Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1947 » No. 10 » pagina 304-309

Door het land van Radbout, Coen en Paludanus (III-V)

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 2e jaargang, 1947, No. 10, pagina 304-309.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: Jan Mens.

III

Dwars door Drechterland! Een landweg met drie-en-dertig kronkelingen, duizend-en-een peppels, omzoomd door een millioen paardebloemen leidt van Schellinkhout naar Venhuizen. Dit is de „Butterhoek”. Overal bouw- en grasland, zover het oog reikt. Grasland met koeien is van een klassieke schoonheid, het is veelvuldig bezongen door een legioen van dichteren. Maar wie durft zeggen dat een veld met aardappels lelijk is, en een land vol kool? Donkergroen ruist het loof der piepers; het doet deugd te weten, dat moeder Natuur bezig is dat heerlijke product gereed te maken, hetwelk we straks, gebakken in de boter, op ons bord zullen krijgen...

En de kool? Die pronkt met het prachtigste paars, dat een schilder ooit op zijn palet zou wensen: prelatenpaars, het paars van ons verlangen. Hier en daar blikkeren de ruiten van een druivenkas in de zon — het moet in de herfst hier goed toeven zijn. De trossen zijn nog klein, maar ze zullen groeien, dik en zwaar. En dan zullen ze geplukt worden en wij zullen er niet bij kunnen zijn... Jammer!

Venhuizen is een dorp gelijk de andere in Drechterland. Maar het bergt een bijzonderheid binnen zijn muren. Want hier, ergens, moet mevrouw J. Visser-Roosendaal wonen, de schrijfster van vele goede streekromans. We komen het dorp binnen en vragen haar adres. „Mevrouw Visser-Roosendaal? Dan ga je zo en zo, twei menute nog. Maar je kanne niet an 'r zien dat ze skroift, 't is 'n gewone mins.”

Er valt een pak van mijn hart: gewone mensen zijn zeldzaam. Even later zitten we bij „'t gewone mins”, drinken 'n bakkie koffie en praten over — ja, waar praten twee verwante zielen over? Boeken en schrijvers en uitgevers. En over critieken, goede en beroerde. „Ik tracht steeds mezelf te blijven,” vertelt mevr. Visser. „Ik ken de streek, ik ken de mensen, ze zijn me dierbaar. En ik gevoel me hier thuis, mijn gezin is me alles.” Vier dochters bezit ze, en Alie, die me een lief complimentje maakt, is de jongste. Visser zelf is een stoere vijftiger, hij houdt er een transportbedrijf op na, is iedere dag in touw. Literatuur en leven liggen hier dicht bijeen, het resultaat daarvan ligt bezonken in mevrouw Visser's boeken. „Het valt niet mee te schrijven, als je een gezin hebt,” zegt ze. „'s Nachts schrijven en overdag 't huishouden, je komt altijd tijd tekort. Maar het werk houd je vast, het heeft mijn liefde. En ik hoop nog lang te mogen schrijven!”

Zo moet het ook. Kunst en leven behoren bijeen, kunst moet ontspringen aan de eeuwige bron van het warmkloppende hart. Node nemen we afscheid, het moet, de plicht roept, de verre einder wenkt. Die intussen niet zó ver blijkt te zijn, Broekerhaven is maar 'n hapje, 'n stapje. Een kleine haven, doch er is een technisch wonder te zien, werd me verteld. Ik ben over het algemeen schuw voor technische wonderen, ze liggen veelal dicht bij het verstand en ver van 't hart: verstand leidt naar Bikini, hart naar het Paradijs! Maar toch, die overhaal daar, imponeert me wel: hij lijkt een stuk speelgoed voor wijlen de reus Goliath. De schuitjes worden netjes opgetild, zweven zijwaarts en worden weer te water gelaten zonder dat iemand er één zweetdroppel bij behoeft te laten vallen.

En dat zegt wat. Want het is warm, het wordt steeds warmer. Waarheen nu? Het water lokt, Enkhuizen is vlakbij en we zijn zo vrij als de zwaluwen die scheren langs ons hoofd. Waarom zullen we niet aan die lokstem gehoor geven? Er is, zegt Oscar Wilde in „Het portret van Dorian Gray”, maar één middel om aan je hartstocht te ontkomen: dat is door er aan toe te geven. Laat ons voor één keer dit gevaarlijke voorbeeld volgen!

IV

Enkhuizen zonder Dromedaris is als Rome zonder de Sint Pieter en Amsterdam zonder Lange Jan. „Waarom heet-ie Dromedaris?” vroeg ik 'n stevige visserman, die met bolhoed en blauwe trui te baaivangen liep langs de Buitenkant. „Omdat-ie 'n bult het”, zei de visserman en tikte beleefd aan zijn hoed. Gelukkig is die bult behouden, want die ouwe knaap uit 1540 heeft er tijdens de bezetting lelijk van langs gekregen. Hij is gewond, er zitten kogelgaten in z'n bast, de poort is gehavend door granaatscherven. Maar hij staat nog stevig overeind en hij zal er nog lang staan, hopen we. Het kwaad verdwijnt, het goede zegeviert, ook in Enkhuizen. De oude klokken van het carillon zijn terug, toen we er binnenreden zongen ze ons een welkom toe.

Een wonderstede, een stenen prentenboek

Een wonderstede, een stenen prentenboek

Wat is Enkhuizen? Een wonderstede, een stenen prentenboek, waarvan iedere bladzijde met liefde is getekend. Trapgeveltjes van het heerlijkste rood, daarachter zou je, na gepensionneerd te zijn, rustig op het uiterste uur kunnen wachten. Deze huisjes zijn toch heel wat mooier dan de kwasi-moderne villaatjes-van-marsepein, dit is volkskunst op haar best. Hoe mooi staan ze te pronk tegen de heldere hemel — de trapgevel is toch wel de karakteristiekste bouwwijze voor ons, Hollanders. Er is veel gesloopt in Enkhuizen, onze vaderen hanteerden nogal vaardig koevoet en breekijzer. Maar er was blijkbaar zóveel schoons, dat het oude karakter toch behouden is gebleven. Achter die geveltjes vermoed je knusse kamertjes met een eiken zoldergebint, zilvergrijs als het haar van een oude douairière. Want eikenhout en douairières hebben de eigenschap, door de tijd aantrekkelijker te worden.

Langzaam slenteren we door de straatjes, schilderijtjes, stuk voor stuk. „Henkuzen”, symbool van een groots verleden. Je ruikt en proeft de grootheid, je leest haar van de forse gevel van het Raadhuis, en van de prachtige St. Pancrastoren. We toeven op de Meidenmarkt, een fijn pleintje, waar Maarten een belangstelling voor aan de dag legt die verdacht aandoet... En voor we het weten staan we opeens voor de ingang van de Chirurgijnskamer .

De Chirurgijnskamer, een paradijs der herinnering. Drie-en-eenhalve eeuw geleden was 't hier anders! Toen Bernardus Paludanus er de scepter zwaaide, de vermaarde geneesheer die, na de ganse wereld te hebben doorgezworven, in Enkhuizen neerstreek. Wat bezielde deze wonderlijke figuur? Een lijfarts van de gravin van Schönburg, daarna huisarts te Enkhuizen. De man die, om Arme Mulder's „Zeven eeuwen levenskunst” te citeren, „in Lithauen en Polen was geweest, die Weenen kende en Rome, die Palestina en Egypte had bereisd, die in Padua promoveerde... Die door alle stadjes langs de Rijn was gegaan, die er alle burchten en alle romances kende, alle draken en alle rotsen en alle jonkvrouwen, hoe deze man hier was neergestreken voor de rest van zijn leven, een goede veertig jaar”.

Een romancier gevraagd! Wie kan het menselijk hart doorgronden, het hart van een zwerver, die afkeert van de grote weg en zich terugtrekt in een stadje aan de Zuiderzee... Paludanus onderhield er grote vriendschappen; met de groten der aarde: de vorsten; met de kunstenaars en met de mannen der wetenschap, zijn huis werd een centrum van cultuur en beschaving. De klassieke doolaard Jan Huygen van Linschoten was er kind-in-huis — misschien was Paludanus de eerste, die het forsgeschreven manuscript van de „Itinerario” in handen mocht nemen, de beschrijving van de voyage ofte Schipvaert naer Oost- of Portugaels Indiën. Maar Paludanus onderhield er niet alleen vriendschappen; wat hem zijn grote bekendheid deed verwerven, was zijn Rariteitenkabinet. Het moet daar een wonderlijke verzameling van „vreemdichheden” zijn geweest zó groot, dat de Hertog van Sleeswijk-Holstein haar, achttien jaar na Paludanus' dood, liet aankopen. En dat is jammer. Want al zijn er veel rariteiten en vreemdigheden te vinden in ons goede Holland, het kabinet van doctor Paludanus had niet mogen ontbreken. Ter leringhe ende vermaen!

V

Men gelieve er geen bedenkelijke conclusies uit te trekken, maar ik vind Enkhuizen bij nacht nóg mooier dan overdag. Honni soit qui mal y pense... maar tegen het middernachtelijk uur toeven we aan de haven. De vuurtoren, het nachtlicht van het IJselmeer, boort zijn waarschuwende stralenbundel door het donker, de groene muggen dansen hun liefdesdans in zijn gloed. Er is een bank op het uiterste einde van het havenhoofd, waarlangs witte zeiljachten als moede meeuwen te dommelen liggen. De eigenaar van een sneeuwwit jacht, een Engelsman, met een gezicht of hij agent is van de Intelligence Service, zit op het dek en rookt een pijp. Hij heet Mr Brown en komt uit Leeds, ik ontdekte zijn naam in het gastenboek van ons hotel. Links bonkt de zware silhouet van de Dromedaris omhoog, daarnaast de ajouren spits van de St. Pancras, tenger lijnenspel tegen de zwavelgele hemel, waarin de maansikkel hangt aan een onzichtbare draad. Het water is blauw, met een weerschijn van glanzend parelmoer, een rood lichtje priemt er doorheen: aan-uit, aan-uit! Een botter glijdt de haven binnen, de geur van taan en vis zweeft vaag voorbij — voorbijvarend schip in donkere nacht. Zo glijden de zielen der mensen langs ons, stil, en toch verlangend naar vereniging.

Links bonkt de zware silhouet van de Dromedaris omhoog

Links bonkt de zware silhouet van de Dromedaris omhoog

Hoe lang zaten we daar, rokend, zwijgend, een ieder met de eigen gedachten. Of waren het wel gedachten, was het geen lucide aanvoelen van de heerlijkheid van Gods schepping? Een haventje in de nacht, de wijdheid van het orgelende IJselmeer daarachter. En daarboven de hemel der oneindigheid, waarin de sterren hun wegen vinden en flonkerend getuigen van een eeuwig plan...

Mijmerij in de avond, zult u zeggen. Goed. En misschien wordt een mens wat sentimenteel als hij, inplaats van te slapen, in het donker over het water zit te turen. Doch ik bezweer u dat het géén sentimentaliteit was, toen ik eensklaps meende engelen te horen zingen! En het waren engelen; hun stemmen zweefden de Dromedaris uit, zilverig zongen ze een hemels menuet. Het was of mijn hart meetrilde met de lichtvoetige muziek, die tinkelde over Enkhuizen dat sliep in de nacht...

Want dit is het schoonste van dat oude stedeke: zijn gebenedijde carillons! Toen de Dromedaris zijn lied ten einde had gebracht, begon de St. Pancrastoren, bronzer, zwaarder, manlijker misschien. „Kent gij het land ter zee ontrukt”, en het geleek een gebed. Maar toch, mijn hart is blijven hangen aan de zilveren stem van de Dromedaris, die zingt van de liefde die eeuwig duurt, en van het geluk dat gaat voorbij...

„Henkuzen”, dank!

 


Hé, is dat Westfries?

400. Die twee oudjes kunnen leuk koetelen (met elkaar hun huishoudelijke bezigheden, enz. doen). We laten ze maar wat koetelen (begaan, hun gang gaan, zonder ons ermee te bemoeien).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.