Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Bibliotheek » De Speelwagen » 1949 » No. 5 » pagina 155-160

Op Doorreis

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 5, pagina 155-160.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: E. Kroeskop.

Op Doorreis

De zorg, die de gemeenschap wijdt aan haar sociaal-misdeelden, is een belangrijk criterium bij de beoordeling van het beschavingspeil ener periode. Vooruitgang is immers in eerste instantie vooruitgang in zuivere menslievendheid! De tentoonstelling, die de jubilerende Sociale Raad te Alkmaar inrichtte onder de sprekende titel „Maatschappelijk werk toen en nu”, was dan ook cultuurhistorisch van groot belang. Ook als een landelijke primeur op dit terrein mag zij aanspraak maken op een ereplaats in deze kroniek van ons gewestelijk leven. Het stemt tot voldoening, dat de tentoonstelling ook van de zijde van het onderwijs voor oudere leerlingen de belangstelling trok, die zij verdiende. Binnen ons bestek is het niet mogelijk een geschiedenis te schetsen van de armoede als maatschappelijk verschijnsel, waartoe het rijke documentatiemateriaal zo zeer uitlokt. Onder welk een geheel andere belichting moet de Middeleeuwse mens, religieus georiënteerd en levend in een productenhuishouding waar het geld nog een geringe rol speelde, de arme medemens hebben gezien, dan de latere burgers, vol zorgvuldige spaarzin en verering voor nuttige arbeid. De bedelaar vervulde, bij wijze van spreken, een redelijke plaats in de toenmalige maatschappij, bedelen kon ze1fs een gewaardeerd opvoedingsmiddel zijn en er werden handleidingen geschreven om de bedelkunst aan te leren! Welk een sprekend illustratie-materiaal voor het karakter van de armenzorg in onze Bloeitijd heeft onze schilderkunst bewaard in de talrijke portretstukken van Regenten- en Huismeesteren-colleges der liefdadige gestichten; de bouwkunst in de vredige Hofjes en Provenhuizen. Hoe scherp karakteriseren de berijmde ”Bedelbrieven” van Tollens en Ten Kate de futloze burgerlijke filantropie uit de eerste helft van de vorige eeuw!

Onze Gouden Eeuw kende nog de ”armenjager”, die met honden en gewapende lieden klopjachten op bedelaars organiseerde, soms met het doel galeislaven te bemachtigen. De negentiende eeuw kende nog de officieel vastgestelde hedeldagen, waarop de miserabelen in karavanen door de straten togen; de „strooien dorpen”, waarin kolonies van berooiden samengroepten, levend van stroperij en bedelexpedities, die vaak in regelrechte veldslagen met de boeren ontaardden. Deze enkele toetsen mogen de achtergrond vormen waartegen men de evolutie moet zien van de moderne, geschoolde maatschappelijke werker, die zijn „gevallen” als sociale ziekte-problemen bestudeert en tracht te genezen; een evolutie, door deze tentoonstelling zo knap uitgebeeld!

Voor de streekgeschiedenis van het Noorderkwartier was het goed gezien, dat er een gedenkstuk van de merkwaardige „zeevarende beurzen” (die van Venhuizen-Hem) was geëxposeerd. In onze oude zeevarende dorpen als Greift, Landsmeer, Broek in Waterland, Ooster- en Wester-Blokker, Westwoud, werden deze beurzen of buydels opgericht, merendeels in de 17de eeuw, die van Hem nog kort na 1700. Het waren een soort onderlinge sociale verzekeringen tegen de grote risico's, welke toen verbonden waren aan de dienst bij onze handels- en oorlogsmarine, die geen van beide uitmuntten door royale arbeidsvoorwaarden. Vooral de Algerijnse zeerovers maakten veel slachtoffers onder het toenmalige zeevarende proletariaat, en de genoemde beurzen hadden ten doel de drukkende gevolgen daarvan voor de bootsgezellen of hun gezinnen enigszins te verlichten.

Onder de Historische Genootschappen van het Noorderkwartier neemt Oud-Enkhuizen een eervolle plaats in; de vereniging verkeert in uitstekende conditie en brengt met bescheiden middelen veel tot stand; restauraties van het kostbare gevelbezit weet zij op gelukkige wijze te stimuleren. Zo werd op de laatste jaarvergadering medegedeeld, dat in 1948 een zestal puien in stijl gerestaureerd was. Dank zij de diligentie van onze medereiziger uit de oude haringstad, de heer S. Spoelstra Jr, zijn wij in staat een uitvoerig en nauwgezet exposé te geven van het belangrijke referaat, dat Dr H. Terpstra op deze jaarvergadering hield over de figuur van Jan Huygen van Linschoten.

Ter inleiding van zijn onderwerp gaf spreker een beknopt tijdsbeeld, waarin het leven van Jan Huygen zich ontwikkelde. Enkhuizen had op 21 Mei 1572 als eerste stad in Holland zich losgemaakt van het Spaanse juk en voor de Prins gekozen en dat gaf haar een merkwaardige voorsprong op Amsterdam, dat tot 1578 Spaansgezind bleef. Het bloeide en werd in politiek en economisch opzicht een der krachtcentra van de om haar bestaan vechtende natie. Het trok tal van mensen tot zich, die met haar groot werden in allerlei takken van wetenschap en bedrijf. Ook Vader Huyg Jacobsz. van Linschoten uit Haarlem nam zijn intrek in Enkhuizen, waar hij het beroep van herbergier en notaris combineerde en achtereenvolgens de taveernen „Het wapen van Haerlem” en „De vergulde Valk” dreef. Zijn zoon Jan Huygen, waarschijnlijk in 1563 te Haarlem geboren, had in de gelagkamer volop gelegenheid met allerlei gezellen van de grote vaart in contact te komen en hun verhalen verlokten hem reeds op 16-jarige leeftijd, meer precies op 15 December 1579, zee te kiezen en naar Spanje te reizen, waar hij zijn beide broers in Sevilla bezocht. Met een van hen vertrok hij naar Lissabon, waar zij samen in dienst traden van de nieuwe aartsbisschop van Goa, die juist op het punt stond naar zijn standplaats te vertrekken. Vijf jaar bracht hij in deze betrekking te Goa door. Die plaats was een knooppunt van handel en scheepvaart in de verre Oost en Van Linschoten besteedde daar zijn tijd met de varensgasten te praaien en uit te horen over handelsgelegenheid, gewoonten, vegetatie en fauna van de landen, die zij bezocht hadden. Daar ontmoette hij ook de Enkhuizer Dirk Gerritsz. Pomp, bijgenaamd China, omdat hij de eerste Nederlander was, die het Hemelse rijk en Japan bezocht. Na de dood van de aartsbisschop besloot hij in 1588 met Dirk Gerritsz. de terugreis naar Holland te ondernemen aan boord van het Portugese peperschip „Santa Cruz”.

Het najaar van 1592 zag Jan Huygen tenslotte in Enkhuizen terug. Stad en repatriërende zoon waren wel even verbaasd bij dit weerzien. Van Linschoten over de geweldige vlucht, die handel en scheepvaart gedurende zijn afzijn genomen hadden, de stad wegens de schat van begeerlijke gegevens, die deze zwerver langs onbekende kusten uit zijn met tekeningen van eigen hand verluchte notities wist te verschaffen. Er werd veel aandrang op hem uitgeoefend deze gegevens te boek te stellen en, hoewel hij eerst schroomde daartoe over te gaan, omdat hij naar eigen gevoelen de schrijfkunst niet machtig was, ontstond ten slotte met behulp van Paludanus zijn beroemde boek „Itinerario”, waarin hij zijn belevenissen, mitsgaders al zijn notities over kustbeschrijving, gesteenten, vruchten, planten, dieren, volkszeden, munten, enz. heeft uitgewerkt en dit is een zeer belangrijke bron van inlichtingen gebleken voor de latere Indiëvaarders. Het „heerlyk werk” werd uitgegeven door Cornelis Claesz. te Amsterdam, die het met „perfecte kaarten” van Arnoldus en Hendricus van Lang aanvulde. De uitgever wilde het werk completeren met een dergelijke verhandeling over Afrika en Amerika en hoewel Van Linschoten deze werelddelen niet bezocht heeft, verscheen toch een „Beschryvinge” waarvan het aan Afrika gewijde deel van de hand van Paludanus is en dat handelende over Amerika van Van Linschoten. De gegevens daarvoor zijn ontleend aan overleveringen van anderen. Verder verscheen nog van hem een uit het Spaans verzameld en vertaald „Reisgeschrift”, dat handelt over de navigatie van de Portugesen en een beschrijving inhoudt van routes, kusten en zeilgelegenheden met aanwijzingen van de soorten vogels, vissen, drijvende planten, die men in verschillende gebieden kon verwachten. Al deze geschriften hadden een grote opgang en werden zelfs door buitenlanders gaarne geraadpleegd.

Niet lang na zijn terugkomst in het vaderland — het wao in de tijd, dat men meende om de Noordkaap Indië te kunnen bereiken en zich voorstelde, dat deze route, behalve het vermijden van tropenziekten en botsingen met de Spaanse macht, het voordeel bood, dat ze zesmaal korter was — nam Van Linschoten deel aan de eerste ontdekkingstocht in de Poolzee en wel als kommies op het door Enkhuizen uitgeruste schip „Mercurius”. Men bracht het tot het eiland Kildin en meende in zijn toeleg geslaagd te zijn. De Staten Generaal interesseerden zich zeer voor deze route en een nieuwe expeditie werd uitgerust, waaraan Van Linschoten deelnam als opperkommies op het schip „De Hoop van Enckhuysen”, maar die liep op een treurige mislukking uit. De deelnemers stelden een acte op, waaruit moest blijken, dat zij hun uiterste best gedaan hadden „om alle naklappinge te schouwen”, maar de aardigheid was er af en aan de laatste poging om de Noordroute te bevaren, die eindigde met de overwintering op Nova-Zembla, nam Van Linschoten geen deel. Van deze tochten heeft hij ook buitengewoon interessante journalen geschreven, die hem stempelen tot de pionier van de volkse verhaaltrant, welke in een stroom van journalen en beschrijvingen van voyagiën navolging heeft gevonden.

Van Linschoten ontplooide in zijn leven een rusteloze activiteit; hij fungeerde een tijdlang als trezorier van de stad Enkhuizen en huwde een rijke koopmansdochter, Reyna Meynoutsdochter Semeyns, die hem een dochtertje schonk, dat jong gestorven moet zijn.

Hij was Wagenaar met raad en daad behulpzaam bij het samenstellen van diens atlas „Trezoor der Scheepvaert”, stelde belang in de vaart op West-Indië en het totstandkomen van een West-Indische Compagnie en stierf na een welbesteed leven op 8 Febr. 1611.
Hij heeft, zo niet de stoot gegeven aan, dan toch door zijn bewonderenswaardige speurzin en opmerkingsgave en het bundelen van al deze wetenswaardigheden, de weg geëffend tot de vaart naar Indië en de handel op het verre Oosten, die in de Oost-Indische Compagnie zulk een geweldige expansie beleefde.

Zout, zelzout, door Kennemers en Westfriezen op primitieve wijze gewonnen door het verbranden van zouthoudende veengrond of darinck, wordt reeds in de handelsgeschiedenis van onze vroegste middeleeuwen vermeld als een belangrijk artikel. In het haringkakend en zeevarend Holland van de Gouden Eeuw werd grof zout uit Frankrijk en Portugal aangevoerd en het raffineren van dit product werd een der bloeiende „trafieken”, een van die industrieën dus, die ingeschakeld waren in de machtige handelsbeweging. In de mooie reeks historische causerieën, waarmede Oud-Alkmaar dit seizoen zoveel eer inlegt, wijdde de heer Th. Wortel een gedegen bespreking aan de historische zoutnering in de Kaasstad. De eerste zoutziederij in de stad bestond reeds in 1560; de arbeidskrachten waren meisjes en vrouwen, „zoutmaagden” genaamd. Gekleed in bruine broeken en blootsvoets torsten zij soms zakken van 200 pond. Er bestaat nog een vroedschapsresolutie van voor 't beleg, waarbij vergunning werd verleend een zgn. zoutkeet buiten de stadswallen op te richten. Voor de verwerking van het geïrmporteerde ruwe zout hadden de zoutzieders, of „pannemannen” (let eens op hoe onze familienamen vaak een stukje geschiedenis bewaren, vgl. „Panhuis”, „Pannekeet”) zeewater nodig, dat met „zouthaalders schuyten” uit Petten werd aangevoerd. De zoutziederij heeft ook te Alkmaar tot diep in de 18de eeuw gebloeid; in 1755 waren er nog vier zoutketen. In de Franse tijd begonnen de moeilijkheden voor de bekende zoutziederij „De Eendragt”, die tenslotte in 1830 te koop aangeboden werd; zij is tot kort voor het uitbreken van de laatste oorlog door de firma Bosman geëxploiteerd.

Het aantal steden in Nederland, dat een zingende toren bezit met een grote beiaard, waarvan de klokken geheel of grotendeels gegoten zijn door het beroemde broederpaar Hemony, gaat het dozijn niet ver te boven. Enkhuizen is de enige stad in het Noorderkwartier, die op zo'n kostbaar erfstuk kan bogen; daarnaast bezit het in het lichte spel van de Dromedaris nog een tweede Hemony-carillon! De broeders Frans en Pieter Hemony kwamen in 1642 uit Lotharingen naar de Nederlanden, hun komst luidde terstond de bloeiperiode der klokkengieterskunst in, die tot hun dood omstr. 1680 ook weer werd afgesloten. In de Enkh. Crt vonden we een instructief artikel, dat met rechtmatige trots de ontwikkeling van Enkhuizen als carillon-stad schetst, zulks naar aanleiding van het feit, dat het Zuidertoren-carillon in 1949 de eerbiedwaardige leeftijd van 425 jaar heeft bereikt, terwijl de kleine beiaard in de Dromedaris de 275 zal halen. De stoere leeftijd van de St Pancras-beiaard is aldus te verantwoorden. Onze oude steden hebben vaak al in de periode van vóór Hemony — hèt grote scheidingspunt in de chronologie der klokkenspelen — een zgn. voorslag aangeschaft. Zo hing Enkhuizen reeds in 1524 enkele speelklokken in de Zuidertoren, gietwerk van de Kamper meester Geert van Wouw. De meeste klokken van Van Wouw zijn echter verdwenen, alleen in Kampen werden enkele Van Wouw-klokken waardig gekeurd in een carillon van Hemony te worden opgenomen. Het huidige carillon van de St Pancras heeft een kern van Hemony-klokken daterend uit de jaren 1647-'49.

Alkmaar heeft zijn Waagtoren-carillon, daterend uit 1687 en gegoten door de Antwerpse gieter M. de Haze, uit logeren gestuurd naar Aarle-Rixtel, waar het onder handen genomen zal worden door een der firma's (Petit & Fritsen), welke de oude gietkunst in onze dagen deden herleven. Ondanks de energieke actie van de Carillon-vereniging is Hoorn nog steeds van torenmuziek verstoken. Voor een stad, die zoveel architectonische schoonheid uit het verleden wist te behouden en ook dagen gekend heeft, dat „alderley Voysen” uit Van Wouw-klokken en Hemony-carillons boven haar straten klingelden, een onduldbare toestand. Maar de actie gaat onverdroten verder; nog ontbreken ƒ 10.000 gulden. Werkers als de heer C. J. Stins deinzen voor de laatste loodjes ook niet terug. A propos: van het degelijke boekje, dat hij indertijd over de geschiedenis van Hoorn's klokken en beiaarden schreef zijn nog exemplaren verkrijgbaar voor ƒ 0.75; van de gelden die zijn studie opgeleverd hebben, wil de vereniging een klok doen vervaardigen, waarin de naam van de heer Stins gegraveerd zal worden; vele Speelwagenlezers kunnen hier ook nog een klein handje helpen, het idee is immers zo sympathiek!

E. Kroeskop

 


Hé, is dat Westfries?

596. Je mag niet die appel van dat kleine kind ofpollen (aftroggelen, afbédelen).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.