Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 44-50

Wetenschap als hulp

Noord-Holland is van oudsher een zuivelbereidende provincie geweest. De bakermat van de moderne zuivelindustrie ligt in onze streken. Wouter Sluis uit de Beemster was er, in zijn boerderij 'Deutzenhof', de grondlegger van.
Toen Johannes Ludovicus Theodorus Groneman in 1865 de boerderij 'Groenhoven' betrok, moest alle melk nog op het bedrijf tot zuivelprodukten worden verwerkt. De boter en de kaas werden dan in Schagen gemarkt. Met paard en wagen werden ze er, over slechte wegen, heengebracht. Kwaliteitsprodukten waren het niet. Het gebeurde dikwijls, dat de kazen als 'vormloze klonten' op de markt arriveerden.
Op initiatief van de heer Groneman bereikten enkele veehouders uit de Wieringerwaard overeenstemming. Zij besloten gezamenlijk 'iets met de melk te gaan doen'. In 1887 werd aan de Barsingerweg het kaasfabriekje 'Aurora' in bedrijf genomen. Het fabriekje werd op 9 oktober 1926 na een fusie met de fabriek 'De Volharding' aan de Zuid-Zijperweg, gesloten. Déze fabriek heeft vele jaren geleden óók al weer opgehouden te bestaan.
Aan het hoofd van 'Aurora' kwam een vakbekwaam directeur: de in zuivelkringen legendarische Piet Boekel uit Assendelft, de ontdekker van de kaasbereiding door middel van de zogenaamde 'lange-wei-methode', nadien de rein-cultuur.
Eerder in het jaar 1887 had de vereniging 'Hollands Noorderkwartier', waarvan de heer Groneman mede-oprichter en voorzitter was, Piet Boekel een subsidie van ƒ 2000,- toegekend, om hem zijn 'geheim' te ontfutselen. Als tegenprestatie diende hij namelijk zijn 'Handleiding voor de kaasbereiding' volgens de door hem ontwkkelde 'lange-wei-methode' te publiceren. Omdat de heer Groneman de stelregel had: 'Het beste is net goed genoeg', werd Piet Boekel vervolgens tot directeur van het kaasfabriekje 'Aurora' benoemd. Zijn werk werd een zegen voor de boeren, die hun melk aan dat fabriekje afleverden. Voor de hier vervaardigde kaas werden namelijk beste prijzen gemaakt.
De heer Groneman wilde echter nog meer. Het was natuurlijk wel plezierig, dat het fabriekje 'Aurora' aan de Barsingerweg goede produkten en daardoor goede prijzen maakte, maar daarmee was de Noordhollandse zuivelbereiding in haar totaliteit nog niet gediend. Piet Boekel maakte wel een goed produkt, maar elders in de provincie had men bij de zuivelbereiding nog dikwijls met allerlei tegenspoed en gebreken te kampen, waartegenover men in de praktijk vrijwel machteloos stond. Tot wie moesten die mensen zich wenden?
De heer Groneman gaf in de op 29 maart 1893 in Oosthuizen gehouden voorjaarsvergadering van de vereniging Hollands Noorderkwartier op deze vraag het antwoord.

'Wie zal in geval van tegenspoed en gebreken hulp en raad weten te verschaffen? Tot wien zal men zich dan wenden? Tot wie anders dan, tot de wetenschap?'

De heer Groneman wilde er maar mee zeggen, dat het de hoogste tijd werd, in Noord-Holland, in navolging van de provincie Friesland, een zuivelconsulent aan te stellen. Of een dergelijke functionaris in één keer alle moeilijkheden en problemen uit de wereld zou helpen?

'De mannen van de wetenschap zullen de eersten zijn om te erkennen, dat ze niet overal raad voor weten, dat ze nog altijd voortgaan te zoeken en proeven te nemen en – verrijkt door reeds verkregen resultaten – niet ophouden bouwstoffen te verzamelen en grondslagen te leggen voor voortgezet onderzoek naar verborgenheden in de natuur. Zowel binnen- als buitenland hebben overvloedig aangetoond, dat de wetenschap op allerlei gebied en vooral op dat van den landbouw en van alles wat hiermede in verband staat, onschatbare diensten heeft bewezen en nog bewijst. In dit verband behoeft slechts even gewezen te worden op Denemarken, waar de boterbereiding een vroeger nooit gekende hooge vlucht heeft genomen, sedert de wetenschap aldaar de praktijk krachtdadig te hulp kwam.
Wij mogen ons gelukkig rekenen dat ook hier van regeeringswege meer dan vroeger voor den landbouw wordt gedaan en dat men tegenwoordig vrij algemeen overtuigd is van de noodzakelijkheid om nog meer te doen. Wij hebben alvast eene Rijkslandbouwschool (Wageningen) en vier Rijkslandbouwproefstations en wij waardeeren het voorrecht, dat wij in ons gewest het Rijkslandbouwproefstation te Hoorn bezitten, dat zich vooral met onderwerpen betreffende de zuivelbereiding onledig houdt en binnenkort met een bacterioloog zal verrijkt worden. Nu zou men zoo zeggen, dat wij ermee klaar waren. Maar de ondervinding leert alom, dat zooiets toch niet voldoende is: vooral bij de zuivelbereiding.
De gebreken bij het kaasmaken kunnen allerlei oorzaken hebben. Het kwaad kan ontstaan door de manier van kaasmaken, door niet voldoende reinheid in de plaats waar wordt gekaasd of van de gereedschappen en ook door de koe, die soms ongeschikte of schadelijke melk geeft. Het spreekt dus vanzelf, dat het proefstation niet alle oorzaken van gebreken kan opsporen, want het kan zich niet van den toestand der melk, onmiddellijk na het melken van de koe, van het gebouwen de gereedschappen op de hoogte stellen: tenzij wellicht op de boerderijen, in de onmiddellijke omgeving gelegen'.

De bedoeling van de heer Groneman werd alras duidelijk. Hij wilde aan het Rijkslandbouwproefstation te Hoorn, ten dienste van de bacteriologische afdeling, een proefzuivelboerderij verbinden. Het rijk had daar geen bezwaar tegen. Alleen... de exploitatie van een dergelijke proefboerderij zou door een particuliere vereniging moeten worden gedragen. De vereniging 'Proefzuivelboerderij te Hoorn' kwam er. Voorzitter van de vereniging werd... de heer J. L. Th. Groneman. Een obligatielening, groot ƒ 15.000 werd uitgeschreven en was al spoedig voltekend. Er werd een boerderij ontworpen, waarin twintig koeien onderdak zouden kunnen worden gebracht en de bouwkosten ervan werden geraamd op ƒ 30.000. Voor de benodigde inventaris dacht men ƒ 11.000,nodig te hebben en – volgens betrouwbare inlichtingen – was er in de directe nabijheid van de boerderij, die bij het nieuwe Rijkslandbouwproefstation aan het Keern verrees, 'genoegzaam los land te huur voor ƒ 125,- per bunder'.
Op 20 december 1901 werd een en ander officieel in bedrijf gesteld. Voorzitter Groneman hield een rede, waarin hij benadrukte, dat er kon worden gesproken van een 'unieke inrichting' in ons land. Ook deze op papier gestelde toespraak is bewaard gebleven. Een slechts kort citaat volgt:

'Hier wordt vandaag officieel een boerderij, een bedrijf, geopend, die qua opzet geld kost. Maar deze kosten zullen rijke vruchten opleveren. Proefnemingen kosten geld. Onderzoek is duur. Melk is een lastige grondstof. Wij maken hier in Noord-Holland al eeuwenlang boter en kaas, maar we weten er eigenlijk nog maar zo weinig van. Geleerden zullen de raadselen moeten oplossen, door het leven van de diverse organismen te ontsluieren: hun nuttige of schadelijke werking moeten zij leren onderkennen. De mannen van de wetenschap zijn nu hier in staat hun onderzoek tot in de boerderij – tot en met de koe – uit te strekken. Dat is noodig, willen wij ons in Noord-Holland als zuivelprovincie handhaven'.

De uit Gelderland stammende veehouder Groneman uit de Wieringerwaard voelde zich reeds geheel Noordhollander. Hij sprak over 'wij in Noord-Holland' en spande zich daadwerkelijk in om agrarisch Noord-Holland in het voorste gelid te laten meemarcheren ten faveure van de Noordhollandse boerenstand. Want Groneman had toen al zeer goed begrepen, dat alleen de besten en bekwaamsten zich in de toekomst staande zouden kunnen houden. Daarvoor was het nodig, dat wetenschap en praktijk de handen nog steviger ineen zouden slaan.

Een uit 1904 daterende foto: Joh. L. Th. schrijvend in zijn kantoortje in 'Groenhoven'... Op 20 december 1901, ter gelegenheid van de officiële ingebruikneming van de proefzuivelboerderij die dank zij particulier initiatief aan het Rijkslandbouwproefstation aan het Keern kon worden verbonden (zie afbeelding), verenigden de bestuurders van de vereniging 'Proefzuivelboerderij te Hoorn' zich in hotel-restaurant 'De Doelen' te Hoorn aan een diner, waarvoor ook een aantal officiële gasten was uitgenodigd. Voorzitter Joh. L. Th. Groneman sprak de tafelrede uit. Hij sprak van een 'unieke inrichting: een bedrijf, dat qua opzet geld kost, maar deze kosten zullen rijke vruchten opleveren'. Het menu in aanmerking genomen maakte men zich over die kosten kennelijk nog niet al te veel zorgen...

Een tweede ideaal van de heer Groneman, een eigen zuivelconsulent voor Noord-Holland, moest echter nog worden verwezenlijkt. Daarom even terug naar de openingsrede, die hij op 29 maart 1893 in de voorjaarsvergadering van de vereniging 'Hollands Noorderkwartier' hield. Daarin bleek weer duidelijk zijn stelregel te zijn: 'Het beste is net goed genoeg'. In die toespraak formuleerde hij de eisen, waaraan zo'n functionaris zou hebben te voldoen. Die eisen waren niet gering:

'Wien moeten wij als zuivelconsulent hebben? Een practicus, met genoegzame wetenschappelijke kennis toegerust of een theoreticus, die op verschillende plaatsen en in verschillende landen zich de praktijk der zuivelbereiding naar onderscheidene systemen heeft eigen gemaakt? Op het ogenblik is het moeilijk iemand van een dezer categorieën te vinden: die voldoende op de hoogte is van hetgeen in het bijzonder voor onze kaasmakende provincie noodig is. Zoo iemand zou vrij zeker nog gevormd moeten worden en het scheen daarom het meest gewenscht, een poging te doen om allereerst die vorming te begunstigen en in eene bepaalde richting te leiden; eene richting, die voor Noord-Holland het meest doelmatig is. Het zou dan vanzelf wel wat langer duren eer de aanstelling volgen kon, maar wanneer men iets ondernemen wil, dan moet men het g o e d ondernemen en daarom is het beter eerst over één of twee jaar zulk een persoon aangesteld te zien, maar dan grondig met de vereischte kennis toegerust, dan al dadelijk iemand te hebben, die niet genoegzaam op de hoogte is van hetgeen hij behoort te weten en te doen.
Bij al deze overwegingen is het bestuur tenslotte eenparig tot het geloof gekomen, dat het verkieslijkst is, in navolging van hetgeen in het buitenland met gunstig resultaat is geschied, een wetenschappelijk goed onderlegd persoon te hebben, die zich in verschillende oorden en landen practisch en goed op de zuivelbereiding heeft toegelegd. Een man dus, toegerust met veelzijdige theoretische kennis, maar die tevens in staat is zelf aan de kaastobbe te staan en een goed kaasje te maken.
Nu rijst allereerst de vraag: hoe moet zoo iemand worden gevormd? Bij haar beantwoording moet ik opmerken, dat het bestuur daarbij in ruime mate van den raad des heeren Van der Zande (de toenmalige directeur van het Rijkslandbouwproefstation te Hoorn en oud-zuivelconsulent – de eerste – van Friesland, V.J.N.) gebruik maakt.
Als grondslag worde aangenomen het diploma B der Rijkslandbouwschool. Daarna dient te volgen de praktijk, in de allereerste plaats die van de Edammer-kaasbereiding. Gedurende een niet te korten tijd, b.v. minstens vier maanden, op ééne plaats en vervolgens korter verblijf op verschillende plaatsen: telkens b.v. van veertien dagen tot drie weken, zowel op boerderijen als op fabrieken, waar verschillende wijzen van werken worden gevolgd.
Vervolgens een verblijf, telkens van ongeveer drie maanden, op een paar plaatsen in het buitenland, waar vette-kaasmakerij wordt bedreven: waaronder Zwitserland en Engeland. Ook dient van nabij kennis te worden gemaakt met het gemengde bedrijf: halfvette en magere kaas met boter. Verder dient de persoon op de hoogte te zijn van wat in de verschillende landen gedaan is tot ontwikkeling van de zuivelbereiding: hieronder Denemarken in de eerste plaats. Dit zou wellicht ook zonder bezoek te verkrijgen zijn. Voor de praktijk in Noord-Holland is Denemarken niet zo noodzakelijk, omdat de kaasmakerij in dat land zeer weinig te beteekenen heeft.
Meerdere theoretische vorming en kennismaking met andere zuivelbereidingssystemen (weeke kaassoorten, enz.) strekke tot aanbeveling.
Ziedaar de te stellen eischen. Nu rijst de vraag: wat moeten wij doen om zulke personen te krijgen?
Op dit oogenblik schijnen zich reeds een paar Nederlandsche jongelieden met diploma B tot hun verdere vorming in het buitenland te bevinden en het is vrij zeker, dat er meer zullen gaan. Maar het gebied van den landbouw is zeer uitgestrekt. Eén persoon kan niet van alle onderdeelen goed op de hoogte zijn en het zou dus best kunnen gebeuren, dat bedoelde personen zich bekwaamden in een richting, waaraan wij hier minder behoefte hebben. Daarom zouden wij eene richting moeten aangeven en nauwkeurig omschrijven wat wij wenschen.
Maar daartegenover moet dan eene belooning in het vooruitzicht worden gesteld en dit zou wellicht kunnen geschieden op de volgende manier. Men zou moeten beginnen met de hiervoor omschreven eischen publiek te maken en daarbij eene som van b.v. duizend gulden uit te loven als vergoeding voor opleidingskosten, aan hem, die na verloop van zekeren proeftijd, bewijs geeft voor de zaak geschikt te zijn en eene aanstelling als zuivelconsulent voor Noord-Holland op eene standplaats ten Noorden van het Noordzeekanaal ontvangt en aanvaardt. Bij aangifte van meer dan één persoon zou alleen hij in aanmerking komen, die de meeste waarborgen van bekwaamheid en geschiktheid aanbiedt.
Het ligt niet op den weg onzer vereeniging zelve een consulent aan te stellen. Ik zou hopen, dat dit kon geschieden door het Rijk of de Provincie of door de Hollandsche Maatschappij van Landbouw: hetzij door één van deze of door onderlinge samenwerking. Indien 'Hollands Noorderkwartier' alzoo krachtig meewerkte aan de opleiding van de persoon dien we noodig hebben en de andere corporatiën wilden dan verder voor aanstelling en bezoldiging zorgdragen, met vaststelling – na gemeenschappelijk overleg – van de voorwaarden waarop zuivelbereiders de hulp van den consulent kunnen inroepen, dan zou er zeker wat goeds tot stand worden gebracht'.

Tot goed begrip nog even dit: voorzitter Groneman sprak die woorden in een vergadering die in het voorjaar van 1893 werd gehouden. Alleen stijl en spelling hebben nadien verandering ondergaan. Maar de inhoud van zijn betoog is naar bedoeling en waarde nog volkomen onaangetast. Deze man had namelijk de gave, de ontwikkeling op lange termijn te kunnen voorzien en praktisch te kunnen denken en handelen.
De zuivelconsulent, het 'schaap met de vijf pooten', zoals Groneman zich die functionaris dacht, kwam er; op kosten van het Rijk. Het was dr. A. Schey, wiens beeltenis in brons een plaats heeft gekregen in de (eerste) 'Lagere technologische school voor de levensmiddelenindustrie' in Oudorp, nabij de Alkmaarse Friesebrug.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.