Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 51-54

Kunstmest

Kennis is macht. De wetenschap is er ten dienste en ten nutte van de boer. Johannes L. Th. Groneman blééf constant op dat aambeeld hameren. Als voorzitter van de vereniging 'Hollands Noorderkwartier' – een reeds lang ter ziele zijnde vereniging, die vele vruchtdragende initiatieven heeft ontwikkeld – richtte hij in juni 1895 in een brochure 'een woord tot de landbouwers in het algemeen en tot die van Noord-Holland in het byzonder' over het onderwerp 'Proefvelden'. Omstreeks 1888 was deze vereniging gestart met de aanleg van diverse proefvelden. Aanvankelijk werd dit werk geheel uit eigen middelen bekostigd, nadien ontving men subsidie van het rijk en tenslotte nam het rijk de kosten van deze proefvelden geheel voor zijn rekening. Er werd een Commissie van Toezicht gevormd – voorzitter van die commissie werd... de heer J. L. Th. Groneman.
Op die proefvelden werden de diverse soorten kunstmest beproefd. Kunstmest was een nieuw produkt, dat door vele boeren aanvankelijk slechts met wantrouwen werd bekeken – een nieuwigheid, waarvan velen niets moesten hebben. Daarom klom de heer Groneman weer eens in zijn pen, om de zoveelste brochure op te stellen en het land in te sturen. Hij betoogde onder andere:

'Om zoo veel uit den grond te halen als mogelijk is; om hem te dwingen te geven wat hij geven kan, moet de boer dien grond voortdurend krachtig en zuiver houden en het aan eene goede bewerking niet laten ontbreken. Sterk moet vooral de akker blijven. Want iedere oogst neemt een deel van zijne voedende bestanddeelen mede en wanneer dit niet vergoed wordt door herhaalden aanvoer van nieuwe voedingsstoffen dan verarmt hij langzamerhand: dan houdt hij op met geven en laat hij zijn baas in den steek. Geeft deze hem echter wat hem toekomt, dan is hij altoos dankbaar'.

Geen dure woorden, maar een taal, die de 'eenvoudige landman' met als enige 'opleiding' enige jaren lagere school toch heel goed verstond. Dat was ook weer een gave van de heer Groneman: zich goed verstaanbaar te maken. Hij behandelde in zijn brochure vervolgens de diverse kunstmeststoffen en het gebruik ervan:

'Het is een groot geluk, dat de wetenschap stoffen heeft ontdekt, die het vermogen bezitten den rijkdom van den bodem krachtig en duurzaam te verhoogen; die alzoo in staat zijn den stalmest te vervangen of liever in het gebrek aan stalmest te voorzien en dus aan te vullen wat men hiervan te kort heeft. En dit vooral ook, omdat zij niet alleen goed, maar bovendien goedkoop zijn. Hierdoor vallen zij veel meer dan stalmest onder het bereik van iedereen. Immers, wanneer men bijvoorbeeld voor twintig, dertig gulden het bunder den grond eene bemesting kan geven, die drie, vier of meer jaren nawerkt, dan is er gelegenheid om met minder kosten en met meer voordeel dan vroeger den grond te vergoeden wat hij heeft afgestaan. Bovendien heeft kunstmest ook nog vóór de gemakkelijkheid van het transport en van het uitstrooien over het veld, hetwelk het best geschiedt met hiervoor bestemde kunstmeststrooiers, door één paard getrokken en door één man bestuurd en die – althans in het Noorden van Noord-Holland – bij de agenten in handelsmeststoffen in huur te verkrijgen zijn. Maar... alle kunstmest is lang niet dezelfde. Er zijn verschillende soorten, onder allerlei benamingen. En wat goed is op klei, is nog niet goed op zavel, veen of zand. En wat goed is voor graan is soms niet goed – of zelfs nadeelig voor peulvruchten of andere gewassen en omgekeerd.
Het is vooral voor hen, die nog weinig of geen kunstmest hebben gebruikt, niet zo gemakkelijk te beslissen wat zij moeten koopen en hoeveel zij ervan moeten gebruiken. Gaan zulke personen op eigen gezag hun gang, dan loopen zij gevaar te koopen wat hun niet past of wat niet deugt en bijgevolg bedrogen uit te komen ten nadeele van hun beurs. Hiervoor kan men zich vrijwaren door raad te vragen daar waar die is te verkrijgen. Voor het aankopen van minder deugdzamen of slechten kunstmest kan men zich hoeden door alleen aan te schaffen bij handelaren, die zich onder openbare controle van de Rijkslandbouwproefstations hebben gesteld.
Om tot de kennis te komen van de mestsoort, die men op dezen of dien grond, voor dit of dat gewas, met het meeste voordeel gebruiken kan, kan men proeven nemen. Proefnemingen echter schrikken menigeen af, omdat zij geld kosten en omdat – indien de proef slecht uitvalt of mislukt het geld weg is... Bovendien zijn er vele landbouwers die, in hunne jeugd geen ander onderwijs genoten hebben dan dat van de lagere school die zij vroeg verlieten en zich meer met handenarbeid dan met studiewerk moetende bezighouden, in lezen niet veel lust hebben en, zoo zij een boekje onder de oogen krijgen waarin voorkomt van Thomasmeel en Superphosphaat, van Chilisalpeter en Kainiet, van zooveel procent phosphorzuur, stikstof, kali en wat al niet meer, denken: dat is mij te geleerd, dat laat ik aan de liefhebbers, aan de Heeren over. En zoodoende blijven zij onkundig van dingen, die toch voor hen van het allerhoogste belang zijn. Om nu te hulp te komen aan hen, die bang zijn proeven te nemen welke geld kosten en mislukken kunnen en aan hen, die van lezen en studeeren niet houden, is er een andere weg geopend, die met heel weinig moeite is te bewandelen, die niets kost en door een ieder kan worden betreden: rijk of arm, geleerd of niet. Dat is de weg van het zien en vragen, van het spiegelen aan het voorbeeld van anderen. Dat zijn met andere woorden de proefvelden.
Op zulk een proefveld, van rijkswege aangelegd, kan ieder die het voornemen heeft zich kunstmest aan te schaffen, eerst gaan kijken wat hem past. Hij vindt het terrein, in verschillende afdeelingen verdeeld, beteeld. Zoo het bouwland is met verschillende gewassen. Ten deele onbemest, deels bemest met onderscheiden kunstmeststoffen en hier en daar soms ook met stalmest. Daar kan men dus de werking nagaan en te weten komen wat raadzaam en vaak ook wat niet raadzaam is. De belanghebbende heeft zich dus slechts de geringe moeite te getroosten te gaan zien en onderzoeken bij hen, die raad kunnen geven (de Rijkslandbouwleeraar of leden van de Commissie van Toezicht) om zonder gevaar voor schade de kunstmest te gebruiken. De leerschool, het aanschouwelijk onderwijs, is er. Het komt er nu maar op aan of de boeren er gebruik van gelieven te maken'.

Ook hier weer een poging van de heer Groneman – die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat – om de verderfelijke mentaliteit van 'ut is altoid so weest', waarmee veel Noordhollandse boeren behept waren, te doorbreken. Het 'aanschouwelijk onderwijs' werd hun bovendien op een presenteerblaadje aangeboden. Want in 1895 kon Noord-Holland op tal van proefvelden bogen. Proefvelden op hooiland waren er bij de heren S. de Jongh, Oudorp; Wiebe van Slooten, Heerhugowaard; Jb. Groot Jzn., Stammeer; G. IJff Gzn., Assendelft; C. J. van der Heijden, Hilversum; en C. Groenveld, Sint Maartensbrug.
Proefvelden op bouwland waren te bezichtigen bij de heren J. de Vries, Zwaagdijk; D. Ellerbroek, Hauwert; Sluis en Groot, Enkhuizen; T. Groot, Lutjebroek; K. Smit Pzn. en M. Schoen, Grootebroek; C. Slotemaker, K. Opperdoes en J. Slotemaker, Noordscharwoude; W. Teengs, Wieringerwaard; R. Bronkhorst en A. de Zeeuw, Haarlemmermeer; C. Zijp Kzn, Bennemeer bij Abbekerk; B. Koolhaas, Twisk; en J. L. Th. Groneman op diens bedrijf in de Anna Paulownapolder.
Keuze volop dus. De heer Groneman hield niet van half werk. Wat zijn belangstelling eenmaal had, hield hij vast. Daaraan gaf hij zich met een taaie volharding: onderzoekend, voorbereidend, opbouwend – alles met een minutieuze zorg – tot de uiteindelijke voltooiing; dienend het algemeen belang: dat van agrarisch NoordHolland in het bijzonder. Niet uit op eigen roem en eer, maar helpend waar dit nodig bleek; gevoelig daar waar leed viel te delen; altijd pal staande voor zijn overtuiging – die meestal de juiste was; er niet tegen opziende, iemand op zijn feilen te wijzen; streng, wanneer hij tegenwerking ondervond in zijn strijd voor een goede zaak en zijn goed recht.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.