Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1946 » No. 11 en 12 » pagina 316-318

De waardering van het dialect II

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 1e jaargang, 1946, No. 11 en 12, pagina 316-318.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: A. J. Schneiders.

(Vervolg van deel I)

De minachting van het dialect, van de streektaal is op niets degelijkers gegrond dan op beperktheid van blik, op eigenwaan, welke beiden het twijfelachtig voorrecht der half-beschaafde, der geverniste onbeduidendheid, zijn.
't Is tot deze lieden niet doorgedrongen dat dialecten de oudste, de natuurlijke talen zijn, de echte moeder-taal. Evenmin weten zij, dat in het dialect taalkunst van de eerste rang is voortgebracht. Mistral - die in z'n Provencaals dichtte -, Gezelle - die uitsluitend z'n Westvlaams schreef - hebben de mensheid kunst geschonken die geenszins van voorbijgaande waarde gebleken is. Fritz Reuter, de Westfaler, Robert Burns, de Schot, ze zijn langer blijven leven dan hun honderdtallen tijdgenoten die zich in het beschaafd, de standaardtaal hebben uitgedrukt.

't Is de Romantiek geweest - die machtige cultuurstroming van de negentiende eeuw - die mèt het sprookje (Andersen, Grimm), met de historisch-nationale roman (Walter Scott, Bosboom Toussaint, Oltmans), mèt de humor (Camera, Paaltjens, Snikken en Grimlachjes), mèt de dorpsvertelling (Cremer) en met zoveel-anders meer, dat alles voortvloeit uit de liefde voor het eigene, eigenlandse en eigenstreekse, ook de streektaal in ere hersteld heeft, nadat eeuwenlang uit onbegrepen hoogschatting van de cultuurtaal - gevolg van een op het Latijn berustende humanistische beschaving - het dialect was gelijkgesteld met platte-taal, jargon, uitdrukkingsmiddel voor de armen-van-geest, en dan deze term niet in evangelische maar in hoogmoedig-intellectualistische zin opgevat.

De moderne romancier weet gelukkig béter. Hij beseft, dat om z'n romanmensen in hun bepaald milieu te laten léven, hij hun dialecttaal moet doen spreken. Zoals het bepaalde landschap, de bepaalde zeden en gewoonten, de bepaalde beroepen en bedrijven, kleding en vermaken één met de personages zijn, zo is het ook de taal. Het is meer dan pure folklore, meer dan kleur, het is iets wezenlijks van de mensen-zelf en hun levensgang die erin uitgebeeld worden, dat de schrijver hun denken en voelen in de daarmee zo innig, organisch verbonden gewesttaal uitdrukt. Het is veel meer dan wat men zo graag betitelt met de pittoreske term „lokale kleur”. Niet om folkloristische reden allereerst, maar uit artistieke en psychologische noodzaak, kan de auteur zijn verbeeld leven van een streek en de mensen daaruit niet volkomen scheppen zonder de eigene taal te gebruiken. „'t Is je voordeel”, zal hij den belastingambtenaar van elders laten zeggen, maar de bouwer die van geslacht op geslacht in De Waard of Obdam geleefd heeft, zal hij doen zeggen „'t is je winder”. Zo ziet men dat de ene taal naast de andere gebruikt, een middel tot differentiëring en tot typering is. De „ondergedoken” stedeling spreekt er van „boterhamzak”, maar de inboorling moet er van „stikkezakkie” of „stikkebuul” spreken. Dezelfde Zomerdijker zegt natuurlijk „ik heb het 'strooid”, de dokter die er thuis komt, zal van „heb je het verlóren” spreken.

Hoe belangrijk echter het dialect is, we mogen het niet bóven zijn waarde en kracht uit waarderen. En bij bepaalde auteurs (autrices) bestaat neiging hiertoe. Wat een even ongunstige verenging is als die van enkel de standaardtaal te willen gebruiken. Het dialect moet en mag slechts dan worden aangewend als het psychologisch (en daardoor artistiek) noodzakelijk is. In de plattelandsroman zullen naast de ingeborenen, en met dezen in verkeer, ook optreden lieden van elders, 'geïmmigreerden', die natuurlijk hun taal moeten spreken, evenzeer als ze hun kleding, hun zeden en gewoonten hebben. Deze personages dienen dan ook in hun taal - in de regel het algemeen-beschaafd - opgevoerd te worden. Ook de natuurbeschrijvingen, de uiteenzettingen van heersende toestanden, de beschouwingen over de problemen van het leven - gesteld dat deze niet de binnengedachten, de peinzingen en mijmeringen van streekpersonen zijn - dienen niet in de plaatselijke taal te geschieden. Ten eerste zou dit minder differentiatie, nuancering, geven; ten tweede bleven ze primitief. Want het is nu eenmaal een feit, dat het dialect bij de algemene taal achterstaat in cultuurrijkdom. De algemene taal geeft uitdrukking aan méér dan het dialect doet, en de algemene taal is meer onderscheidend, ookal omdat er veel wetenschappelijke en technische woorden in zijn, die het dialect als taal van een beperkter, eenvormiger kring, niet kènt.

De goede streekroman - kunstwerk dat het streekleven verbeeldt, gezien door oog en hart en geest van den man, die er bóven staat, zal dan ook steeds een vermenging, een 'collaboratie' zijn van het algemeen-beschaafd en van de regionale taal. Bij de beste streekromanciers zal men deze vermenging in fijn uitgewogen evenwicht kunnen bewonderen. Zo bij Coolen (Nederlands en Peels-Brabants), bij De Man (Nederlands: Lopikerwaards).

A. J. Schneiders

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.

Westfrieslanddag 2019