Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Bibliotheek » De Speelwagen » 1949 » No. 10 » pagina 294-298

Natuurbescherming en Monumentenzorg in Noord-Holland

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 10, pagina 294-298.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Frans Mars.

door Frans Mars

Het is moeilijk om alle kanten van het vraagstuk der bescherming van natuur en landschap in ons gewest in een beknopt tijdschriftartikel voldoende te belichten. Vooropgesteld dient te worden dat men er niet alleen de bescherming en bevordering van het eigenlijke landschapsschoon maar vooral ook het dorps- en stedeschoon onder begrijpt. Het is te aantrekkelijker, om hetgeen in de afgelopen vijftig jaar gepoogd en bereikt is, de revue te laten passeren, omdat men daarmede de bewuste en daadwerkelijke bescherming, die immers nauwelijks zo oud is, recht doet wedervaren. Het is nog altijd zo, dat hetgeen men in dat opzicht bereikt heeft, beter gezegd: wat men heeft kunnen behouden of weten te voorkomen, in het niet zinkt bij wat er verloren is gegaan. Bij zoveel verlies en verarming van natuurschoon kan een opsomming van de positieve resultaten daarom de burger moed geven om op de ingeslagen weg voort te gaan. Men kan de Nederlanders en ook de Noordhollanders niet verwijten, dat ze onbekend zijn met het woord van Vondel: “De liefde tot zijn land is ieder aangeboren”. Vaak is dit woord te pas of te onpas gebruikt en onwillekeurig zou men daaruit de conclusie trekken, dat men zich de plichten dezer liefde wel bewust is. Niets is echter minder waar. Wie toch zou toestaan dat men het voorwerp zijner liefde op de meest ergerlijke wijze mishandelt door diens aangezicht afschuwelijk en wreed te verminken? En toch geschiedt dit in wezen met ons dierbare gewest, dat men op niets ontziende wijze aldus heeft be- en mishandeld. In de tweede helft van de vorige eeuw, tijdperk van vooruitgang op velerlei gebied, kwam de natuurwetenschap de menselijke samenleving met tal van nieuwe uitvindingen verrijken. Wij allen genieten daar steeds de voordelen van, zowel op economisch, maatschappelijk als op medisch gebied en men moet in de natuurbeschermers geen mensen zien, die voor deze vooruitgang de ogen willen sluiten en menen dat men terwille van hun idealen alles maar bij het oude moet laten. Verre van dien. Maar waar het eeuwenlang de plicht van de samenleving was om eenzijdig het recht van het cultuurland te verdedigen, is het thans daarentegen ook de plicht van de gemeenschap om het recht van de wildernis te verdedigen, want die wildernis vormt voor een gezond en gelukkig volk de noodzakelijke en onontbeerlijke aanvulling voor bouwland en bedrijf.

Het is de “Vereniging tot behoud van natuurmonumenten” geweest, die het voor dit veel gesmade, maar niettemin onontbeerlijke deel van onze vaderlandse bodem heeft opgenomen en wel op een wijze, die boven alle lof verheven is. Het is in dit verband goed om de aanleiding tot het ontstaan dezer vereniging even te releveren. Deze aanleiding vormden de plannen van het gemeentebestuur van Amsterdam in 1906 om het prachtige, uit velerlei biologisch oogpunt zo belangrijke Naardermeer met stadsvuil te dempen. Economisch bezien was dat plan nog zo kwaad niet, maar waarom moesten ze daarvoor nu juist een meer nemen, dat voor de natuurkenners het belangrijkste ter wereld was? Echter als het om economisch, kortzichtig voordeel te doen is, dan wordt in vele gevallen de mooie natuur heel blijmoedig opgeofferd. Enige natuurminnaars hebben toen de handen ineengeslagen, en de vereniging opgericht, die zich ten doel stelt om overal in het land de plekken, die om hun natuurschoon, flora en fauna belangrijk zijn, te behouden. Deze vereniging wist, na enige onderhandelingen met de eigenaars, het meer aan te kopen en aldus van een zekere ondergang te redden.

Dit ongedachte succes heeft er belangrijk toe bijgedragen om de jonge vereniging alom in den lande bekendheid te geven, er kwamen spoedig meer leden en zo kon men in korte tijd behalve het Naardermeer, de grote bossen van Leuvenum op de Veluwe, de wouden van Hagenau bij Dieren en een paar grote stukken grond op Texel verwerven.

Intussen begreep men, dat men er met het behouden van deze natuurmonumenten niet was, doch dat men voor de zware taak stond bemiddelend te moeten optreden tussen de voortschrijdende techniek der cultuur en de daardoor steeds meer bedreigd wordende wildernis. Zo mag b.v. de omgeving van Amsterdam niets meer verliezen van het nog aanwezige natuurschoon. Zaanland en Waterland, de Vecht, de duinstreek, enz. dat alles moet bezien worden als een onontbeerlijke aanvulling voor het hestaan van het millioen mensen, dat hier woont.

Deze zware taak rust natuurlijk niet alleen op de schouders van de natuurvrienden, maar raakt evenzeer de stede bouwers en planologen.
Het is ten slotte een taak van de Overheid. Dat de aankoop of verwerving van natuurmonumenten door de Vereniging deze niet altijd voor vernietiging bewaart, leert ons de onverkwikkelijke geschiedenis van het Twiske-gebied onder Landsmeer, waar een prachtig veenland van veertien ha. was aangekocht. Niettegenstaande dat, werd deze bezitting bij het ontginningswerk ingevoegd.
En wat de herverkaveling en ontwatering van Texel voor nadeel aan de grote bezittingen van de vereniging zullen toebrengen, dient nog te worden afgewacht.

Andere bezittingen in Noord-Holland zijn: Gooilust en Corversbosch, Hilverbeek en Spieghelrust te 's-Graveland, Dennenoord bij Naarden, Oosteinderpoel bij Aalsmeer, IJdoorn bij Durgerdam, Baanakkers bij Jisp, het Heilooër bos, de Zandkuil op Texel, diverse terreinen in het lage land van Texel, het eiland Griend. Op initiatief van de vereniging werd in iedere provincie een stichting in het leven geroepen om de doelstellingen der vereniging meer intensief te propageren. Deze stichting “Het Noordhollandsche Landschap” verwierf door aankoop het oude landgoed “Wildrijk” en voert thans onderhandelingen om het Ilperveld aan te kopen.

Ook diverse oudheidkundige verenigingen in Noord-Holland zaten niet stil. Zo kwam men op initiatief van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland tot oprichting van de Commissie voor Landschapsschoon in Hollands Noorderkwartier. Gevormd door vertegenwoordigers van de samenwerkende verenigingen benevens tal van vooraanstaande deskundigen uit de kringen van Staatsboschbeheer, Ned. Heidemaatschappij, A.N.W.B., Heemschut, e.d. heeft men reeds tal van problemen te behandelen gekregen en deskundige adviezen over vele zaken verstrekt.

Inzake het behoud van stadsschoon kan gememoreerd worden de instelling, door het Rijk, van de Commissie voor de Monumentenzorg, die o.a. tot taak kreeg een voorlopige beschrijvende lijst samen te stellen van de in ons land nog aanwezige waardevolle gebouwen, woonhuizen, pakhuizen, molens e.d., die uit oogpunt van geschiedenis en bouwkunst voor ondergang bewaard dienden te worden.

Deze lijst, meestal Monumentenlijst genaamd, bevat o.a. de waardevolle antieke bouwwerken uit de meeste gemeenten van ons gewest. Wie echter mocht menen, dat plaatsing van een monument op de lijst een waarborg voor het behoud ervan betekent, komt bedrogen ult. De wetgever verzuimde nl. op de sloping van de erop geplaatste monumenten straffen te stellen en zo is de practische werking van de lijst niet heel groot. Dit spreekt te meer als men bedenkt, dat van de in 1924 opgestelde lijst, wat de Zaanstreek betreft, zeker de helft der monumenten nu verdwenen is. Slechts een Monumentenwet zou hier uitkomst kunnen brengen, doch allerlei moeilijke consequenties stellen het vaststellen van deze wet uit en het wordt niet waarschijnlijk geacht, dat deze binnenkort tot stand zal komen. Het is dus tot nu toe aan eigenaren van de kostbaarste en zeldzaamste monumenten toegestaan deze, al dan niet opzettelijk, te verminken of te vernietigen.

Nu mene men niet, dat zulks maar weinig voorkomt. Nog verleden jaar was het mogelijk, dat de oude Koedijker kerk gesloopt werd, en tientallen voorbeelden kunnen worden opgesomd, waar door onwil of tegenwerking van de zijde van eigenaars fraaie antieke huizen op ergerlijke wijze worden verwaarloosd. Het is begrijpelijk dat vele gemeentebesturen, deze tekortkoming van de wetgever beseffende, door een plaatselijke Monumenten-verordening hebben getracht in deze leemte te voorzien.

Wat de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten voor het landschap heeft gedaan, deed de Vereniging “Hendrick de Keyzer” voor tal van waardevolle gebouwen. Opgeschrikt door vernietiging van een fraai stuk van de Keizersgracht bij de Westermarkt, sloegen de minnaars van Oud-Amsterdam de handen ineen en stichtten de vereniging, die zich het lot van fraaie oude huizen zou aantrekken. De werkzaamheden: het aankopen, restaureren en exploiteren van antieke huizen bleven niet tot Amsterdam beperkt, in de meeste Noordhollandse steden heeft de vereniging bezittingen verworven. Daarnaast heeft ze vaak stimulerend gewerkt voor het doen ontstaan van plaatselijke verenigingen, die eenzelfde doel nastreven. En deze plaatselijke verenigingen hebben soms grote successen kunnen boeken; niet alleen kon men zich het lot aantrekken van huizen en gebouwen, die door plaatselijke belangrijkheid niet gemist konden worden, maar door “Hendrick de Keyzer” niet van algemeen belang werden geacht, doch bovendien wist men allerwegen belangstelling bij Overheid en particulieren te wekken, hetgeen niet anders dan gunstig kan werken. Zeker dient hier niet onvermeld te blijven dat Rijk, Provincie en Gemeenten vaak tot 90% subsidie verleenden in de restauratiekosten, wanneer het er om ging belangrijke kerkgebouwen, kastelen of raadhuizen te behouden. Men denke slechts aan de Grote Kerk te Alkmaar, de raadhuizen te Jisp, de Rijp, Graft, Groot Schermer, kastelen Assumburg en Radboud.

Gebrek aan plaatsruimte noopt ons om vele bemoeiingen van overheid, verenigingen en particulieren onbesproken te laten. Bemoeiingen die er alle op gericht zijn om de schoonheid van ons gewest zoveel als mogelijk is te bewaren. Dat deze pogingen lang niet altijd het gewenste resultaat hadden, mag niemand ontmoedigen. Te veel is er in de laatste vijftig jaar bereikt om zich teleurgesteld te voelen. Een intensieve bewoning en cultuur stellen nu eenmaal grote eisen aan natuur en landschap. Het is verheugend te kunnen constateren dat alle belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het stemt tot voldoening dat men zich in brede lagen der bevolking bewust gaat worden, dat hier grote belangen op het spel staan. Het zou nu niet meer voorkomen, dat zoals in 1890 in Wormer om een paar honderd gulden subsidie de antieke Beschuittoren werd afgebroken. Het oude woonhuis naast het Raadhuis is daar nu gerestaureerd.

Daaruit spreekt, dat men in 50 jaar tot beter inzicht is gekomen.


Uit Drechterland

Gien koeie,
Gien moeie!

Zeuven peerdebloeme op een voet,
Den is een koewaid goed!

Spaiers binne daiers!


d.i.: Kleine kinderen, die veel spuwen, overgeven, zullen voorspoedig opgroeien.

Je wil staat achter de bril,
Je moet staat achter de boet!


Gezegd tegen kinderen, die roepen: “Ik wil!” of “Ik moet!”

Ze is zo mal op 'r kind,
as 'n hen op ien pul!


d.i.: Ze houdt buitensporig veel van haar kind.

J. Roselaar

 


Hé, is dat Westfries?

573. M'n ouwe bromfiets moet opgeruimd worden. Elke dag zit ik er aan te madderen of: medderen (knoeien, klungelen, inspannend werken).
Dat gemadder moet nu 'ns uit zijn (dat moeilijke werk).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.