Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Bibliotheek » De Speelwagen » 1949 » No. 1 » pagina 19-24

Een Kinderspel

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 4e jaargang, 1949, No. 1, pagina 19-24.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

„'t Ware te wenschen, dat oude lieden zich al zulke liedtjens en
spelen herinnerden en ze voor de vergetelheid bewaarden. Den
waren beminnaar van Taal en Vaderland zouden zij verplichten.”

W. Bilderdijk, Geslachtslijst II, 34b.

De redactie ontving van mevr. T. Groot-Ham uit Beverwijk de beschrijving van een kinderspel, dat zij had gespeeld te Wijdenes ± 1895 met de bescheiden vraag, of de redactie daaraan nog iets heeft. En hiermee geeft zij nu juist de mening van velen weer, die zich ook nog wel kinderspelen herinneren, ze voor zich houden, doordat zij denken: Och, het is maar kindergedoe, wat heeft men er aan, om dat te publiceren? En dat is toch zo jammer.
Om twee redenen.
Ten eerste om de spelen zelf! De folklore houdt zich bezig met het optekenen van de zeden, gewoonten en gebruiken van het volk. Van nu en van vroeger. Van ons hele volk en daartoe behoren toch ook onze kinderen. De kinderleeftijd is een zeer belangrijke periode uit de loopbaan van iedere persoon, zo zelfs, dat men zoveel mogelijk ieders toekomst richt naar zijn aanleg, die zich in zijn jeugd openbaart. En als we de folklore beschouwen als een integrerend deel van de beschavingsgeschiedenis en dat is deze, dan moet ook de kinderfolklore het volle pond worden toebedeeld en moeten vooral de spelen niet worden vergeten, de spelen met hun frisse, naïeve poëzie, soms in ons oog verward, maar altijd opgewekt.
En ten tweede, omdat de kinderspelen een nagalm zijn, al is het dan soms een onduidelijke echo van „het leven en bedrijf” onzer voorouders. Want onze kinderen zijn in dit opzicht toch zo oerconservatief. Zij leren wel nieuwe spelen, maar houden daarnaast de oude zo lang mogelijk krampachtig vast, bewaren ze van geslacht op geslacht.
Daar heb je nu het spel van „Keeromme”, medegedeeld door mevr. T. Groot-Ham. Zij schrijft: „De meisjes lopen in een kring en elk op zijn beurt moet zich omdraaien en als elk een beurt heeft gehad, is het uit. Er wordt bij gezongen:

Apeldoren, beursje verloren,
Wie zal daar voor zorgen?
Dat zal onze Grietje1 zijn,
Ik wens haar goede morgen.
Morgen zal zij vroeg opstaan,
Traantjes over de wangen gaan,
Keer omme, keer omme;
Grietje heeft zich omgekeerd,
Dat heyt zij van haar vrijer geleerd.

Kijk eens aan, dat is nu een rei. Een dans voor volwassenen uit lang vervlogen tijden, die bij ons in vergetelheid is geraakt. U in Wijdenes, mevrouw, en ik in Hauwert hebben in onze jeugd als het kermis was in de herberg staan kijken naar de dansende paren, die de Duitse polka, de polka mazurka en de wals dansten tot de violist met zijn strijkstok dringend op de achterkant van zijn viool klopte om de dubbeltjes.
Die dansen zijn nu uit de mode en de jeugd heeft ze niet bewaard, omdat de passen te ingewikkeld waren. Maar de reidansen uit de 18de, 17de, 16de eeuwen uit de Middeleeuwen en zelfs daar voor, heeft de kinderwereld oudtijds mee gedanst en bewaard tot op de huidige dag. Vondel zegt in zijn „Uitvaert van mijn dochterken”:

En huppelde, in het reitje,
Om 't lieve lodderaitje.

Veelal waren het kringdansen en steeds werd er bij gezongen. Een heel flauwe herinnering heb ik nog van een bruiloft, die de hele nacht had geduurd – overbrullefte heette dat – en waarbij de gasten bij zonsopgang zich naar de boomgaard begaven, om te gaan hazejagen. Ook dat was een oude reidans, maar dan niet in een kring. Er werd bij gezongen. Waarschijnlijk herinnert u het zich nog als kinderspel:

Hazejagen door de bomen,
Hazejagen door de dauw.
Ik zel jou – jij zel mijn,
Haas, wie zel de jager zijn?

De spelers vormen paren, die elkaar een hand geven, de paren staan achter elkaar en het achterste loopt gebukt door de gevormde „poorten” en wordt daarna het voorste paar.
Andere reidansen, die in onze jeugd nog bij de volwassenen in zwang waren, zijn het Grofkoppen en Kees-de-boeren. Evenwel niet op kermissen, maar in besloten gezelschappen: op bruiloften en op 't bestvat. Om nu tot ons „Keer omme” terug te komen – dat moet al heel oud zijn. Als we een Duitse onderzoeker mogen geloven, zou met dit spel oudtijds verbeeld zijn: de omkering in de natuur en het dus gespeeld zijn geworden rondom de voorjaarsvuren.

* * *

En nu is u waarschijnlijk benieuwd naar de betekenis van de woorden. Hoe komen onze kinderen toch aan hun speelliedjes ? Maken zij ze zelf? Een heel enkele keer is dat het geval. Terzelfder tijd dat u „Keer omme” speelde in Wijdenes, mevrouw, vormden de kinderen in De Beemster een kring en al rondlopende zongen ze:

Rood, rood appeltje
Boven aan een takkeltje,
Neem een stok,
Slaan ze er of,
Steek ze in je zakkeltje!
Betje heeft haar omgekeerd -
Dat heeft ze van haar vrijer geleerd!
Keer om je, keer om je!

We voelen, dat r. 1-5 door een kind zijn gemaakt.
De tekst uit Wijdenes berust echter op overlevering. In 1902 liepen in Noord-Duitsland in 't voorjaar en wel op Vastelavond kinderen langs de huizen met een geschilde bladerloze tak in de hand met zijtakjes, waaraan ze de opgehaalde gaven hingen. Het liedje, dat ze zongen, luidt vertaald:

     Karriel! Karriel!
De wijnstok heeft zijn blad verloren,
Wie zal nu daarvoor zorgen?
Dat moet onze lieve Heer Jezus doen.
Schenk ons een vrolijke morgen, etc.

In De Wijk bij Meppel zongen de kinderen, dansende in een kring (1894):

Kerseboom heeft er zijn blad verloren
Wie zal daar voor zorgen?
Dat zal de kerseboom zelf wel doen,
Wie2 wens hem goeie morgen.

En bij 't spel Keer omme zong men daar in dezelfde tijd:

's Morgens, 's morgens vroeg opstaan,
Met traantjes over de wangen gaan.
Keer om dan, keer om dan,
Mooie meisjes hebben zich omgekeerd,
Dat hebben zij van mij geleerd,
Van zestig of van zeventig jaren,
Wat doe je met al die paren?
Wat doe je met al die tetteret
Van zestig of zeventig jaren?

Een reidans uit Beerta (Gr. 1892) volgt hier. Een meisje staat in de kring; de anderen zingen:

Maiboom het zien handje verloren,
En wel3 zel door veur zörgen?
Dat mot Maiboom zulm4 moar daun,
Ik wensk joe guie mörgen!
Peterselie en hondekruut,
Ankom jaar is... de bruud,
Twei poar ringen zel zei hebben,
Met 'n golden slöt omzied5
Ziet, ziet, ziet er noa:
Dei en deie vrijt er noa.

Waarna er weer een ander in 't midden wordt gekozen.
U ziet, dat er oudtijds een zeer bekend lied moet hebben bestaan, waarvan dat uit Wijdenes een verhaspeling is.

* * *

Meestal is bij het spel van keer omme sprake van vlas en van garen spinnen en van een aantal jaren, die om zijn.

Vlas hèkele, vlas hèkele,
Zeuven jaar zien um;
N. den dräit zich um,
N. den har zich umgedräit,
Den häd zich het ächterst vuer gedräid.


Limburg, ± 1900.


Bouwienegie, Coutrienegie,
Hoe spint doe' t goaren zo fienegie?
Net zo fien as 'n zulverdraad,
Zulverdraad in 't ronde:
Mooi meissie, keer die omme!
Mooi meissie het zich ommekeerd, etc.


Beerta ± 1900.

Het zijn dergelijke liedjes, die in een bepaalde periode bij het spel „keer omme” hebben behoord. Zij zijn karakteristiek voor dit spel.
Gaan we nu terug naar Noord-Holland. In Amsterdam zongen de kinderen in ± 1900:

Een kluwentje stopgaren
Geronnen, gewonnen, gesponnen.
Mooi meisje, keer je omme.
Mooi meisje heeft zich omgekeerd,
Dat heeft zij van een mooi jongetje geleerd.

En in de Zaanstreek was in ± 1875 het volgende versje te horen, bijna gelijkluidend met dat te Haarlem in 1900:

Kluwetje, kluwetje garen,
Meisje van zestien jaren,
Keer omme, keer omme;
Meisje keer je dan eens omme
Me meisje het er al om me gekeerd,
Dat het ze van een mooi meisje geleerd.

In het volgende verdenk ik de Kwadijker jeugd, dat ze twee speelliedjes aan elkaar heeft gelijmd (1892). Dat gebeurt wel meer:

    Kloentje, Hoentje garen,
    Wie is er al zeven jaren?
    Zeven jaren omme,
    Boter in de tonne,
    Vlees in de ketel,
Morgen zullen we soepie eten!
Hatsjie, hatsjie, hatsjie!
(niezen)
'k Heb een rood, rood spiegeltje gevonden,
Dat heb ik om mijn halsje gebonden.
    Keer omme, keer omme,
Mooi meisje, keer je eens omme.
Mooi meisje heeft zich ommegekeerd,
Dat heeft ze van een mooi jongetje geleerd.
    Keer omme , keer omme,
Mooi meisje, keer je eens omme.

En daarnaast zongen ze daar ook in diezelfde tijd:

Een naald en een draad
    En een vingerhoed
Daar een mooi meisje mee naaien moet,
    Keer om je, keer om je!

Soms is het liedje zozeer afgesleten, dat de kinderen enkel datgene zingen, wat de handeling beschrijft en wordt het alleen maar, gelijk in Grotebroek en Spierdijk, 1934:

Keer omme, keer omme,
Keer Geertje, keer je eens omme;
En Geertje heeft zich al omgekeerd,
Dat heeft ze van haar zusje geleerd,
Keer omme, keer omme,
Keer Geertje, keer je eens omme.

Als we dat alleen horen, zouden we niet vermoeden, dat de jeugd door dit spel er ons aan herinnert, dat er een tijd is geweest, waarin ieder gezin voor eigen kleding zijn eigen garen spon.

Als in mijn jeugd de jongelui Zondagsavonds „uit vraien” gingen,en er was er één, die naar een meisje wilde gaan, dat reeds „verkering” had, dan zeiden z'n kameraden: „Nei, joon, die is al verkocht.” Er is werkelijk een tijd geweest, waarin over de bruid werd onderhandeld. En het feit, dat deze goed had leren spinnen en over een hoeveelheid linnen beschikte, waar wij met onze vergunning en punten niet aan kunnen tippen, zal bij de familie van de a.s. bruidegom niet weinig gewicht in de schaal hebben gelegd. Nog in 1845 werd in Overijsel daags vóór het huwelijk door de dienstmaagd der bruid een mandje met linnen en katoen ten huize van de bruidegom bezorgd. Een nieuw hemd van fijn linnen en een witte linnen zakdoek voor haar aanstaande en aan de overige mannelijke bewoners des huizes elk een nieuw hemd van grover linnen. Bovendien voor de vrouwelijke bewoners genoeg bedrukt katoen voor een nieuw jak. Het linnen als proeve van de handigheid der bruid.
Uw spel uit uw kinderjaren, mevrouw, voert onze gedachten vele eeuwen terug naar een huwelijksceremonie, een bruiloftsdans, waar de bruid, het mooie meisje, zich om en nog eens om moest keren voor de nieuwe gemeenschap, waarin zij werd opgenomen, symbool ook van de omkeer in haar leven.

M. Zwaagdijk

1 Of een ander meisje, dat door de kinderen wordt uitgekozen. Z.
2 wie = wij.
3 wel = wie.
4 zulm = zelf.
5 om zied = op zij.

 


Hé, is dat Westfries?

173. 'Tijd is geld', zegt men. Daar is veul van an (grotendeels waar).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.