Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 67-73

De fokker

'Groenhoven' is een gewone boerderij van het stolphoeve-type, voorzien van enige aan- en uitbouwsels, de voorzijde gericht naar de zonnige zuidkant. Langs de wegzijde staat een blinde muur. Aan weerszijden van de toegang tot de rijk met bomen en struiken begroeide hof staan twee bescheiden dampalen, voorzien van het opschrift 'Groen-hoven': Het is een boerderij als zovele andere in Noord-Holland. De naam zou nooit beroemd zijn geworden in Noord-Holland en ver daarbuiten, wanneer niet J. L. Th. Groneman zich er in 1865 had gevestigd. Door zijn activiteiten werd de naam van de hoeve een begrip. Hij werd bekend tot ver buiten de landsgrenzen – tot in Amerika en Rusland. 'Groenhoven' werd de naam van het persoonlijkste fokkersbedrijf van ons land. Fokkerij noemt men het bedrijf, dat zich bezighoudt met het produceren van dieren, die zo goed mogelijk voldoen aan de eisen die de mens eraan stelt. Fokken is dan ook een begrip, dat in zijn ruime betekenis omvat:

  1. Het uitzoeken van dieren, die geschikt zijn voor de fokkerij (selectiemethoden).
  2. Het uitzoeken van de dieren, die met elkaar zullen worden gepaard (fokmethoden).
  3. De verpleging, met inbegrip van de voeding, van de zich in het moederdier bevindende vrucht, van het opgroeiende jong en van het volwassen dier, opdat de aanleg voor de diverse eigenschappen zich goed kan ontwikkelen.

Het getuigschrift, een bijzonder fraai exemplaar met midden-rechts de beeltenis van het oude raadhuisje van Spanbroek. Van 26 tot en met 29 juli 1898 werd in Spanbroek, ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de afd. Opmeer van de Hollandsche Maatschappy van Landbouw een nationale tentoonstelling van paarden, rundvee, schapen, varkens en pluimveegedierte gehouden. De gebroeders Florentius Adrianus Franco en Arie Dirk Groneman zonden o.m. een toom kippen van vreemd ras in, waarmee zij een tweede prijs verwierven. Het getuigschrift, een bijzonder fraai exemplaar met midden-rechts de beeltenis van het oude raadhuisje van Spanbroek, draagt (links onder) de handtekening van voorzitter Van Balen Blanken: de 'eerste-steen-legger' van het Historisch Genootschap 'Oud West Friesland'.

De fokker is de man, die dat veelomvattende begrip tracht te realiseren. Slechts weinigen gelukt het, het ideaal te benaderen. Dat zijn slechts degenen, die dat ondefinieerbare bezitten – dat wonderlijk mengsel van schoonheidsgevoel, inzicht en... geluk. Het is uit geen enkel boekje te leren. Men heeft het of men heeft het niet. Ook de grootste fokker tast nog wel eens mis. Men is geneigd om simpelweg uit te gaan van de stelling, dat twee plus twee vier is. In de fokkerij blijkt pas echter na verloop van enige jaren, of dat inderdaad waar is. Dan kàn de uitslag echter óók een teleurstellende drie zijn. De fokker werkt immers met levend materiaal, dat zich niet laat dwingen. Onvoorziene, spontane reacties blijven daarbij altijd mogelijk.
Johannes L. Th. Groneman had dat ondefinieerbare. Voor hem was het fokken het beoefenen van wetenschap en kunst. Hij hield van dieren – van koeien, paarden en schapen. Als jongeling had hij zich destijds in Zutphen al bekwaamd in de ruitersport. Op zijn bedrijf in de Wieringerwaard gebruikte hij paarden. Op 'Groenhoven' wordt thans nog uitsluitend met paarden gewerkt. Een trekker komt er niet op dit levende fokbedrijf. Men mag het een anachronisme achten – een uiting van levende liefde voor het edele dier is het óók!
De heer Groneman wèrkte echter niet alleen met paarden – hij fokte er ook mee. Hij was een actief lid van de 'Nationale Vereeniging tot Bevordering der Paardenfokkerij in Nederland' en geregeld kon hij de secretaris van het Nederlands Paardenstamboek de geboorte van een veulen melden, dat dan in het daartoe bestemde register werd ingeschreven. Met de door hem gefokte Oldenburger paarden wist hij op verschillende tentoonstellingen tal van prijzen in de wacht te slepen.

Een juweeltje van een getuigschrift, waarop de toen nog niet afgebrande Ned. hervormde kerk van Schagen staat afgebeeld. Op 'Groenhoven' heeft men zich in vroeger jaren niet alleen bezig gehouden met de rundveefokkerij. Men deed er ook aan paardenfokkerij en – als liefhebberij – aan pluimveefokkerij. Op een in oktober 1881 in Schagen gehouden expositie legde Joh. L. Th. Groneman met een inzending van vier ooien van inlands ras beslag op een eerste prijs plus vijftien gulden en een juweeltje van een getuigschrift, waarop de toen nog niet afgebrande Ned. hervormde kerk van Schagen staat afgebeeld. Van dergelijke fraaie getuigschriften worden er nog tientallen op 'Groenhoven' bewaard.

Hij hield zich op zijn bedrijf ook bezig met de schapenfokkerij. Hij fokte eerst met Texelaars, nadien met ras-zuivere Lincolns, een uit het Engelse graafschap Lincolnshire stammend langwollig ras. Het Lincolnschaap werd in die jaren onder meer gebruikt om het toenmalige Texelse schaap te verbeteren. Dat streven is met succes bekroond, want het uit deze kruisingen ontstane Texelse schaap (nieuw type) heeft inmiddels als vleesproducent een wereldnaam verworven. Op 'Groenhoven' hield men echter vast aan het fokken van zuivere Lincolnschapen volgens de type-eisen:

'De Lincoln heeft een zware, in den grond witte, veelal gestapelde, niet zeer fijne wolvacht, waarvan de draden eene groote lengte hebben en niet vele doch wel sterke kronkels vertoonen. De kruin is gering bewold, terwijl de schedel een groote, veelal fraaie woltop draagt. De wangen mogen niet dan slechts aan de onderrand met wol zijn bezet. De pooten zijn wit en matig sterk van wol voorzien. De staart is matig van lengte met vrij veel wol. De kop heeft, evenals de pooten, een zuiver witte grondtoon'.

Het er bij behorende (en hierbij afgebeelde) getuigschrift draagt o.m. de handtekening van Hendrik. In 1913 werd in Den Haag een nationale en internationale landbouwtentoonstelling gehouden. Met zijn inzending rundvee legde F. A. F. Groneman beslag op de door koningin Wilhelmina beschikbaar gestelde gouden medaille. Het er bij behorende (en hierbij afgebeelde) getuigschrift draagt o.m. de handtekening van Hendrik, Prins der Nederlanden, Hertog van Mecklenburg: als voorzitter van de Koninklijke Nederlandsche Landbouwvereeniging. De gouden medaille wordt in 'Groenhoven' ook nog altijd bewaard: als kostbaarste trofee, ooit veroverd.

Volgens de Groneman-stelregel 'het beste is net goed genoeg' werd af en toe eersteklas mannelijk fokmateriaal rechtstreeks uit Engeland ingevoerd. Niet iedereen bleek – ook in die jaren – van de juistheid van die stelregel overtuigd te zijn. De Lincolns waren in die tijd het duurste van alle (en dat zijn vele) Engelse schapenrassen. Er werden, ter verbetering van het oude Texelse ras, ook wel Lincolns geïmporteerd. Maar omdat men er in de regel niet het geld voor over had om topdieren aan te kopen, werden er nog wel eens exemplaren van wat mindere kwaliteit ingevoerd. Daartegen waarschuwde fokker Groneman ten sterkste:

'Men dient te bedenken, dat men voor deze dieren van inferieure kwaliteit toch nog prijzen betaalt, waarvoor men van andere rassen de beste exemplaren kan kopen. Ook zouden wij het invoeren van goed vrouwelijk Lincoln-fokmateriaal zeer gewenscht achten om te beproeven of niet hier in Noord-Holland zelf, waarvan bodem en klimaat veel overeenkomst hebben met het graafschap Lincoln, het ras evengoed gefokt kon worden als in Engeland zelf. Zoo dit slaagde, zouden de boeren hier veel meer algemeen beste Lincolns kunnen koopen en zou er veel geld daardoor in het land zelf blijven'.

Ook hier weer die brede blik: de aandacht gericht op het pogen, het algemeen (nationaal-economisch) belang te dienen.
Het is in dit geval bij een poging gebleven. Het Lincolnras heeft in ons land geen vaste voet gekregen, al bleef men het op 'Groenhoven' vele jaren trouwen werden er met de zelfgefokte Lincolns op landbouwtentoonstellingen in en buiten onze provincie vele ereprijzen behaald.
De 'Vereeniging tot verbetering van de Schapenfokkerij in NoordHolland' bleef evenwel de Texelaar – in dit geval de verbeterde Texelaar – op het eerste plan stellen. Daardoor zag de zoon Florentius, die na het overlijden van zijn vader in 1913 het bedrijf op dezelfde voet voortzette, zich genoodzaakt, om op 25 april 1921 de volgende brief aan de heer Evert Dirkzoon Govers, toentertijd secretaris van de vereniging, te schrijven:

'Ik wil beginnen u te zeggen, dat ik groote bewondering heb voor de energie, waarmee u een zaak, die naar uwe meening goed is, aanpakt en tot stand weet te brengen; dat ik groote achting koester voor uw persoon. Ik ben vast overtuigd dat u – wat u ook doet – voor 't werkelijk algemeen belang doet.
In weerwil van het bovenstaande sympathiseer ik niet altijd met uw werk. Van jongs af heeft het Lincolnschaap een enorme bekoring voor mij gehad. Wij hebben, ook vóór we tot het stamboek toetraden, er extra zaken mee gemaakt en zoo grieft het mij af en toe van de voormannen van ons bestuur, die nu eenmaal een passie voor Texelaars hebben, dat ze naar mijn mening steeds trachten de Texelaars omhoog te steken ten koste van de ook onder hun bestuur staande andere rassen.
't Vorig jaar is te Schagen de Texelaarwol uitgespeeld ten koste van de Lincolnwol, waarvoor ik mijn wol – had ik dat geweten – niet had afgestaan. Van de weideproef hoopt 't bestuur weer succes voor de Texelaars, waarvoor deze proef wordt genomen. In de 'Veldbode' schreef onze secretaris, dat als alle schapenfokkers op Texel waren geweest, er zeer zeker spoedig geen andere fokrichting meer zou bestaan dan de Texelsche.
De excursionisten van de Landbouwschool te Groningen, die een paar dagen op Texel bij de schapen doorbrachten, kwamen bij mijne Lincolns en vonden dat toch heel andere dieren; begrepen niet, waarin dan de voordeelen van de Texelaars, waarover ze zooveel hadden gehoord, bestonden. En zij, die op Texel hadden gekocht, hadden, na het bezien van mijne schapen berouw van hun aankoop op Texel. Ik heb deze mijne grieven willen opnoemen. Misschien zie ik het verkeerd in, misschien is uw bestuur – door zijn passie – zich niet bewust, dat het ons grieft. In elk geval meen ik de zaak meer te dienen door rechtuit te spreken dan door te zwijgen.
Wat nu de proeven betreft kan ik u zeggen, dat we reeds vele graan- en kunstmestproeven hebben genomen; dat ik weet, hoe gemakkelijk verkeerde conclusies uit de proeven kunnen worden getrokken; dat ook, mede daarom, deze proeven mij niet sympathiek zijn.
Voorts kan ik nu eenmaal niet dan zeer noode, in mijn oogen minderwaardige dieren tusschen mijn vee dulden en zoo zou ik moeilijk, zelfs al was ik niet tegen de proeven, Texelaars tussen mijn koppel willen hebben om dat te ontsieren.
Het is mogelijk dat ik dwaal. Mogelijk ook moet u bij nadere overweging inzien, dat de handelingen tegenover Lincolnfokkers niet steeds waren als van een neutraal bestuur kan worden geeischt.

Inmiddels, na vriendelijke groet, hoogachtend, enz.'

Als auteur van brieven toonde Florentius zich een waardige zoon van zijn vader. Maar de Lincolnschapen zijn inmiddels van 'Groenhoven' verdwenen. Texelaars hebben hun plaats niet ingenomen. Er zijn op 'Groenhoven' geen schapen meer.
Toen Florentius A. F. Groneman zijn strijd tegen het Noordhollandse Schapenstamboek streed voor de rechten van het Lincolnschaap – óók in ons land en in Noord-Holland in het bijzonder – was de wol nog een uitermate belangrijk produkt. De vette Lincoln was in de eerste plaats een wolproducent. De diverse kunstvezelstoffen moesten nog worden uitgevonden. De ontwikkeling op dit terrein heeft de passie voor de Texelaar, die het stamboek in 1921 had zonder dat het déze ontwikkeling ook maar in de verste verte vermoedde, tot de juiste keuze gemaakt. De wol is een bijprodukt geworden. Aan vet heeft men nu geen behoefte. Het schapevlees is de hoofdzaak. Dáár gaat het momenteel om. De (verbeterde) Texelaar levert dat vlees in voldoende hoeveelheid en van een prima kwaliteit.

 


Hé, is dat Westfries?

23. Dat kind lag lekker te spragen in de zon (koesteren, zonder bedekking met dekens). Na 't middageten doet opa altijd 'n tukkie of: tokkie (middagdutje, middagslaapje, sièsta).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.