was, dat met Engelse steun door de Hollanders zelf opstand moest worden gemaakt tegen het Bataafse bestuur. Van zijn vader ontving hij in December 1798 machtiging tot “alle zoodanige arrangementen als Hij in de omstandigheden, waarin zich het vaderland bevindt, ten meesten dienste van den Staat der Vereenigde Nederlanden en van Deszelfs goede Ingezetenen zal oordeelen te behooren”. De stadhouder zelf, volgens de Oranje-gezinde raadpensionaris Van de Spiegel, goedig, wat traag en slaperig van natuur, liet het graag aan anderen over. Intussen werkte de gemalin van Willem V, de zeer actieve en verstandige prinses Wilhelmina, ijverig mee. In Juni 1799 schreef zij haar zoon: “het is nu de tijd om haar (een contrarevolutie. G) voor te bereiden en gij moet de ziel van dat alles zijn”. In diezelfde maand sloten Engeland en Rusland een overeenkomst om beiden ten behoeve ener invasie in de Lage Landen troepen te leveren, terwijl Engeland aan Rusland bovendien een flinke subsidie verleende. Pogingen ook Pruisen in de zaak te betrekken mislukten.

Zodra Engelsen en Russen in het westen des lands aan wal zouden gaan, moest de erfprins van het oosten uit een inval doen. Op raad van zijn moeder vestigde hij zich daartoe 29 Juli in Lingen (Oost-Friesland) want de landing in het westen was tegen het eind dier maand bedoeld. Het werd echter 27 Augustus, drie uur in de ochtend, eer de voorhoede der Engelsen tussen Callantsoog en Huisduinen aan land ging. Daendels, de commandant der Bataafse troepen in Holland, zag geen kans de aangevallen kuststrook te behouden en trok zich terug tot de lijn Alkmaar-Avenhorn, de vesting Den Helder aan de vijand overlatend. De Bataafse vloot, onder bevel van Story, was daardoor haar steunpunt kwijt en verzeilde naar de Vlieter. Tot grote vreugde van de Oranje-gezinde scheepsbevolking zag ze reeds 28 Augustus de Oranjevlag van de toren van Oude Schild waaien, hetgeen voor haar reden was verder iedere medewerking aan de Fransen te weigeren. Toen dan ook de Bataafse bevelhebber aan zijn ondergeschikten het sein gaf de naderende Engelse vloot aan te vallen bleek slechts de bemanning van één der vier en twintig schepen bereid te gehoorzamen. De schepelingen van het admiraalschip “Washington” waren de voorafgaande nacht niet eens te kooi gegaan, teneinde de kruitkamer te kunnen bewaken, daar men – volg ens hun zeggen – het schip in de lucht wilde laten springen! Zo bleef Story niets anders dan capitulatie over. In het begin van September vertrok de Bataafse vloot onder Engels bevel naar Brittannië en diende voor een gedeelte de Royal Navy, ten dele onder de Prinsenvlag de zaak der bondgenoten.

Het begon de Fransgezinden nu al bang om 't hart te worden: 't departementaal bestuur van Texel – in Alkmaar gevestigd – verplaatste zijn zetel naar 't Prinsenhof te Haarlem; de gezinnen van vele hoge landsdienaren ontvluchtten Den Haag en brachtten hun goederen in veiligheid.

Toch zou hun vrees ongegrond zijn. Dat bleek al dadelijk bij de inval van de erfprins in de Achterhoek. Enige honderden Hollandse uitgewekenen, door een drieduizend Pruisen en Hessen versterkt, bezetten Winterswijk, Groenlo, Borculo en Aalten. In Twente werden Enschede, Oldenzaal en Almelo veroverd. Maar toen de nationale garden van Arnhem, Utrecht en Amsterdam verschenen, waren de invallers spoedig verwijderd. Onder de Arnhemse gardisten bevonden zich leden van de toneelgroep Obelt in toneelkleding en met toneelwapens! In het Sticht en op de Veluwe mislukten de voorbereide bewegingen geheel en al. Was de oude Oranjeliefde uitgeblust? De historicus Jorissen zegt er van: “Voor de tweede maal schonken zij de voorkeur aan de afhankelijkheid van Frankrijk boven het oud bestuur. De keten mocht drukkend zijn, zij drukte minder zwaar dan de keten der misbruiken, die de volksontwikkeling had tegengehouden”. In arren moede verhuisde de erfprins nu maar naar de streek van de Engelse invasie. Voorlopig vestigde hij zich ten huize van de Heer Loosen te Schagerbrug.

In onze provincie waren de krijgsbedrijven onderwijl doorgegaan. De Franse opperbevelhebber Brune kwam met versterkingen in Alkmaar aan en had er zijn hoofdkwartier gevestigd (2 Sept.). Acht dagen later achtte hij het moment gekomen om een tegenaanval te lanceren, menende dat hij – nu er nog geen versterkingen voor de Engelsen waren gearriveerd – de sterkere zou zijn. Door het ontbreken van “goed beleid, goed bevel en goed verband” (Krayenhof: Geschiedkundige beschouwing v.d. oorlog op het grondgebied der Bataafsche Republiek in 1799) hadden de Gallo-Bataven geen succes. Gelijke overwegingen t.a. v. het overwicht brachten er de Geallieerde aanvoerder, de hertog van York, toe, na de aankomst van twee Russische divisies, eveneens een aanval te wagen. Deze, in de historie bekend als de slag van Bergen, vond 19 Sept. plaats. Jammer genoeg miste Prins Frederik van York, tweede zoon van de Engelse koning, “het beleid en de doortastendheid voor zulk een onderneming” (De Bas: Prins Frederik der Nederlanden en zijn tijd, II). Aanvankelijk scheen alles te zullen lukken. Camp, Groet en zelfs Bergen werden door Russische troepen genomen. Engelse soldaten veroverden Schoorldam en drukten Daendels' mannen terug tot St. Pancras. De commandant van de Engelse voorhoede Abercromby trachtte tegelijkertijd een omtrekkende beweging te maken over Hoorn, Purmerend naar Amsterdam. Hierbij speculeerde men op de medewerking der bevolking. Maar deze beperkte zich, volgens de Engelse kolonel Graham, tot het dragen van Oranje! Dit was de eerste teleurstelling. Meerdere zouden volgen. De Russen waren te onstuimig in het donker, in voor hun officieren nog onbekend gebied, te werk gegaan en deden zich op ergerlijke wijze aan sterke drank te goed. Daardoor konden ze worden teruggeslagen; in hun vlucht sleepten ze de overigen mee. Aan beide zijden waren de mensenverliezen vrijwel gelijk. Engelsen en Russen wantrouwden elkaar na deze eerste ervaring, terwijl het zelfvertrouwen der Gallo-Bataven was gegroeid. De erfprins schreef over deze dag: “... een dag, die beslissend had kunnen zijn, als de behaalde voordelen hadden kunnen worden behouden; maar die nu de dapperen doet betreuren die ze heeft gekost...”

In de eerstvolgende dagen geschiedde er weinig van belang. Enkhuizen, Medemblik, Harderwijk en enige kleinere plaatsen aan de Zuiderzee, de eilanden er in, benevens de Waddeneilanden, werden door de Engelsen bezet. De Fransen en Bataven versterkten hun posities en inundeerden de Heer-Hugowaard en de Beemster. Nieuwe Russische colonnes kwamen aan en York had dus stellig een numerieke meerderheid, die hij meende te moeten benutten door een tweede aanval te doen. Onder voorwendsel, dat de herfstregens hem hinderden, bleef de Engelse aanvoerder echter dralen. Eindelijk op 2 October brandde de actie los: de slag bij Alkmaar begon. Met veel moeite slaagden de geallieerden er in de Fransen en Nederlanders uit het duinterrein tot Bergen toe te verdrijven. Een Engels leger, dat langs het strand trok, overvleugelde de troepen van Brune. Deze zag zich daardoor genoodzaakt tot Wijk aan Zee terug te gaan. Het Gallo-Bataafse centrum, onder Daendels, aan de Langendijk opgesteld, wist zich te handhaven. “De Russen hadden niet de ijver van de Engelse troepen, die zich keurig hebben gedragen”, schreef de erfprins uit het Engelse hoofdkwartier in Zijpersluis aan zijn vader. De ware animo was er deze keer bij hen niet. Krayenhof noemt hun houding “zonderling, slap en weifelend”. Niettemin zou er uit deze slag meer te halen geweest zijn dan de langzame York er uit peuterde. Zijn enige winst was terrein waar niets te halen viel, dat in het najaar en in de winter moeilijk te begaan was en dat zijn aanvoermoeilijkheden alleen nog maar vergrootte. De troepen van Brune hadden onbetwistbaar de strijd tegen een dubbele overmacht verloren, maar waren absoluut niet vernietigd.

In de nacht volgend op deze gevechten gaf de Fransman bevel tot ontruiming van Bergen en plaatste hij zijn mannen op de lijn Wijk aan Zee, Castricum, Uitgeest. Het hoofdkwartier werd gevestigd in Beverwijk. Alkmaar was dus opgegeven. Donderdag 3 October in de vroegte vertrok het Franse en Hollandse garnizoen; 's middags verschenen de eerste Engelsen aan de “Vriesche” poort. In zijn “Narrative of the expedition to Holland”, deelt de Engelse officier Walsh mee, dat men verwelkomd werd door een groot aantal oranjevlaggen en de klokken van de Grote Kerk, die het “God save the king” speelden. Weldra haalden Prinsgezinde burgers de vrijheidsboom voor het stadhuis weg en verbrandden die op de Paardenmarkt. Pogingen om te plunderen werden door de Engelsen in de kiem gesmoord. Ter voorkoming van onaangenaamheden en ter bevordering van de goede harmonie werd door de eerst aangekomen Engelse verbindingsofficier verzocht Oranje te willen dragen en van de torens te doen vlaggen. Aan deze verzoeken werd voldaan. Het Bataafse stadsbestuur kreeg aanzegging dat 't demissionnair was; het werd verzocht de lopende zaken af te doen “totdat daaromtrent nader was geresolveerd geworden”. Vrijdag 4 October reden York en de erfprins de stad binnen. De eerste resideerde tijdens de bezetting ten huize van Daniel Carel de Dieu in de Langestraat. De Dieu was vóór 1795 lid der vroedschap geweest. De erfprins hield een kleine hofhouding bij Jan Kloek op de Oude Vest. Gelukkig voor de bondgenoten werden ruime voorraden in de stad aangetroffen. De toestand van York's leger was blijkbaar zeer slecht, want de vorderingen van de komende dagen zouden lang niet mis zijn. Volgens de Prinsgezinde schrijver Van der Aa (Geschiedenis van den jongst geeindigden oorlog 1793-1802) ontbrak het de Engelsen aan alles. 4 October eisten zij 5000 broden à drie pond, 1000 zakken haver, 1000 flessen brandewijn, 60.000 pond hooi en 200 wagens, elk met twee paarden. De volgende dagen werd 't nog erger; men moest het dubbele aantal broden leveren, binnen twee uur opgave verstrekken en binnen twee dagen afdragen alle in de stad aanwezige hoeden, schoenen en kousen. 6 October werd de verlangde hoeveelheid brood tot 15.000 stuks opgevoerd. 8000 rations1 haver à 10 pond moesten er komen en er waren in de stad slechts 82 zakken, van 75 pond elk, aanwezig! Het stadsbestuur, nog steeds in functie, verzocht om ontslag, uit vrees voor de gedachte aan kwade trouw.

De R.K. kerk aan de Baangracht en het huis van Willem Bekker in de Koorstraat werden als noodhospitalen aangewezen, want de strijd woedde rondom de stad onverminderd voort. Bakkum en Castricum gingen van Franse in Russische handen over, en weer terug. In de duinen werd hevig gestreden. Deze z.g. slag bij Castricum, een ware slachting, eindigde pas door het invallen van de duisternis. Tijdens deze gevechten verscheen de Engelse generaal Don bij de voorposten van de Gallo-Bataafse rechtervleugel. Hij verzocht om doorlating, teneinde met het Uitvoerend Bewind in Den Haag over vrede te onderhandelen. Hij had een door de erfprins en zijn politieke vrienden opgemaakt stuk bij zich, waarin Den Haag gesommeerd werd verdere weerstand te staken en zich over te geven aan de Britten onder belofte van veiligheid van persoon en goed. De heren van het Uitvoerend Bewind waren hier misschien wel voor te vinden, want de agent van Buitenlandse Zaken Van der Goes had al eerder contact gezocht met een van 's prinsens vrienden Mollerus, die tot 1795 secretaris van de Raad van State was geweest en onder Lodewijk Napoleon en keizer Napoleon ook nog een rol zou spelen. Mollerus, die de 20e September bij de erfprins in St. Maartensbrug was komen opdagen, had de laatste weten te melden dat de meerderheid van het U.B. voor verlossing van de Franse tyrannie was te vinden, mits “niet zo zeer de oude constitutie... maar een soort van Engelsche constitutie tot grondslag konde gelegd worden”. Was deze missie de Franse en Bataafse generaals al niet aangenaam, toen er bovendien uit Don's zakken nog een rol proclamaties aan het Bataafse Volk te voorschijn kwam, hen oproepend tot opstand, was het helemaal mis. Don werd gevangen genomen en opgesloten in de citadel van Rijssel. Van de onderhandelingen kwam dus niets. Maar met de krijgsbedrijven ging het al niet beter. De krijgsraad, die Zondag 6 October 's avonds in Alkmaar gehouden werd, was zeer pessimistisch gestemd. De meeste Engelse generaals waren tegen nieuwe aanvallen. Een hunner wees verwijtend op de werkloosheid der keizerlijke troepen in Duitsland. Een ander betoogde: maar stoppen, want de Bataafse vloot is genomen, aan de eer is voldaan en zonder volksopstand komt er toch van de hele onderneming niets. En juist die volksopstand kwam maar niet; wel liep men, volgens de eerder genoemde Van der Aa, in Amsterdam met oranjecocarden in de zak, maar ze kwamen er niet uit! York hoorde zwijgend toe en zei na het vertrek van zijn generaals tegen de erfprins, dat hij besloten had terug te gaan op de Zijpe-stelling. Inderdaad was er reden voor. De Gallo-Bataven hadden hun posities weten te behouden en ze ze daarna krachtig versterkt. Van Monnikendam tot Knollendam was het hele front door inundaties gedekt en met veel artillerie bezet. Het terrein tussen Wijker- en Schermeer kon, zo nodig, in een paar uur tijds onder water worden gezet. Er zou voor York dan geen andere passage open blijven dan de nauwe doorgang tussen de Wijkermeer en de Noordzee. En die was door Brune, die bovendien steeds versterkingen uit Duitsland kreeg, gemakkelijk te verdedigen. York wees daar in zijn rapport aan Londen ook op en gaf de schuld van zijn terugtocht tevens aan het slechte weer en “het volslagen gebrek aan noodwendigheden”. Het zag er dus niet best uit voor de Oranje-partij.

In de late avond van 7 October verplaatste York zijn hoofdkwartier dan ook weer naar Schagerbrug. “Geweren, ransels, pelsmutsen, en allerlei voorwerpen langs de wegen en in de duinen verrieden de richting, waarin de Engelsen en Russen de terugtocht hadden aanvaard” (De Bas, t.a.p.). Dat de teleurgestelde erfprins aan zijn vader berichtte: “C'est une démarche dont les suites peuvent être incalculables...”2 is in zijn stemming wel begrijpelijk. De vorige dag had Willem nog een dankdienst bijgewoond in de Grote Kerk en de volgende moest hij de stad al weer verlaten. York liet in Alkmaar het bericht verspreiden, dat het hoofdkwartier naar Amsterdam werd verplaatst; maar de bevolking was niet zo onnozel als hij dacht. York en de prins van Oranje, die per rijtuig vertrokken, gingen heus niet de verkeerde poort uit!

Wordt vervolgd

1 Ration = rantsoen.
2 Dit is een stap, waarvan de gevolgen niet kunnen worden berekend.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.

Westfrieslanddag 2019