Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1946 » No. 2 » pagina 54-58

Nieuwe Vensters in de oude school

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 1e jaargang, 1946, No. 2, pagina 54-58.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.

De Abdij van Egmond als „Centre d'intérêt” voor het Geschiedenisonderwijs

Een vriendelijke mede-passagierster, die op mijn bankje had zitten luisteren, meende mij de opmerking niet te mogen onthouden, dat mijn antwoord op de vraag of de streekgeschiedenis onze didactiek gunstig kan beïnvloeden, nogal aarzelend uitgevallen was. De opmerking heeft mij verheugd, zij getuigt van juist begrip! Kijk, het is zo gemakkelijk een stelling te poneren als: „ons geschiedenisonderwijs moet met heemdraden doorweven zijn.” Wie aan de slag gaat, moet deze „draden” zelf spinnen, en dat is een heel werk, vooral als de „wol” wat kort uitgevallen is.
Ook de behandeling van het bovenstaande onderwerp, waarom anderen mij verzochten, noopt tot grote behoedzaamheid. Gaarne wil ik op mogelijkheden wijzen, maar de moeilijkheden mogen niet verdoezeld worden.

Materiële en geestelijke opbouw in oude tijd

Wij scheiden dus de kerk van Egmond terdege van de abdij! Dit kerkfort met zijn kloeke omwalling toonde ons den eersten Diederik of Dirk als een beschermer van de ongetwijfeld zeer geteisterde en op lage trap van ontwikkeling staande bevolking. Dit merkwaardige castellum was gebouwd op het meest bedreigde noordelijke punt van het gebied, dat aan de militaire zorgen van een Gerulf of een Dirk werd toevertrouwd. Een barrière tegen strooptochten van Noormannen en West-Friezen. Uit een passage van het oude heiligenleven gewijd aan Sint Adalbertus mogen we zelfs concluderen, dat het kerkfort een geregelde „militaire bezetting” had; daarin is n.l. sprake van een „comes urbanus”. Vroegere vertalers van dit oude Latijnse handschrift wisten met deze term geen raad, maar na de resultaten van Holwerda's bodemonderzoek wordt hij verklaard als „de plaatselijke bevelhebber”. Maar de twee eerste Dirken uit de lange reeks hebben zich zeker niet beperkt tot deze defensieve, militaire taak. Zij hebben ook de zorg voor wat wij, onder de belichting van òns Heden, zouden noemen „de materiële en geestelijke opbouw” van hun gebied ter hand genomen. De beide Dirken immers zijn te beschouwen als stichters van de beroemde abdij, die nu het doel van ons speelreisje is. Helaas is deze beeldspraak te stout; van de oude abdij – die in onze geschiedenis de plaats van een Westminster abdij had kunnen innemen, – is nog minder overgebleven dan de tufsteen-funderingen van het oude kerkfort: zelfs de hooggelegen geestgrond, waarin haar fundamenten gerust hebben, is afgegraven.

In die overoude tijden, in een verre uithoek van een na de „stormen van Volksverhuizing en Arabiereninvasie” zeer arm geworden wereld, kan men zich de opbloei van enige zedelijke welvaart en beschaving niet denken zonder de stichting van kloosters. Het feit, dat die oudste graven daaraan hun zorgen wijdden, stempelt hen zo al niet tot „erflaters”, dan toch tot „grondleggers” onzer beschaving.

Dirk I bouwde, recht tegenover de oude kerk, ongeveer een kilometer verder landwaarts in, een klooster; graadmeter voor de materiële armoede van de tijd is, dat het een houten klooster was, misschien weinig meer dan wat wij een „barak” noemen. Het was bestemd voor Benedictijner nonnen! Wie zich interesseert voor de Adalbertustraditie en de visioenen van de „godgewijde maagd Wulfsit”, moet ik voor eigen lectuur verwijzen naar de voortreffelijke inleiding tot de catalogus van de abdij-tentoonstelling in 1934 van de hand van Dom A. Beekman, O.S.B. De tijden waren echter te bar, en de plaats zo vlak bij de militaire sleutelpositie te onveilig, om dit middelpunt van een prille beschaving ook maar enigszins duurzaam te maken. Deze stichting moet plaats gevonden hebben nà de schenking van 922. Zijn opvolger, Dirk II, verplaatste de nonnen naar een veiliger oord, Bennebroek, bouwde een nieuw klooster, waarvan de abdijkerk in elk geval van natuursteen was; een ongekende „luxe”. Hij plaatste er Benedictijner monniken in.

Het sterfjaar van Dirk I is niet bekend, het kan rond 940 geweest zijn. Wanneer we de „eigenlijke” stichting van de stenen abdij door Dirk II op rond 950 plaatsen, maken we geen chronologische blunders als het bekende „Woordenboek” van K. ter Laan, die de bouw in 889 en óók door Dirk II laat plaats vinden. Het was dus in het midden van de tiende eeuw, die algemeen als een zeer donkere, cultuurarme periode bekend staat. Tegen die achtergrond zien we nu de anders zo schimmige figuren van Dirk II en zijn gemalin Hildegardis toch enigermate afgetekend als bewuste werkers voor al die waarden, die wij in ons woord „beschaving” plegen samen te vatten. Bij scherper toezien ontwaren we ook allerlei historische samenhangen, sprekend uit kleine feiten en trekjes, die voorzichtig saamgevoegd moeten worden. Wie zich de methode heeft eigen gemaakt van „teaching history through problems”1 zal dadelijk met de vraag komen: Wààr kon Dirk II een volledig „gevormde” kloosterbevolking voor zijn nieuwe stichting vinden? Natuurlijk niet in eigen omgeving, waar dit „cultuurcentrum” immers een eersteling was. Deze „Zonen van Benedictus” kwamen zeer waarschijnlijk uit Vlaanderen, en de trait d'union met dit gebied, dat zeker in ontwikkeling vooruit was, vormde zijn huwelijk met Hildegardis, dochter van de Graaf van Vlaanderen. Te Gent bevond zich de aan Sint Bavo gewijde abdij, die toen in volle bloei stond, een modelklooster en uitstralingspunt voor wijde omgeving, overal hervormend, lerend, beschavend, tot in Noord-Frankrijk en Trier toe. „De stichting van Egmond” zegt de bovengenoemde geleerde „sluit zich dus natuurlijk aan bij de kloosterhervormingen” in deze, meer beschaafde gebieden. Zo zien we het afgelegen geestgrondgebied in contact met „de wereld”, het isolement wordt doorbroken, het landje dat later kern van „Holland” wordt komt open te liggen voor de beschavingsinvloeden van wat we later „West-Europa” noemen. Geen feit om over 't hoofd te zien. De tekening kan nog iets scherper gemaakt worden.

Contact met Byzantium

Behalve Arnulf, die opvolger wordt, bezat dit kloeke paar (afgebeeld op de beroemde, in veel moderne schoolboeken gereproduceerde miniatuur achter uit het later te bespreken „Evangelieboek”) nog een zoon: Egbert. Hij werd bestemd voor de geestelijke stand, genoot zeker zijn eerste vorming in de abdij, is later een schitterende figuur in wat toen „de” wereld moet zijn geweest: Hij wordt kanselier van Keizer Otto II; deze was getrouwd met de bekende Theophano, afkomstig uit Byzantium. Met deze kringen heeft Egbert in nauw contact gestaan, en al moeten we ons nu dadelijk geen overdreven voorstellingen maken van „culturele invloeden”, geheel en al zonder betekenis zijn dgl. betrekkingen ook niet. En Egbert vergat zijn nu zo verre geboortelandje niet. Hij zond kostbare geschenken naar de abdij, zij brachten een zwakke weerschijn van de glans der Byzantijnse weelde en verfijning in een nog arme en boerse omgeving. Naar de maatstaf der grote, meer zuidelijk gelegen abdijen en kathedrale scholen was het peil, dat te Egmond bereikt was, nog niet zo hoog. Omstreeks 985 b.v. neemt Egbert (hij is dan aartsbisschop van Trier, stad die een rijke nabloei van de Romeinse beschaving had gekend) het initiatief, om alles wat over de grote locale missionaris Sint Adalbertus2 in herinnering is gebleven, te boek te doen stellen. Klaarblijkelijk was de literaire vorming der Egmondse Benedictijnen nog niet tegen de taak opgewassen een fraai, Latijns Heiligenleven te vervaardigen. Egbert immers zendt een monnik uit zijn Trierse omgeving, waar onderwijs en letterkundige ontwikkeling een relatief veel hogere vlucht hebben genomen, naar Egmond om ter plaatse bouwstoffen te verzamelen. Het was de monnik Ruotbert, oud-leerling van de beroemde school te Reims. De vrucht van dit bezoek aan Egmond is het oude heiligenleven, de Vita sancti Adalberti, met het leven van Willibrord door Alcuinus een van de oudste biographieën van „cultuurdragers” uit de eerste hoofdstukken onzer geschiedenis. Deze Vita van S. Adalbertus is bewaard gebleven, maar... het oudste handschrift dateert uit de vijftiende eeuw. De opmerkzame luisteraar begrijpt al wat een nimmer eindigende reeks van disputen in deze omstandigheid zijn oorsprong neemt. Natuurlijk mag men aan een dgl. oude „vita” niet de eisen stellen van een moderne biographie, wat betreft chronologische nauwkeurigheid en psychologische verklaring! De oude „hagiograaph” (heiligenlevenschrijver) werkte nu eenmaal niet om de moderne weetlust van een eeuwen later levende „historicus” te voldoen. Zijn arbeid had alleen religieuse en liturgische betekenis! Wie deze laatste als hoofdzaak aanvaardt vindt dit oude literaire monument onzer historie zeer betrouwbaar.

Gaat men van een anders gekozen standpunt uit, dan is de hele inhoud ook „weg” te critiseren. Zeer ver gaat in dit opzicht wijlen Prof. Tenhaeff, die betoogt, dat „Adalbertus” en Egmond nooit iets met elkaar te maken gehad hebben. De oude vita laat hem daar wonen bij een vriend „Eggo” genaamd. Ziet ge niet, wat een maakwerk zo iets is, zegt de criticus... Eggo van Egmond, wat een doorzichtig bedenksel! Tenhaeff plaatst Adalbertus liever in Heiloo (Oesdom!) verklaart vernuftig de naam Runxputte = Roriksput (Rorik een oude Noormannenkoning) en merkt dan met lichte ironie op, dat Eggo van Egmond om in de stijl te blijven „Eildert van Eilegelo” had moeten zijn. Wie nieuwsgierig is zoeke in „Tijdsch. voor Gesch.” Jaarg. 1938. En wie werkelijk liefde en zin voor heel oude dingen heeft, kan de omstreden „Vita” het beste zelf gaan lezen, er is een Nederlandse vertaling, bezorgd door de „Benedictijnen van Oosterhout”.

Ons oudste stuk beeldhouwwerk

Mag ik tenslotte, voor het bereiken van onze „pleisterplaats” nog iets opmerken over ons titelprentje ? Van het voorkomen der oude gebouwen uit de tiende eeuw weten we niets, van de latere een beetje! In 1143 werd een nieuwe abdijkerk gewijd, ook de andere gebouwen zullen wel vervangen zijn. Met behulp van onze noties van de romaanse bouwtrant en van, weliswaar oude, maar lang niet contemporaine afbeeldingen kunnen we een reconstructie maken. Bij het vorige artikel op deze plaats hebt u er al een aangetroffen. Van alles is niets meer overgebleven, dan de steen hiernaast afgebeeld, eens geplaatst in de deurboog boven de ingang van de romaanse abdijkerk. De steen bleef in het brok ruïnemuur tot ± 1800, in de laatste periode gedegradeerd tot schietschijf, thans (sinds 1842) veilig opgeborgen in het Rijksmuseum te Amsterdam. Dit stuk rode bentheimer zandsteen is het oudste stuk beeldhouwwerk van Noord-Nederland. Het is waarschijnlijk door de Egmonder monniken gemaakt, en er zijn byzantijnse invloeden aan te wijzen. Men herkent in het midden Petrus met kromstaf en dubbele sleutel, aan zijn rechterzijde knielt graaf Dirk IV, links zijn moeder Petronella. Er onder staat: Dirk bidt, Petronella versiert (dit gebouw). Van beide figuurtjes is weinig overgebleven, ze zijn even vaag en nietszeggend als de namen in een ouderwets jaartallenboek! Maar... men beeldhouwde, men zocht naar ornament, en de kunstenaar was niet onbedreven en werkte naar voorbeelden uit verre landen! Er was te Egmond wel wat tot ontwikkeling gekomen. We bekijken het oude monument met piëteit; de moderne kunsthistoricus constateert „wat schraaltjes uitgevallen”, terwijl Busken Huet in 1882 sneerde, zoals hij dat alleen kon . . . . . . „een karikatuur”.

Een volgende keer over „de bibliotheek”, meer of minder bekende figuren, het kasteel „op de Hoef” en nog heel wat meer.

Kr.

1 Onderwijs in geschiedenis door de problemen te zoeken.
2 Deze is dan ± 2½ eeuw geleden gestorven.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.

Westfrieslanddag 2019