Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 58-66

Culturele interesse

Wie op het ogenblik de hoeve 'Groenhoven' bezoekt, wordt daar gastvrij ontvangen door mej. Anna Petronella Groneman, de vrijwillige hoedster van de familietradities en van het familie-archief, waaruit wij zo enorm veel gegevens voor dit boek hebben mogen putten. Geen concreet gegeven, maar toch voelbare werkelijkheid is de sfeer van een wat ouderwetse, degelijke beschaving en van grote belangstelling voor wat er op het terrein van de schone kunsten voorvalt. Wie er wat mag rondkijken, ontdekt telkens weeraan bijzonderheden, waaruit blijkt, dat geestesadel hier een belangrijk erfgoed is geweest, generatie na generatie. Die ontdekt, dat hier steeds een sterk gevoel voor schoonheid heeft geleefd – dat het bestaan op 'Groenhoven' werd gekenmerkt door een uitgesproken persoonlijke stijl.

Ontspanning na inspanning. Ontspanning na inspanning. Na het volbrengen van de dagtaak werd er 's avonds in de huiskamer van 'Groenhoven' dikwijls gemusiceerd en gezongen. Bijgaande foto dateert van 27 december 1906. V.l.n.r.: F.A.F. (zang), zijn zusters Anna (piano), Clasina (zang) en zijn broer Johannes (viool): de Haagse notaris, die dikwijls op 'Groenhoven' kwam logeren.

Er was belangstelling voor tekenen, voor muziek, voor toneel- en dichtkunst. We citeerden al in het voorgaande uit de brief van Johannes Casparus Theodorus, dat hij, op weg naar het huwelijk van zijn oudste zoon, met enkele familieleden toch eerst een paar dagen in Amsterdam bleef, om er de 'Hamlet' te zien en daarna nog een bezoek te brengen aan een uitvoering van toneel, koorzang en ballet ten behoeve van het diamantbewerkers-weduwen en -wezenfonds. Wat hen in het laatste het meeste trok – het sociale of het artistieke aspect – vertelt hij in zijn uitvoerige brief niet. Over de Hamletvertolking maakt hij trouwens een paar opmerkingen, die belangwekkend zijn om de kijk op het toneel die eruit spreekt:

'Het spel was mooi. Destrient (de acteur die de titelrol speelde) heeft een schoon gelaat waarmee hij veel kan doen'.

Waardering heeft vader Johannes ook voor de 'schone poses' van de acteurs.
Hoe het ook zij: de belangstelling was er en zij werd aan de kinderen doorgegeven. Trouwens: vader Johannes had bij zijn zoon en naamgenoot nog een andere liefde proberen aan te kweken – die voor het tekenen en schilderen. De methode zou nu niet meer worden toegejuicht, maar het goede streven was er en het is niet helemaal zonder resultaten gebleven. Tussen de familiepapieren op 'Groenhoven' liggen nu nog twee groengeschilderde blikken kokers met handvat, die op het deksel de initialen 'J. L. T. G.' dragen. Dat zijn de kokers, waarin de jonge Johannes tekeningen en papier vervoerde op zijn bezoeken aan de tekenschool. De ene koker wordt nu gebruikt voor het bewaren van een fikse stapel diploma's – allemaal van bekroningen, op veekeuringen en tentoonstellingen behaald. De andere zit nu nog stampvol met tekeningen.
Als de handtekeningen en de jaartallen kloppen, moet Johannes Ludovicus Theodorus al reeds als negenjarige jongen zeer knap een voorbeeld hebben nagetekend. Want we vonden tussen die tekeningen een exemplaar met zijn initialen en de datum 16 februari 1840, voorstellende de kop van een monnik. De tekening is ons zelfs als kopie van een voorbeeld gewoonweg te knap voor een kind van die leeftijd. Daarom twijfelen wij aan de signatuur; het lijkt ons niet uitgesloten, dat die van de hand van Johannes Casparus is.

Deze romantische penseeltekening van een landschap laat zien... Deze romantische penseeltekening van een landschap laat zien, dat de belangstelling van de jonge Groneman ook uitging naar andere onderwerpen dan kopstudies en paarden. Het is allemaal wat schools, maar wel met gevoel voor nuances gedaan.

Niettemin heeft Johannes Ludovicus een grondige scholing gehad. Want tussen de papieren zitten nog twee diploma's, gedateerd 6 maart 1844 en 12 maart 1845. Beide zijn uitgereikt door het bestuur van de School voor Teeken- en Bouwkunde van het Departement Zutphen der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Het diploma uit 1844 vermeldt, dat hem in de tweede klasse der Handteekenkunde 'eenig plaatwerk' is toegekend als een tweede prijs. Dat uit 1845 zegt, dat hij in de derde klasse der Handteekenkunde met het lot heeft mogen dingen naar de derde prijs. Ook de vierde klasse heeft Johannes Ludovicus nog gevolgd, blijkens een tekening uit 1846 met een opschrift, dat dat feit vermeldt. En wat tekenden de jongelui daar dan wel? Om te beginnen allerlei bustes van bekende Grieken en Romeinen: tekenen naar pleister heet dat – en het ging in het verleden vooraf aan het tekenen naar levend model. Maar ook hebben wij in deze verzameling tekeningen gezien, stammend uit dezelfde tijd, waarvoor heel duidelijk lithografieën, vermoedelijk van Duitse oorsprong, als voorbeeld hadden gediend: prenten van edele helden en smachtende maagden uit de glorietijd der Middeleeuwen.
Als men bedenkt, dat hier een kind van veertien, vijftien jaar mee aan de gang is geweest, heeft men aan de ene kant een zekere bewondering voor een knaap, die zo knap een bepaalde vorm kon natekenen – aan de andere kant maar een uiterst geringe waardering voor een systeem van onderwijs geven, dat zó weinig een beroep deed op de eigen creativiteit van het kind en zoveel verwachtte van dit zuiver mechanische kopiëren!
Trouwens: enkele penseeltekeningen en een potlood schets van (Duitse?) landschappen bewijzen, dat de jonge Groneman heel wat simpeler werkte, wanneer hij aan zichzelf werd overgelaten. Zonder ook maar een moment de artistieke betekenis van deze schetsen te willen overdrijven, moeten wij toch zeggen, dat ze een bepaalde charme hebben door de trouwhartigheid, waarmee het onderwerp wordt benaderd en door de eerlijkheid, waarmee eigen onbeholpenheid hier wordt blootgelegd. Lang heeft de jongen niet meer getekend. De laatste werkjes die wij van hem zagen zijn een paar aquarellen en een sepiatekening van paarden van 1849. Ze doen alweer aan kopieën van bestaande prenten denken. Maar de aquareltechniek is hier met een redelijke kennis van zaken toegepast, geheel volgens de stijl van die tijd. Een wat vroegere penseeltekening van een appelschimmel is zelfs bepaald knap gedaan. Het blad bewijst, dat althans technisch de lessen van de afdeling Handteekenkunde van de School voor Teeken- en Bouwkunde enig resultaat hebben gehad. Toch vinden wij persoonlijk een eenvoudig schetsje van het buitengoed 'Rusthout' nog altijd het best. Het is een heel fijn tekeningetje in potlood, geboren uit de waarnemingen van een jongen die zich hier heel gelukkig moet hebben gevoeld. De liefde voor het tekenen zat trouwens in de familie. Vader Johannes Casparus tekende ook niet onverdienstelijk, broer Isaac bleek later op Java zelfs een knap aquarellist te zijn met veel gevoel voor de sfeer van een landschap.

Dit is een van de laatste bekende penseeltekeningen van J. L. Th. Groneman. Dit is een van de laatste bekende penseeltekeningen van J. L. Th. Groneman: een paardenkoopman met twee paarden voorstellende. Het blad is gedateerd 25 september 1854(?) en vermoedelijk een kopie van een bestaande litho. Het verraadt echter een behoorlijke beheersing van de waterverf techniek.

In andere opzichten bleek trouwens de liefde van Johannes Ludovicus Theodorus voor de tekenkunst wèl duurzaam te zijn. Nog steeds hangen er in de kamers op 'Groenhoven' kleine pastels en silhouetten – allemaal familieportretten, waarvan de oudste stammen uit het einde van de achttiende eeuw. Deze zijn stellig bewaard gebleven uit een sterk gevoel van traditie. Want dat is hier heel sterk geweest – van ouder tot ouder. Maar zij zijn ook behouden gebleven, omdat men deze kleine portretten mooi vond, omdat men door de kunstwerkjes als zodanig werd getroffen. Dat verklaart ook, waarom hier nog een familieportret in pastel van de hand van Rienk Jelgerhuis hangt, gedateerd 17 mei 1798. De groep is in details vrij onbeholpen getekend. Toch heeft dit portret een bepaalde bekoring door de manier, waarop een gezeten Zutphense familie hier – in een sfeer van burgerlijk zelfbewustzijn is neergezet.
Zo is er nog veel meer. De kasten herbergen tal van mooie oude boeken – een fraai uitgaafje van de 'Bykorf des Gemoeds' van Jan Luyken uit 1711, een bundel prachtige stadsgezichten van Amsterdam uit 1764, om maar een paar te noemen – en een aantal mooie geslepen roemers uit de zeventiende en achttiende eeuw. Er was wel degelijk een sterke behoefte aan schoonheid in de huize Groneman – en er zijn tal van details, waaruit dat spreekt.
Maar Johannes Ludovicus heeft zijn behoefte aan schoonheid, zijn kunstliefde, vooral uitgeleefd in het amateurtoneel. Hij was de oprichter en vele jaren lang ook voorzitter en regisseur van de rederijkerskamer 'Philotechnie' in de Wieringerwaard. Al ten tijde van zijn huwelijk was hij president. Aan de route die de bruidsstoet nam, stond een van de leden van de kamer met het vaandel, waarmee hij het jonge paar, toen het passeerde, de groet bracht. Er is uit het familie-archief betrekkelijk weinig op te diepen dat betrekking heeft op de wederwaardigheden van Philotechnie. Wij hebben een pakje Schager Couranten en Zijper Couranten gevonden, waarin vaak uitvoerige recensies van voorstellingen zijn opgenomen. Die beschouwingen stammen uit de laatste jaren waarin de heer Groneman nog actief was. Zij bewijzen, hoe hoog Philotechnie tot in de verre omtrek stond aangeschreven – maar ook, hoe belangrijk het werk van de voorzitter in deze vereniging is geweest.
Uit wat er nog aan gegevens bewaard is gebleven, blijkt wel, dat de vereniging heel wat aandurfde. Men speelde het repertoire dier dagen, maar zocht het wel in stukken met 'sterke' rollen, Nederlandse zo goed als vertaalde. Daarbij zal ook wel op de 'opvoedkundige waarde' zijn gelet. De Zijper Courant maakte hiervan althans in een recensie een keer met veel instemming melding. Trouwens: in het algemeen waren de kritieken op het optreden van Philotechnie zeer gunstig. Met name de Schager Courant maakte van de besprekingen altijd zeer veel werk; het waren gedegen stukken, waaraan Philotechnie stellig wel eens wat zal hebben gehad. Overigens werd de vereniging in het repertoire niet altijd gewaardeerd: toen de vereniging op 18 maart 1909 'Verleden' van Ina Boudier-Bakker opvoerde, werd het stuk gekraakt, omdat er zoveel in 'gezucht en gevreesd' werd. Maar het spel ondervond als gewoonlijk veel waardering.
In 1878-1879 deed Philotechnie mee aan een toneelwedstrijd in Schagen, in de zaal van A. Knikker. De Wieringerwaarder tonelisten kwamen op de planken met 'Schuld en Boete' van H. J. Schimmel en legden met glans beslag op de eerst prijs: ƒ 75,- en een gouden medaille met het inschrift 'De lauwer siert het volhardend streven'. De winter daarop deed Philotechnie niet mee, al werd er wel weer een wedstrijd gehouden. De vereniging gaf haar eigen opvoering van het stuk, waarin ook de winnares van de wedstrijd uitkwam: 'Janus Tulp', een blijspel van Justus van Maurik. De heer Groneman schitterde in de titelrol.
Philotechnie gaf ook herhaaldelijk, op uitnodiging, gastuitvoeringen in de omgeving. Zo bijvoorbeeld op paasmaandag 2 april 1893 in de landbouwsocieteit Ceres te Schagen, van het toneelspel 'De dochters van Haseman', uit het Hoogduits van Adolf l'Arronge vertaald door E. S. Culp. De Schager Courant schreef er o.m. het volgende over:

'"Philotechnie" heeft drie goede eigenschappen:

  1. zij telt hare uitvoeringen niet naar getal, maar naar gehalte.
  2. elk der leden is bezield met warme toewijding en voorbeeldloze oefenkracht van deze kunst.
  3. zij heeft vooral een voorzitter en leider, wiens mede-dilettanten gulhartig erkennen op het gebied der Rhetorica te zijn: de Nestor van ons gewest. Wij meenen den heer J. L. Th. Groneman, die de rol van Anton Haseman op zich had genomen en daarin formidabel was'

Ondanks de goede faam van Philotechnie was het bezoek aan deze voorstelling maar matig – reden voor de recensent, om de gegoede kringen in Schagen, die paasmaandag geen geschikte uitgaansavond vonden, eens ongezouten de mantel uit te vegen. De recensent had er reden toe, want hij had de voorstelling van hetzelfde stuk op 5 maart in Wieringerwaard ook gezien en was er verrukt van geweest.
Om nog eens wat bijzonderheden te noemen: in 1898 schitterde de oude heer Groneman, 67 jaar oud, in de titelrol van het stuk 'De oude kassier' van de toneelspeler-schrijver Rogier Faassen. Het stuk was in 1874 op een internationale prijskamp in Antwerpen bekroond. De Schager Courant schreef er een enthousiast verslag over. De Zijper Courant was minder verrukt: zij wees er op, dat het stuk door Rogier Faassen voor Rogier Faassen was geschreven om er zijn talenten in te laten schitteren en dat als gevolg daarvan de andere rollen in hoge mate onnatuurlijk waren, om de hoofdrol des te beter te laten uitkomen. Dat sneed natuurlijk op zichzelf wel hout, maar ook de Zijper Courant erkende graag, dat de heer Groneman het weer uitstekend deed. Al eerder, in 1894, had de heer Groneman roem behaald als de oude procuratiehouder Glarinus in het drama 'Gevaarlijk spel' van H. Th. Boelen. Toch voelde de heer Groneman, dat ook voor hem het einde van de tonee1carrière onvermijdelijk was: in 1907 en 1908 speelde hij al niet meer mee.
Niet alleen de heer Groneman speelde trouwens een belangrijke rol in Philotechnie, ook twee van zijn dochters stonden herhaalde malen op de planken – eveneens met veel succes. Zelfs deed hij wel eens een enkele maal een beroep op een zuster uit Zutphen die goed piano speelde. Zo in 1886, toen op 14 december in zaal Kos te Schagen een programma van muzikale en letterkundige voordrachten werd gegeven. Mej. J. C. A. Groneman uit Zutphen speelde piano, samen met de heer Henri F. Robert Brandts Buys uit Amsterdam. Zangsolist was E. Barnstein, een bariton uit Den Haag. Maar ook werkten er drie leden van Philotechnie mee, namelijk J. L. T. Groneman, W. Teengs en J. A. Kaan. Het drietal was te zien in de dramatische schets 'Graaf Struensee' van H. J. Schimmel. Verder werd uitgevoerd het dec1amatorium 'Het lied van de klok', een gedicht van Schiller, door ds. J. J. L. ten Kate vertaald, met muziek van Carl Stör. Wie als declamator is opgetreden, wordt op het programma niet vermeld. Maar er is alle reden voor de veronderstelling, dat dat de heer Groneman is geweest. Want hij declameerde vaak en hij beschikte op latere leeftijd over een repertoire van ongeveer veertig flinke gedichten, waaruit hij op verzoek onmiddellijk elk willekeurig nummer paraat had.
Mogen wij veronderstellen, dat hij de schoonheid van het woord ook zal hebben onderkend in het goed geschreven Nederlands? Wij hebben brieven en toespraken van hem onder ogen gehad, waaruit blijkt, dat hij de taal voortreffelijk wist te hanteren. Hij schreef een eenvoudig, gespierd, goed verzorgd Nederlands, dat men ook nu nog met genoegen leest. In dat opzicht zou hij best een leerling van Multatuli hebben kunnen zijn. Hij zal stellig ook de geschriften van zijn broer Isaac, de medicus-archeoloog-musicoloog-journalist, vaak met waardering hebben gelezen, al zal het onderwerp hem niet altijd hebben aangesproken.
Johannes Ludovicus Theodorus was ook een trouw bezoeker van de Nutsbijeenkomsten. Uit een brief aan zijn broer Florentius Goswin te Groningen halen wij ter typering van het geheel de volgende zinsneden over zo'n bijeenkomst aan:

'Er was een redenaar, die las over de Dordtsche synode en over Diogenes. Er reciteerde iemand 'Arme Visschers' van De Genestet, iets van Victor Hugo en 'Wanneer de kinderen groot zijn', van Nicolaas Beets. Ik droeg voor 'Suzanne van Oostdijk' van Tollens, omdat er zich geen andere Wieringerwaarder liet hooren en om zoodoende de eer van Wieringerwaard hoog te houden. Ik ben momenteel bezig, de rol te leren van de Hertog van Wurtemberg uit het drama 'Schillers Jeugd'. Een heel goede rol'.

Men mag aannemen, dat de heer Groneman door al deze aciviteiten de betekenis en de kracht van het woord leerde kennen. Als redenaar en als auteur van brochures maakte hij van die kennis een dankbaar gebruik. In vergaderingen luisterde men graag naar hem. omdat hij zo goed en zo mooi sprak. Intussen confronteerde hij de boeren met nieuwe methoden en inzichten op allerlei terreinen.
Hij waardeerde ook wat anderen brachten. Wanneer vergaderingen of besprekingen hem naar Amsterdam of Den Haag voerden, maakte hij van een dergelijke gelegenheid graag gebruik, om 's avonds een concert, een toneelvoorstelling of een balletuitvoering te bezoeken. Daarvan bracht hij dan bij thuiskomst uitvoerig verslag uit. Er werd in den huize Groneman verder veel en goed gezongen bij de piano. Er was liefde en aandacht voor alles wat mooi was.
Daarmee is overigens nog onvoldoende antwoord gegeven op de vraag, wat dit alles met de fokkerij te maken heeft gehad. Dat verband is er namelijk niet, wanneer men het werk in het beroep strikt scheidt van de andere facetten van het leven van de mens. Dat verband is er aan de andere kant echter wel, wanneer men bedenkt, dat de veefokkerij voor de heer Groneman niet alleen had te maken met het zoeken naar de produktiefste koeien, maar ook met een sterk gevoel voor de schoonheid van een goed gebouwd dier en in het algemeen voor de schoonheid in de natuur. Hij beleefde schoonheid evengoed aan een edele koe als aan een mooi gedicht, een goed toneelstuk of muziek. Zo kan men zijn culturele activiteit in de Wieringerwaard en in de Noordkop ook zien als een aanvulling van zijn werkzaamheid als fokker van stamboek- en gebruiksvee en van zovele andere activiteiten. Tezamen vormen zij het beeld van de harmonische mens, die schoonheid zoekt in kunst en natuur en van beide ten volle weet te genieten.
Dat gevoel voor schoonheid heeft hij ook zijn kinderen proberen mee te geven. Hij had vaak tijd voor wandelingen met zijn zonen en dochters, die hij onderweg op allerlei bijzonderheden aan plant en dier wees. Hij is erin geslaagd, ook deze liefde over te dragen als een warm-levend element in de geest van zijn kinderen. Daarmee heeft hij voor hun vorming waardevol werk gedaan.

 


Hé, is dat Westfries?

760. Om op 't land te komen moesten we over 'n smal steggie (smal brugje of bruggetje).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.