Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Bibliotheek » De Speelwagen » 1949 » No. 5 » pagina 151-154

Allemanswerk

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 5, pagina 151-154.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

Schaken

Tijdens een dialectonderzoek te Egmond-Binnen tekende ik op 't woord schaken in de betekenis van: „de kleine najaarsschoonmaak doen”. „We moeten schaken” betekent de najaarsschoonmaak doen aleer de kachel gezet wordt. Dit woord is me totaal onbekend en gaarne vernam ik dus van onze lezers:
a. In welke plaatsen kent men dit woord nog en b. wat is dan precies de zegswijze en de betekenis. c. Eventueel erop lijkende woorden ook; gaarne met d. opgave of het nog behoort tot het levend taalgebruik van uw dialect.
Inlichtingen aan: Jos van Gemert Smits Jr, p.a. Herenweg 49a, Egmond-Binnen.

Pompen, rollebollen II

Het artikel van Mr Westerman Holstijn onder de titel „Pompen”, in de Speelwagen van Februari j.l., voerde mij in gedachten terug naar mijn kinderjaren. Aan de Zaanstreek, althans in mijn geboorteplaats Oostzaan werd het genoemde knikkerspel ook druk beoefend. Men sprak van „kulebossen” of koede1en. Het woord kulebassen zal afkomstig zijn van het woord kuul, het Zaanse woord voor kuil. De regels van het spel waren als door Mr Westerman Holstijn beschreven wordt in het laatste gedeelte van zijn artikel.

Zoals bij veel andere spelen het geval is, werden ook bij dit knikkerspel ongeoorloofde handelingen toegepast, trucjes zou men ze kunnen noemen. Zo werd er soms „gestoken” en „gestreken”. Steken deed de speler wanneer hij zijn hand met de knikkers te dicht bij het kuiltje bracht, waardoor de kans bestond zoveel mogelijk knikkers in het kuultje te brengen. Regel was, de knikkers zo vlug mogelijk los te maken van de hand. Het strijken werd toegepast bij het inschieten van de, om het kuultje heen liggende knikkers in het kuultje, wat volgens de spelregels moest gebeuren door de knikker met de krom gebogen wijsvinger een duw te geven in de richting van het kuultje. Ook hierbij gold de regel de knikker zo spoedig mogelijk los te laten, dus een tik te geven, waardoor het moeilijk werd de juiste richting te bepalen. Bewoog men de vinger, waar de knikker tegen aan lag, een eindje langs de grond in de richting van het kuultje, dan was er meer gelegenheid de knikker in de juiste richting te sturen. Deze ongeoorloofde handeling werd „strijken” genoemd. Tegen het gebruik van bovengenoemde trucjes werd bij ontdekking heftig geprotesteerd en zij, die er zich aan schuldig maakten, mochten niet meer meedoen. In Oostzaan beoefende men nog een ander spel met knikkers, het „rollebollen”. De rollebol was een stuk hout van ongeveer 40 à 50 cm lang, 5 à 6 cm breed en 2 cm dik. Aan het een einde bevond zich een handvat, wat ontstond door uit het hout aan één zijde een stuk ter lengte van 10 cm en een breedte van 2½ à 3 cm uit te zagen. De kant van het handvat was de bovenkant van de rollebol. Aan de tegenovergestelde kant, de onderkant dus, werden 5 vierkante stukjes uitgezaagd, zo groot dat een knikker er behoorlijk door heen kon. De vijf gaten waren voorzien van de getallen één tot en met vijf in romeinse cijfers. Het spel bestond hierin: de eigenaar van de rollebol plaatste zijn instrument op de straat of ergens in een rustig hoekje. De speler moest trachten de knikker die hij had, vanaf een afstand van ongeveer 2 m door een der gaten te schieten. Mislukte de worp, dan was de knikker voor de houder van de rollebol; gelukte de worp, dan kreeg de speler zijn geworpen knikker terug, plus zoveel knikkers als het nummer boven het doorboorde gat aangaf.

J. Lust

Pompen, drupen III

In het Februari-nummer van de Speelwagen beschrijft Mr J. Westerman Holstijn het knikkerspel genaamd „Pompen”. In Enkhuizen stond dit spel bekend onder de naam „drupen” (druipen). Het werd nooit anders gespeeld dan in getallen van zes bij zes of twaalf bij twaalf. Een kuiltje (wij zeiden kwiep) tussen de vroeger veel in Enkhuizen voorkomende keien waarmee de straten geplaveid waren of een kwiep, gesneden in de platgetreden sintel- of grondpaadjes in de Wiede Steiger (wijde Steeg) of Wortelmarkt, waren ideaal. Maar niet het even getal knikkers, dat buiten de kwiep terecht kwam was voor de druper, maar het oneven getal. Of dit uit winstberekening geschiedde, weet ik niet, maar het zou niet onmogelijk zijn. Immers als er drie, vijf of een dergelijk oneven getal buiten de kwiep terecht kwamen, was de kans voor degeen, die droop, twee tegen één of drie tegen twee, enz.

Koedelen was hier niet bekend. Echter wel het tikken. In de Rijp werd wel aan koedelen gedaan. Zo leek me het knikkerspel meer spel. Enkhuizen zette het doel winst voorop en wie wil winnen moet wagen, wat men dan ook deed door met knikkers en centen te drupen. Meestal kreeg men twaalf knikkers voor 'n cent. Maar om met vier en twintig knikkers te drupen, wat lastig was daar de kwiep nooit groot was of tussen keien groot kon zijn, gold één cent voor twaalf knikkers. Was daar nu mee gedropen en de cent plus een knikker waren buiten de kwiep, dan mocht de druper één of meerdere keren (dit was van te voren vastgesteld) trachten de cent in de kwiep te tikken. Dit geschiedde met 'n knikker, die tegen of op de cent werd gepikt.

Zo mogelijk had men een knikker waar een plakje af was. Sommigen waren heel handig met tikken. Lukte het nu de cent met het vastgestelde aantal tikken in de kwiep te krijgen, dan had de druper gewonnen. De tegenspeler tikte niet. Anders was het als er meerdere centen tussen de knikkers waren of als twee knikkers en een cent uit de kwiep waren gesprongen. Was het laatste het geval, dan probeerde de tegenspeler de cent er in te tikken. Waren er meerdere centen uit, dan bepaalde het even of oneven getal wie het eerst tikte. Lukte het niet met het juiste aantal tikken de cent er in te krijgen, dan was het spel uit en dan besliste het getal centen en knikkers samen wie had gewonnen (oneven voor de druper, even voor de ander). Doch er werd niet enkel gedropen met knikkers. Lang niet ieder kind kon aan centen komen of aan knikkers. Voor 'n kind was vroeger één cent meer dan 'n dubbeltje voor het kind van heden. Daarom droop men ook met stukjes steel van kalken pijpen; stukjes van 2 à 3 cm. Daar, door het verval van Enkhuizen na zijn bloeitijd, massa's huizen waren gesloopt en het puin verkocht, waren er heel wat tuinen binnen de bebouwde kom. En daar het huisvuil veel in de grond werd gestopt, zeker ondiep!, was het voor kinderen niet moeilijk stukjes pijp te vinden. „Pijppies” drupen kwam dan ook veel voor.

Ook met „rinkelbellen” werd veel gedropen. Dit waren stukjes plaatijzer, vierhoekig geknipt ter grootte van 2 bij 2 cm of 3 bij 3 cm. 't Mocht ook blik of zink zijn.
Ze werden gemaakt van afval uit smederij of loodgieterswerkplaats. Natuurlijk moest er een gaatje in zijn geslagen. Sommigen hadden ze dan ook aan een touwtje geregen, doch meestal in een „buultje”. Hoeveel „rinkelbellen” voor 'n cent werden verkocht kan ik me niet meer herinneren. Er was echter een vaste handel in. Ieder kind wist wie de „rinkelbellensmid” was, al begreep het niet dat de anderen de man die bijnaam hadden gegeven (zoals bijna ieder Enkhuizer een bijnaam had) vanwege diens mindere vakkundigheid. Daar dit drupen niet gemakkelijk ging in 'n kwiep (ze bleven vaak half op de rand liggen en dan kwam de strijd of ze er in of er uit waren) deden we dat in onze klomp. Deze werd andersom gezet en al was de kous dan soms een en al modder, men kon fijn drupen.

Chr. Ramkema Sr.

Wie kent er meer coupletten?

Daar kwam een mellekmeisje aan
Heel van Lutjewinkel,
Ze had 'n gaatje in d'r kous
Boven aan d'r skinkel.
    Netjes van pas,
    Spoedig en ras,
Ik wou dat 't Michelse kermis was.

Mevr. M. Buishand-Molen

Katknuppelen en Gaaischieten

Het katknuppelen is ook in Oostzaan jarenlang beoefend. Het „feest” had plaats op een terrein, gelegen naast het café „de Hoop” in het Noordeinde en wel op de eerste Zondag, volgende op de eerste Donderdag in Augustus, de laatste dag van de kermis aldaar.

De vaten waren van klein model, gemaakt van vurenhout en tenen hoepels. Voorzover mij bekend, werden geen ijzeren hoepels aangebracht. Er werd van de medespelenden een zeker inleggeld geheven door de kastelein, die de zaak organiseerde. Een gedeelte was voor de organisator voor onkosten, de rest werd beschikbaar gesteld als prijzen. Als ik mij goed herinner werden soms ongeveer twintig vaten verbruikt. De kat was een blokje hout, met een touwtje bevestigd aan een der bodems.

Bij overlevering weet ik dat vroeger ook het gaaischieten werd beoefend. De gaai was een blokje hout, bevestigd op een lange paal. Ook voor dit spel moet veel animo zijn geweest, wat, gezien het grote aantal jagers ter plaatse, geen verwondering behoeft te wekken. Regelen hieromtrent zijn mij niet bekend. Dat de dagen waarop de spelen werden beoefend hoogtijdagen waren is zeker.

J. Lust

Een oude vertelling

Er was eens een mannetje
Dat veegde zijn stalletje.
Wat vond hij er in?
Een oud gouden stuivertje.
Wat kocht hij er voor?
Een heel vet varken.
Maar het varken wou niet gaan.
Toen ging hij naar de hond.
„Hond, wilt gij 't varken bijten,
Want het varken wil niet gaan!”
Toen ging hij naar de stok.
„Stok, wilt gij de hond slaan?
Hond wil niet varken bijten,
Varken wil niet gaan!”
„Nee!” zei de stok.
Toen ging hij naar het vuur.
„Vuur, wilt gij stok branden?
Stok wil hond niet slaan,
Hond wil varken niet bijten,
Varken wil niet gaan!”
„Nee!” zei het vuur.
Toen ging hij naar het water.
„Water, wilt gij 't vuur blussen?” enz.
„Nee!” zei het water.
Toen ging hij naar de os.
„Os, wilt gij 't water drinken?” enz.
„Nee!” zei de os.
Toen ging hij naar de slager.
„Slager, wilt gij de os slachten?” enz.
„Ja!” zei de slager.
En de slager slachtte de os
En de os dronk het water
En het water bluste het vuur
En het vuur brandde de stok
En de stok sloeg de hond
En de hond beet het varken
En het varken liep heel hard.
Kijk, kijk, daar gaat het!

Medeged. door P. Schaper

 


Hé, is dat Westfries?

775. Morgen ga ik 't plafond wittelen (witten). Ik zal de witteles maar klaar maken (witsel, witkalk).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.