Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » De Speelwagen » 1946 » No. 2 » pagina 36-41

Honderd jaar de Waard en Groet 1844-1944

Eerder verschenen in 'De Speelwagen', 1e jaargang, 1946, No. 2, pagina 36-41.
Uitgave: Historische Genootschappen in Hollands Noorderkwartier.
Auteur: A. J. Waiboer.

Daar zijn er veel geweest, die hebben willen dijken,
Maar hebben voor de zee, met schaden moeten wijken,
Zodat hun have en goed, ja hunne ganse macht,
Is door een zwakke dam heel in de zee gebracht.

CATS

Bij het eeuwfeest van de polder Waard en Groet komt ongetwijfeld de vraag naar voren of deze inpoldering, gezien de grote moeilijkheden, welke zich bij de uitvoering hebben voorgedaan, wel aan de gestelde verwachtingen heeft beantwoord.
Op deze vraag zal ik trachten een duidelijk antwoord te geven, maar acht het goed vooraf een kleine beschouwing te geven over de gang van zaken, zoals deze zich in het algemeen bij meerdere uitgevoerde werken op dit gebied heeft voorgedaan.

Aantrekkelijk maar riskant

Het droogmaken van meren en moerassen is steeds zeer aantrekkelijk geweest. Het is een verheffende gedachte om „moerassen, welke met hun stinkende uitdampingen de omgeving verpesten, of waar het eentonig geluid van het bruisen der golven klinkt, te veranderen in vruchtbare weiden en rijke korenvelden”.
Het geeft een grote voldoening om een werk tot stand te brengen, dat ook na ons blijft bestaan en inplaats van in waarde te verminderen, zoals dikwijls het geval is, in waarde toeneemt en het nageslacht rijke vruchten afwerpt.
Reeds vele eeuwen heeft men in ons land zich toegelegd op het uitbreiden en verbeteren van het eigen grondgebied. Vooral in onze zeeprovinciën is veel geld en arbeid besteed aan het vergroten van het vaderlandse erf. De uitspraak, dat de Hollanders de grond die zij bewonen zelf hebben geschapen, is waarlijk geen dichterlijke overdrijving. Vooral in de tijd toen onze overzeese handel tot grote bloei kwam en de kooplieden in onze steden een flinke winst opleverde, werden in het vroeger zo waterrijke Holland grote gebieden drooggemaakt en in cultuur gebracht. De Amsterdamse effectenbeurs bestond nog niet en de gemaakte winsten, welke men over had, werden in nuttige ondernemingen gestoken of gebruikt voor de uitbreiding of verfraaiing van steden en buitenplaatsen en dikwijls ook besteed voor het aanwinnen van land.
In de zestiende en zeventiende eeuw is de vergroting van het grondgebied in onze provincie dan ook zeer groot geweest. In 1597 werd de Zijpe en in 1610 de Wieringerwaard drooggelegd, terwijl in 1612 de bedijking van.de Beemster voltooid werd, spoedig gevolgd door de Purmer, Wormer, Schermer, Heerhugowaard en tal van kleinere meren.
In later tijden, vooral in de negentiende eeuw, was de belegging van gemaakte winst gemakkelijker. Men kon rentegevende papieren kopen, die veilig werden opgeborgen in de effectentrommel. Toch bleef men streven naar uitbreiding van het grondgebied op de aloude vreedzame wijze en het is voldoende bekend wat in de vorige eeuw door ondernemende landgenoten tot stand is gebracht.
Als men echter ziet, dat deze prijzenswaardige ondernemingsgeest van onze voorouders, zo dikwijls geleid heeft tot bittere teleurstellingen, wanneer men de financiële uitkomsten van de voltooide werken in ogenschouw neemt, dan denkt men onwillekeurig aan de hierboven aangehaalde woorden van Vader Cats, die wel uit ervaring heeft gesproken.
De initiatiefnemers droegen de zware lasten, terwijl eerst het nageslacht de voordelen genoot. Hoewel enkele personen dikwijls veel geld en soms het gehele vermogen verloren, hebben zij uiteindelijk het algemeen belang in hoge mate gediend.
Van de in vroeger tijd drooggemaakte en ingedijkte gronden kan men niet zeggen dat zij thans niet ruimschoots de renten afwerpen van het bestede kapitaal.
In de veronderstelling eenmaal gemaakte fouten in volgende werken niet meer te zullen maken, ging men telkens met nieuwe moed aan den slag, om tenslotte te ondervinden, dat er altijd nog andere dwaalwegen bestaan.
Eén van de grootste vergissingen maakte men geregeld bij de ramingen van de kosten, die min of meer opzettelijk aan de lage kant werden gehouden, om de deelnemers niet af te schrikken.
Het is jammer, dat de ervaringen niet altijd te boek zijn gesteld. Er is betrekkelijk maar weinig bekend over de administratie, het financieel beheer en het in cultuur'brengen van de landaanwinningen.
In later tijd heeft in de Beemster de veehouder-historicus Jacobus Bouman (1799-1877) getracht om de geschiedenis van de bedijking,opkomst en bloei van deze polder vast te leggen, terwijl de heer A. R. Sloos, notaris te Winkel en secretaris van de Waard en Groetpolder een werkje heeft uitgegeven, waarin hij hoofdzakelijk het financieel behrer van het polderbestuur tegenover de geldschieters rechtvaardigt, maar bovendien interessante bizonderheden mededeelt over de droogmaking en het in cultuurbrengen van het nieuwgewonnen land.

Een kunstschilder als bedijker!

We weten, dat het vroegere meer Flevo door een hoge vloed en daarop volgende overstromingen, vergroot werd tot de omvang van de latere Zuiderzee.
Nadat de Zijpe, Wieringerwaard en geruime tijd later het Koegras waren ingepolderd, slibden de verdronken landen, bekend als Waard- en Groetgronden al hoger en hoger aan, zodat men tegen het einde van de achttiende eeuw aan inpoldering begon te denken. Pas in 1842 werd door de heren H. Koomen, candidaat-notaris te Winkel en C. J. L. Portman, kunstschilder te Beverwijk, aan Koning Willem II een concessie tot indijking gevraagd. Tevoren moesten de omliggende polders, welke hoge eisen stelden, tevreden worden gesteld.
De concessie werd verleend en op 30 November 1843 kon de Maatschappij tot inpoldering en bebouwing der Waard- en Groetgronden in Noord-Holland worden opgericht. De maatschappij bestond uit dertig leden, welke vijftig aandelen namen. Elk aandeel was 5000 gulden groot en zou bij ontbinding van de maatschappij recht geven op 20 ha land, bezwaard met de daarop rustende polderschuld.
Het bestuur bestond uit de heren E. T. Scheltinga-Winterberg, voorzitter, H. Koomen, secretaris, Jhr Mr H. Hoeufft van Velzen, G. J. L. Portman en Mr A. J. C. Maas Geestranus.
Van de Domeinen werden 1560 ha zee aangekocht voor 17.500 gulden. Een stukje aangeslibde grond, genaamd de Tjarde, werd gekocht van den graaf D'Oultremont, Heer van Schagen, voor 600 gulden. Hierop is het Polderhuis gebouwd.
De heer J. G. van Gendt, ingenieur van de Waterstaat werd met de opper-directie belast, terwijl de heer P. v. d. Sterr het oppertoezicht kreeg. Boven het bedrag van 250.000 gulden, dat door de aandeelhouders was verstrekt, werd nog 600.000 gulden geleend. Men dacht aanvankelijk voor 8½ ton de kosten wel te kunnen bestrijden.
In de zomer van 1844 kwam de 11 km lange dijk, na vier maanden hard werken met schop en kruiwagen, gereed. Het beschikbare geld bleek ontoereikend en voor het maken van een sluis, molens, tochten, sloten, wegen en het verzwaren van de dijk moesten nog twee leningen, tezamen groot 630.000 gulden, worden gesloten. Voor bijna 1½ millioen had men 1525 ha, waarvan 1378 bunder bebouwbaar land gewonnen. De kosten van het inpolderen kwamen derhalve op ruim 1000 gulden per ha.
Op 17 Mei 1848 werd de Maatschappij ontbonden, het land aan de eigenaars uitgegeven en een polderreglement vastgesteld. Het door Z. M. de Koning benoemde bestuur bestond uit de volgende heren: E. T. Scheltinga Winterberg, dijkgraaf, F. Sieuwerts, K. Singer, P. Slotemaker, A. Halder, Heemraden en A. R. Sloos, secretaris-penningmeester. Tot Hoofdingelanden werden verkozen: Mr H. Hoeufft van Velzen, L. F. Bisschoffsheim, C. N. Lacy, H. Koomen, C. L. Loder, Mr H. A. van Bleiswijk, H. Portener en Bruno Tideman. De dijkgraaf kreeg weldra verschil van mening met het bestuur en diende zijn ontslag in. Hij werd opgevolgd door den heer F. Sieuwerts, die op zijn speelwagen het bekende gedichtje liet schilderen, dat u op de omslag van dit tijdschrift terugvindt.
De kosten van het onderhoud, het verzwaren der dijken en de betaling van de renten moesten nu voortaan uit de te heffen polderlasten worden bestreden.

Het hinkende paard en het zout der aarde

De jonge bouwvoor bestond uit vruchtbare klei en zware zavelgrond, maar het zoutgehalte was van dien aard, dat de eerste jaren geen oogst kon worden voortgebracht. De te betalen polderlasten waren zeer hoog, zodat men grote verliezen leed, waardoor sommigen moedeloos werden en hun land aan het bestuur teruggaven.
Om een debâcle te voorkomen stelde het bestuur de geldgevers voor de rentevoet te verlagen van 5 % tot 3 %. Het duurde tot 1849 voor de geldschieters hierin toestemden, omdat zij tenslotte wel inzagen, dat dit de enige manier was om hun kapitalen te redden.
De polderlasten werden verlaagd tot 51 gulden per ha, terwijl er meer zorg besteed kon worden aan de dijk, die nog steeds water doorliet.
De opbrengst van de oogst in 1850 toonde aan, dat het zoutgehalte sterk was gedaald. De graanprijzen gingen omhoog, zodat het voor de boeren eindelijk dag scheen te worden.
Ofschoon in deze jaren vele stormen de dijk op de proef stelden en men dikwijls gevaar liep, dat hij zou doorbreken, kon men hem door voortdurend verzwaren toch behouden.
Het aan het bestuur teruggegeven land werd weer aan andere personen in eigendom afgestaan. De schuldeisers begrepen dat hun beste waarborg bestond in het verbeteren van hun onderpand en zo werd door het gemeenschappelijk dragen van de lasten een grote ramp voorkomen.
Van het in cultuur brengen is bekend, dat zij, die hun land ploegden, egden en inzaaiden, het langst met een hoog zoutgehalte bleven zitten en het laatst een goede oogst kregen. Wanneer men de grond spitte, was het resultaat beter, maar dit voordeel woog niet op tegen de kosten. Het meeste succes hadden zij, die zorgden voor diepe greppels en het land lieten liggen, tot het in staat bleek een gewas te kunnen opleveren. Zij waren het eerst van een hoog zoutgehalte verlost en maakten de minste onkosten.

De kroon op het werk

Het bestuur heeft in de eerste jaren vele moeilijkheden moeten overwinnen. Door grote inspanning en verstandig beleid is dit gelukt.
Vooral de financiële zorgen waren groot en voor een deel het gevolg van de gemaakte fout, waar wij in onze inleiding op wezen.
Was in de eerste jaren de schuld groter dan de waarde van het land, na twintig jaar werden reeds enige kavels voor 400 à 500 gulden per ha boven de schuldenlast verkocht. Toen de gesteldheid van de bodem verbeterde en de opbrengsten toenamen, heeft men in versneld tempo de schulden trachten af te lossen, zodat in 1912 alle daarvoor in aanmerking komende leningen waren afgedaan.

Wanneer wij thans de prachtige polder aanschouwen, kunnen wij onze voorouders niet dankbaar genoeg zijn voor de grote opofferingen, welke zij zich getroost hebben om dit vruchtbare bezit aan ons te kunnen na laten.
Wij hebben in het kort een en ander willen vertellen, om u een indruk te geven van een langdurige maar vreedzame strijd, - bovendien hebben wij de in het begin van ons artikel gestelde vraag of deze strijd tegen het water wel de moeite waard is geweest, zonder aarzelen bevestigend beantwoord .
In het Gedenkboek, dat binnenkort verschijnt, zult u hier zeker uitvoeriger over kunnen lezen.

A. J. Waiboer
Dijkgraaf van de polder Waard en Groet

Tijdens de oorlog zijn er enkele belangrijke jubilea vrijwel ongemerkt voorbijgegaan en daarom achten wij het geen bezwaar om alsnog enige aandacht te schenken aan deze herdenkingen, welke in normale tijden zeker aanleiding zouden hebben gegeven om de bloemetjes eens buiten te zetten.

 


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.

Westfrieslanddag 2019