Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 55-57

Polderbestuurder

Reeds spoedig na zijn vestiging als veehouder op 'Groenhoven' in de Wieringerwaard deed hij zijn intrede in het bestuur van de gemeente en van de polder. Ruim veertig jaar heeft hij de Wieringerwaard in deze beide functies gediend. Twintig jaar achtereen fungeerde hij als dijkgraaf., Bij het driehonderdjarig bestaan van de polder Wieringerwaard, welk feit op 2 augustus 1910 met een luisterrijk feest werd herdacht, sprak dijkgraaf J. L. Th. Groneman de feestrede uit. Kort daarna nam hij afscheid, waarbij hij alle arbeiders in dienst van de polder met een persoonlijk geschenk bedacht.
Hij trad ook terug uit het bestuur van de polder Anna Paulowna, welke hij eveneens ruim veertig jaar als hoofdingeland had gediend. Hij diende zijn verzoek om ontslag schriftelijk in. 'Het wordt nu eens tijd, dat ik plaats maak voor een jongere', vond hij. Ook in Anna Paulowna liet hij zich niet officieel uitluiden. Hij had zijn plicht gedaan en daarmee basta.
De voltooiing van één, mede op zijn initiatief aangepakt karwei heeft de heer Groneman echter niet meer mogen beleven. In 1869 werd er door de besturen van de polders Anna Paulowna, Waard en Groet en Waard-Nieuw land (op Wieringen) een commissie gevormd 'tot verdere voorbereiding der indijking van het Wieringer Meer'. De heer Groneman, die al hoofdingeland was van de Anna Paulownapolder, werd belast met het secretariaat. In datzelfde jaar richtte de commissie zich tot de regering, om concessie te vragen voor het indijken, droogmaken en bepolderen van het Wieringer Meer, teneinde die concessie, alleen tegen teruggave der gemaakte kosten, ter beschikking te stellen van een maatschappij tot indijking, die met goedkeuring van het gouvernement hier te lande vervolgens zou moeten worden opgericht.
Op 11 april 1870 stuurde de commissie een rapport naar Den Haag, waarin werd becijferd, dat de totale kosten omstreeks ƒ 23.500.000,- zouden bedragen, ofwel ƒ 1275,- per hectare. 'Wanneer nog mag worden gerekend op een bijdrage van ƒ 5.000.000,- van rijk en provincie, zou de verkoopwaarde, na gehele voltooiing van het werk en na de voorgestelde ontwikkelingstijd (tien jaar) omstreeks ƒ 1000,- per hectare bedragen', zo betoogde de commissie.
Deze had berekend, dat er bij indijking van het Wieringer Meer omstreeks 19.500 ha land zou worden verkregen. Na aftrek van wegen, dijken en vaarten zou er omstreeks 18.000 ha belastbaar land overblijven. 'Zevenachtste deel van de oppervlakte der gronden is van uitmuntende hoedanigheid: gelijkstaande met de beste gedeelten uit het Oostelijk deel van den Anna Paulownapolder'. Den Haag zweeg echter in alle talen, tot grote ergernis van de heer Groneman, de secretaris van de commissie, die zich toen maar weer eens aan de schrijftafel zette om een brief op te stellen, die hij verzond naar de besturen van de reeds genoemde polders. Hij schreef o.m.:

'Dat de Staat zich met de indijking van het Wieringer Meer zou inlaten is ondenkbaar. Corporatiën moeten dus voorgaan en wie anders zullen dat doen dan zij, die belang hebben bij indijking van het Wieringer Meer en wie zullen daarbij meer in aanmerking komen dan de nieuwe polders, tot wier besturen wij thans de eer hebben te spreken. De betrokken waterschapsbesturen zullen de concessie nu zelf dienen aan te vragen, waarbij onderlinge hechte samenwerking echter wel onontbeerlijk is'.

De kosten werden inmiddels becijferd op ƒ 27.000.000,-, inclusief verlies aan rente à 5% gedurende de tijd dat de gronden nog geen rendement zouden geven. Deze kosten kwamen neer op ongeveer ƒ 1500,- per hectare. De commissie wilde bij inpoldering een heel nieuwe weg inslaan. Zij wilde bijvoorbeeld de gronden van de nieuwe polder, gedurende vier jaar na het droogvallen, aan de 'inwerking van lucht en warmte bloot stellen' en in die tijd alle vaarten graven, bruggen bouwen en wegen 'begrinden'. Pas daarna zou tot verkoop van de grond kunnen worden overgegaan. Tot nu toe was een heel andere procedure gevolgd. Er werd – bij inpolderingen – een dijk gelegd, stoom- en andere maalwerktuigen werden gebouwd, er werden provisorisch enkele wegen aangelegd en vaarten gegraven. Dan werd het land verkocht aan hen, 'die de indijking verder willen voltooien, doch niet weten of niet berekenen, wat er nog te doen valt en veel schade en verdriet ondervinden'. De heer Groneman had destijds, als opzichter-rentmeester, van zeer nabij een dergelijk drama meegemaakt in de Anna-Paulownapolder en zo'n 'verdrietige zaak' wilde hij in de toekomstige Wieringermeerpolder zien te voorkomen.
In 1876 stuurde de heer Groneman, als secretaris van de commissie, nogmaals een memorie naar Zijne Excellentie de Minister van Binnenlandse Zaken – een lange brief, die eindigde met de wens:

'Moge spoedig van de Wieringermeer worden gezegd: Is dit niet een der schoonste werken, waarop een land trotsch mag zijn en eene der heerlijkste zegepralen van de hedendaagsche nijverheid?'

Op 9 december 1875 echter hield de Tweede Kamer het verzoek om subsidie voor indijking van het Wieringer Meer aan

'totdat eene beslissing omtrent de inpoldering van het Zuidelijk deel der Zuiderzee zou zijn genomen'.

Ook toen speelde dat zuidelijke deel het noorden van Noord-Holland al eens parten. De commissie was het met die beslissing echter helemaal niet eens. 'Men dient te beginnen met het kleinste deel: het Wieringer Meer', liet de heer Groneman weten aan al diegenen, die het maar wilden horen. Bijna twee jaar later, op 3 oktober 1877, zond de commissie een rekwest naar Zijne Majesteit de Koning, met in de Memorie van Toelichting ondermeer de volgende fraaie zinsnede:

'Zoo heeft het Rijk een wingewest veroverd na een vreedzamen strijd, zonder tranen of bloed. Waar wetenschap en genie als veldheren en de nijvere polderjongens als soldaten zijn opgetreden'.

Het zou nog jaren duren, voordat die 'veldheren' en 'soldaten' de drooggevallen Wieringermeerpolder zouden kunnen binnenmarcheren.
Op een heel ander terrein smaakte de heer Goneman nog juist wèl de voldoening, de bekroning te mogen zien van een op zijn initiatief ontwikkelde actie. Kort vóór zijn vrij plotseling overlijden op de 21ste april 1913 reed de eerste tram over de nieuw aangelegde lijn van Schagen naar Van Ewijcksluis. In december 1912 had hij schriftelijk bedankt voor alle functies die hij nog bekleedde, 'om plaats te maken voor een jongere kracht', zoals de toen 81-jarige schreef. Eén functie hield hij evenwel aan: die van voorzitter van de 'N.V. Spoor (tram)weg Wieringen-Schagen' te Wieringerwaard.
Sinds 1900 had hij, eerst als voorzitter van een actiecomité, vervolgens als voorzitter van de daarna opgerichte NV, geijverd voor de aanleg van deze tramverbinding, die hij van levensbelang achtte voor de verdere ontwikkeling van de streek ten noorden van Schagen, met name voor de Wieringerwaard. Hij hééft de eerste tram zien rijden. Zelf heeft hij er evenwel niet meer van kunnen profiteren. In 1932 werd het lijntje al weer opgedoekt. Het stationnetje aan de Kruisweg in de Wieringerwaard, waar zo vele gasten voor 'Groenhoven' waren gearriveerd om vervolgens met de jachtwagen te worden opgehaald kon worden gesloten. Autobussen namen het passagiersvervoer over.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.