Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Bibliotheek » De Speelwagen » 1949 » No. 8 » pagina 245-247

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 8, pagina 245-247.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: G. J. Blees Kz..

De Stoom

De Burcht heeft op de Zaandammer Kermis steeds een grote aantrekkelijkheid bezeten. Reeds van verre drong het geroezemoes vóór, tussen en in de gelegenheden van vermaak die op de Burcht waren opgesteld, tot de Dam door, waarop een stroom van mensen vanaf de Gedempte Gracht naar de Burcht voortschuifelde. Ten tijde van de kermis moest je geen haast hebben, de wegen waren te smal om enige ruimte over te laten aan hen, die zich daar met andere bedoelingen bevonden dan om kermis te vieren. Onder de feestgangers die op de eerste Kermiszondag Burchtwaarts wandelden, bevond zich Jan Veldhuis met zijn meisje Trijntje van 't Hof. In de week tevoren was Jan naar de ouders van Trijntje toegegaan om ze verlof te vragen met Trijntje de kermisweek door te brengen. „Ik voor mai,” had vader van 't Hof gezegd „ben er niks op tegen, wat zeg jai d'r van moeder?” „Als Traint je d'r zinnigheid in het, dan zulle wai dat niet beletten.” En Trijntje, die zo lang in de keuken was geweest, maar onderwijl het aanzoek van Jan Veldhuis had afgeluisterd, bleek daar wel voor te vinden zijn. „We blijven bij mekaar,” had Jan gezegd, „om met een troep jongens en meiden kermis te vieren, daar voel ik niet voor.” In „'t Wapen van Amsterdam” liet zich vanuit de achterzaal een strijkje horen, in „Suisse” waren de ramen wijd opengezet en de stamgasten, die anders aan de middentafel hun geijkte plaats hadden, waren nu bij de openstaande ramen gaan zitten en Dekker, in de regel Dubbeldik genoemd, had volop werk om de habitué's van het nodige te voorzien.

Over de Grote Sluis was bijna geen doorkomen aan, de passage tussen Eymer, Wafelbakker, Dil, Kramer en van Willigen en van Heijnsbergen enerzijds en van Thijn, Ebmeijer, Vergouw, Hotel de Zon, Ebmeijer en Nierop anderzijds liet niet zo heel veel ruimte over. Om 't hoekje van de Oostzijder kerk ging het beter - in „de Beurs” bij Labohm heerste een ongebonden drukte en ook in de Stadsherberg was het volop „muziek en dans”. „Zullen we eerst wat gaan gebruiken?” vroeg Jan. „Hè nee, laten we eerst de Stoom opzoeken, die is toch de leukste van de kermis”. Dra stonden ze voor het voorwerp van Trijntjes begeerte, hel verlicht door een aantal gasvlammen, buiten, zowel als binnen. Het denderen van de bijna doorlopend in beweging zijnde stoomcaroussel, het luiden van de bel, het fluiten van de machine en het geschreeuw van de in de omloop staande jongens en meisjes naar hen, die, hetzij op een paard, hetzij in een schuitje of op een bank, een plaats hadden gekregen, vormden een zo geweldige opeenbotsing van tonen en geluiden, dat de menselijke stem in deze ruimte verloren ging. Toen de caroussel vaart minderde en eindelijk geheel stilstond, trok Jan Trijntje mee naar boven en het gelukte hen een plaatsje te krijgen in een der op en neer deinende schuitjes. Lang duurt zo'n rit niet en althans niet op Zondag-, Dinsdag- of Vrijdagavond en Jan koopt er een kaartje bij. „Hè,” zei Trijntje, „koop een boekje, dan kunnen we lekker blijven zitten” en Jan kocht een boekje met twintig ritten. Welk een heerlijkheid, zo voortdurend in de rondte gevoerd te worden langs al die jongens en meiden, die in driedubbele rijen de stoomdraaimolen gadeslaan, die elkaar knuffelen of bij de haren grijpen, die met confetti bestrooid worden en die serpentines uitgooien naar hun in volle zaligheid ronddrijvende vrienden en bekenden. „Pats, dat 's goed gemikt” en Trijntje krijgt een serpentine tegen haar mantelpakje, en een ogenblik daarna is dezelfde buitenstaander er in geslaagd een tweede serpentine op haar af te schieten. „Wie doet dat?” vraagt ze aan Jan. „0, dat is Abram de Lange”. „Die kan goed mikken, hoor.”

Ondertussen mindert het boekje en zal het niet lang duren of de laatste bonnen zijn verbruikt. Van een ogenblik stilstand heeft Abram de Lange gebruik gemaakt om naar boven te klimmen en weldra is hij bij het schuitje, waarin Jan en Trijntje gezeten zijn. Zo goed en zo kwaad als dit gaat, knoopt hij een gesprek aan; hij vertelt ze van al de heerlijkheden, die de kermis biedt, en vindt bij Trijntje een welwillend gehoor, terwijl Jan zich meer afzijdig houdt. Vader en Moeder van 't Hof staan onder de toeschouwers en nemen allen op, die in de Stoom ronddrijven, in de hoop Trijntje daarbij te vinden. En ja - moeder van 't Hof heeft haar opgemerkt- „Kaik deer man, deer in dat skoitje, zie je 't, daar zit ons Traintje.” „En Jan toch zeker ook?” „Ja wel, maar wie die jonge is, die met Traintje an 't praten is, dat weet ik niet.” Het bonboekje van Jan is verbruikt en Jan zegt tegen Trijntje: „Ga je mee er uit?” „Nu al,” zegt Abram de Lange, „ik geef een rondje” en hij overhandigt drie kaartjes aan de caroussel-knecht. „Nu Jan,” zegt Trijntje, „daar kunnen we niets op tegen hebben.” En wederom en daarna nog eens gaat het de ronde maar weer in en geniet Trijntje met volle teugen van hetgeen de stoom haar biedt. Jan stapt uit, maar Abram weet Trijntje te overreden nog een paar ritten met hem te maken, dan kan ze zich daarna weer bij Jan voegen. En Jan ziet hoe Trijntje, al ronddraaiend, met Abram in druk gesprek gewikkeld is; ze let niet op Jan, die aan de kant staat, doch proest het uit van 't lachen, als Abram een of andere aardigheid vertelt. „Tweemaal” heeft hij gezegd, „twee ritten”. Gelukkig, ze zijn om en Jan dringt zich door de opeengepakte toeschouwers om de plaats te bereiken, waar Trijntje zal afstappen. Doch Trijntje is er niet - zeker de andere kant omgegaan, en Jan loopt, terwijl de caroussel zich in beweging zet, de rondte om en nog eens om... dan zal ze zeker buiten staan te wachten en Jan komt in een menigte van toeschouwers terecht, die de Stoom van de buitenzijde bekijkt. Hij spiedt vóór en terzijde op de kade, bij de zweefmolens en in 't hippodroom. Trijntje is op onverklaarbare wijze verdwenen. En eenzaam, in bittere stemming, stapt hij naar zijn huis.

G. J. Blees Kz.

 


Hé, is dat Westfries?

173. 'Tijd is geld', zegt men. Daar is veul van an (grotendeels waar).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.