Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 74-75

Stal-Groneman (1/5)

Johan. L. Th. Groneman begon bij zijn komst op 'Groenhoven' in 1865 met een beslag vee, zoals er toen dertien in een dozijn gingen, ofschoon er in die jaren in Noord-Holland – en met name in West-Friesland – al zeer rationeel werd gefokt. Steeds had men er in die contreien al op gelet, mannelijk fokmateriaal aan te houden van produktieve moeders, waarbij echter het exterieur van de dieren niet werd verwaarsloosd. Een krachtige stimulans voor deze fokkerij op melkproduktie – hoewel er toen van een melkcontrole nog geen sprake was, alle gegevens op dat punt ontbraken en men dus zuiver 'op het gevoel werkte' – vormde de levendige handel in fokvee op Noord-Amerika. De Amerikanen waren namelijk bereid om hoge prijzen te betalen en verscheidene exemplaren van uitstekende kwaliteit – melkkoeien zowel als stieren – werden in die jaren naar de Verenigde Staten geëxporteerd. Een fokker met naam was in die dagen J. Wit Azn. te Midwoud, op wiens bedrijf in 1875 de licht-bonte stier Jacob I het levenslicht aanschouwde. Een paring tussen Trijntje 35 en Jacob I leverde in 1877 de stier Jacob II op en dat werd in feite de grondlegger van de zogenaamde Jacobstam. Daarbij worde aangetekend, dat zijn moeder Trijntje een produktie noteerde van 35 liter op één dag! De grootmoeder van Jacob II (de moeder van Jacob I, een koe genaamd De Goede) had het op de in 1870 in Parijs gehouden internationale landbouwtentoonstelling zelfs gebracht tot een bekroning en liet een produktie van 40,3 liter op één dag aantekenen.
Het Noordhollandse zwartbonte veebeslag staat thans met zijn melkproduktie aan de nationale top, maar in die jaren wisten de fokkers in ons gewest er ook al weg mee. De Amerikanen waren bereid hoge prijzen voor de beste koeien en stieren te betalen. De veehouder J. Stapel uit Oudendijk verkocht omstreeks 1880 een koe, Trijntje, voor vijfduizend harde guldens aan ene Corn. Baldwin uit Nelson (Ohio). Jn. Wit Azn. te Midwoud verkocht de jonge stier Jacob IV, eveneens een zoon van de reeds genoemde Jacob II, voor ƒ 1500 aan de Amerikaanse fokker Babcock. Dat zijn bedragen die er in die jaren bepaald niet om logen.
Een andere zoon van Jacob II was de ook op het bedrijf van Jn. Wit Azn. geboren Ruiter. Het dier zou nadien voor een beste prijs naar Zuid-Afrika worden verkocht, maar niet dan na op het bedrijf van Wit nog een zoon te hebben nagelaten: Ruiter II. Een paring van Ruiter II met de koe Trijntje van de veehouder G. Nes Pzn. te Twisk leverde op 3 maart 1883 het stierkalf Ruiter IIa op, dat zestien dagen later, voor de somma van ƒ 30, door de heer Joh. Groneman werd gekocht en de veestapel op 'Groenhoven' verrijkte.
In het voorjaar van 1885 werden de eerste nakomelingen van Ruiter IIa op 'Groenhoven' geboren. Ruiter IIa bleef tot 2 mei 1887 op het bedrijf. Toen werd de stier op de Amsterdamse markt voor ƒ 410 voor de slacht verkocht. Inmiddels was het dier in 1886 ter opluistering ingezonden op de tentoonstelling van 'Hollands Noorderkwartier' te Schagen en met een bestuursprijs bekroond. Op de in september 1886 in Gorinchem gehouden tentoonstelling van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw werd hij bekroond met een tweede prijs.

Ruiter II a 10, 1198 NRS, geboren op 28 maart 1886 op 'Groenhoven'.

Ruiter II a 10, 1198 NRS, geboren op 28 maart 1886 op 'Groenhoven'. Kruishoogte op 14 maanden 128 cm. Een achterkleinzoon van Jacob II, 56 NRS (1877), uit stal J. Wit te Midwoud, die zelf tot grootvader had de bij de Amerikanen vanwege zijn dochters zeer in trek zijnde stier Rooker.

Ruiter IIa liet op 'Groenhoven' elf mannelijke nakomelingen na, van welk aantal er slechts één door Groneman in het eigen bedrijf werd gebruikt: Ruiter IIa 10, geboren op 28 maart 1886. Het stiertje kon evenwel niet in het kalverboek van het NRS worden opgenomen, omdat de moeder, Christina II, pas in januari in het stamboek was ingeschreven en er dus geen springbewijs kon worden ingeleverd. Groneman hield de stier toch aan. Hij won er op 20 augustus 1888 in Schagerbrug, op de tentoonstelling van de afdeling Zijpe van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw, een eerste prijs mee en verkocht hem in november 1888 voor een bedrag van ƒ 500 naar Argentinië. Ruiter IIa 10 liet op zijn beurt weer enkele mannelijke nakomelingen op 'Groenhoven' achter: Ruiterszonen.

 


Hé, is dat Westfries?

615. Een paar van die echte brakken (rakkers, deugnieten) van schooljongens hadden m'n fiets opgeknapt. Ik gaf ze 'n bogie ('n pluimpje) en wat bokkeneuten (pinda's, sausjes). Ze gingen bloid (blij) op huis an (naar huis).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.