Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 20-26

Cost en baet

Opzichter-rentmeester – wat hield dat in? Populair gezegd: de eigenaren van gronden in de nieuwe polder wilden zo snel en zoveel mogelijk rente zien van het kapitaal, dat zij in hun nieuwe bezitting hadden gestoken. Aan de opzichter-rentmeester was de taak, om dat ideaal van heren grondeigenaren te verwezenlijken. Met de NV werd dat echter een wat moeilijke zaak. Het geld ontbrak, om de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren, die deze nieuwe gronden tot vruchtbare akkers moest omvormen. Er bleek bij de agrariërs te weinig belangstelling te bestaan voor het nieuwe land en daardoor werd dit bezit in Noordhollands jongste gewest voor vele landeigenaren een desillusie. Opzichter-rentmeester Groneman behield echter een rotsvast geloof in een goede toekomst van het gebied. Men moest hem evenwel de tijd gunnen. Dit schreef hij bijvoorbeeld op Sinterklaasdag 1857 aan de landeigenaar H. F. Lulofs te Zutphen:

'De UwEd. behoorende gronden in het Oostdeel van den Anna Paulownapolder zijn tegenwoordig in een verwaarloosden toestand, tengevolge van het weinige werk dat tot op heden daaraan – wegens geldgebrek – is gedaan. De grasgroei is door den slechten toestand van greppels en slooten tegengegaan en door gebrek aan afwatering en uitzakking is de grond voor bebouwing nog niet geschikt. Daaraan moet door het opgraven van greppels en sloten een einde worden gemaakt. De daaruit komende specie moet, bij wijze van overmesting, over het land worden gebragt; jaarlijks moet er, tenminste vooreerst, zoodanige grond over heen gewerkt worden. Daardoor zal het, op min kostbare wijze, voor de bouwerij bekwaam gemaakt worden. Greppels en slooten in goeden staat brengen en houden is, in elk geval, een eerste vereischte.
Ten einde nu bij het maken van plannen in later tijd geen teleurstelling te ondervinden, stel ik den tijd, gedurende welken het als weiland moet worden gebruikt, op 6 tot 8 jaren. In die jaren moet er gesloot en gegreppeld worden; dan moeten alle schotwallen weg zijn, die uit de slooten komen, dan moeten slooten en greppels volmaakt in orde zijn; dan moet daaraan alleen het gewone onderhoud noodig wezen. Maar dan moet er ook ieder jaar versche grond over het land gebragt worden. Door deze bewerking zal de grond veel beter uitzakken, spoedig versch worden. En is de grond bekwaam geworden voor bouwerij, dan zal het, als er een huis op komt, gemakkelijk ƒ 50,- per bunder huur doen. Indien er nu 6 tot 8 jaren noodig zijn dat het land met vrucht geploegd kan worden, dan zal er gedurende die jaren noodig wezen ongeveer ƒ 2800,-, dus ongeveer ƒ 117,- per bunder: wel minder, maar niet meer. Blijkt het, dat er over twee à drie jaar bouwerij kan ingevoerd worden, dan worden de kosten minder. Dan is er natuurlijk voor ploegen, eggen, zaaien, enz. wel geld noodig, maar zulks wordt dan ruimschoots door den oogst vergoed. Dan wordt er klaver gezaaid, die ondergeploegd wordt voor groene bemesting of beweid wordt. Wordt er dan een huis op gebouwd en wordt dan de plaats verhuurd, waartoe ruimschoots gelegenheid zal wezen, dan komen de verdere kosten voor bewerking en cultuur natuurlijk voor rekening van den pachter.
Maandag aanstaande krijg ik menschen om te greppelen. In den aanstaanden zomer moesten de slooten opgegraven worden. Dan kunnen de schotwallen een of twee winters op de kant blijven liggen; daardoor worden zij veel beter om er over gewerkt te worden. In het volgende najaar (in 1858) kunnen de greppels weer opgemaakt worden, om wéér nieuwen grond te krijgen. In de eerste van de zes of acht jaar moet er alzoo, naar evenredigheid, het meeste worden gedaan.
Ziedaar, WelEd. Heer, mijn voorstel over het te verrigten werk op uw perceel. De arbeid daaraan te doen zal ruimschoots worden beloond. Met de meeste hoogachting, enz...'

De landeigenaar Lulofs uit Zutphen, bezitter van ruim 24 hectare grond plus een 'boet' op het perceel 'Hunderen', gelegen aan de Zwinwóeg ter weerszijden van de Kruisvaart, bleef er evenwel op aandringen, dat hij financiële vruchten van zijn bezit zou gaan plukken. De waarde van zijn bezit was op 1 januari 1858 getaxeerd op rond ƒ 11.000. Hij weigerde vooralsnog de waarheid van het goed Hollandse gezegde te aanvaarden, dat 'de cost voor de baet uytgaet'. Lulofs wilde revenuen zien, zo spoedig mogelijk. Daarom verpachtte hij, tegen de zin van opzichter-rentmeester Groneman in, zijn landerijen voor drie jaar. Gronemans werkprogramma, zoals hij dat in zijn brief had uiteengezet, kwam daardoor in de lucht te hangen. Op 8 juni 1860 schreef hij burgergrondeigenaar Lulofs daarom de volgende brief:

'Mij rest thans, WelEd. Heer, met het oog op de plaats gehad hebbende verhuur, nogmaals U te wijzen op mijn programma (om het zoo te noemen) UwEd. voorgesteld bij mijn schrijven van 5 december 1857. 't Zij mij vergund U daartoe nogmaals het standpunt aan te wijzen, van waar ik destijds ben uitgegaan.

Vóór de verkooping van den Anna Paulownapolder, in het jaar 1851, waren er door de daarbij belanghebbenden groote verliezen geleden. Velen hunner hoopten door gronden aan te koopen en te cultiveren die verliezen, althans voor een gedeelte, te herwinnen. De polderlanden werden dan ook voor een groot deel door zoodanige personen aangekocht.

Onderscheiden maatschappijen werden opgerigt en de cultuur op verschillende wijzen beproefd. Daaronder behoorde ook de Naamlooze Vennootschap, waarvoor ik de eer had het opzigt te houden. Al die vereenigingen zijn weder verbroken. De Vennootschap ook. De redenen na te gaan, die oorzaak van die ontbindingen waren, is hier niet noodig.

Wat de Vennootschap betreft, zijn ze UwEd. bekend. In de geheimen van anderen ben ik niet ingewijd; maar dat is zeker, dat bij allen de slechte rekening eene hoofdaanleiding was. Onze maatschappij ontdeed zich van de onvruchtbare zandgronden door publieke verkooping. Terwijl de betere percelen in Oost- en Westdeel getaxeerd werden en daarna onder heeren aandeelhouders verdeeld werden die nu, elk voor zich, konden handelen naar welgevallen. Nu deden zich twee wegen op om in te slaan. Men kon, in de eerste plaats, zijn gronden verkoopen. Dan was men voor volgende schade gevrijwaard, maar dan had men tevens de zekerheid, dat de jongstgeleden schade geheel verloren was. Dan moest men met nieuw nadeel voorgoed er uittreden. Er bestond dus nog een andere weg. Men kon opnieuw zijn geluk beproeven. Men kon trachten, door de toebedeelde gronden aan te houden, in de toekomst vergoeding te vinden; tenminste voor de het laatst ondervonden verliezen. In dat geval was het een uitgemaakte zaak, dat er opnieuw geld moest worden ingestoken. Zonder werken, geen vooruitgang; zonder arbeid, geen verbetering.

Toen nu eenige heeren, en daaronder ook UwelEd.geb., mij met hun vertrouwen vereerden en mijn raad vroegen in de keuze der beide, straks genoemde, openliggende wegen, behoefde ik niet te weten hoe groot het geldelijk bedrag was der verliezen, nu en voor de executie des polders in 1851 geleden. Ik wist dit ook van niemand. Ik had slechts de volgende vraag te stellen:


„Is het land tegenwoordig voor den prijs, waarop het thans is geschat, te duur of niet en bestaat er kans, dat men er later bij zal winnen door het aan te houden en er geld in te steken of zal het den daaraan ten koste te leggen arbeid nimmer beloonen? Zoo dit laatste waar is, dan is het beter hetzelve te verkoopen. Kan er van de daaraan te besteden arbeid voordeel verwacht worden, dan kan daardoor het geleden verlies, zoo niet geheel, dan toch gedeeltelijk, worden vergoed.”

Die vraag heb ik toen onpartijdig en naar mijn beste weten beantwoord en ik heb het er voor gehouden, gelijk ik het nog doe, dat U, uitgaande van den prijs waarop zij toen gesteld waren en die de toenmalige waarde uitdrukte, winst mogt verwachten voor de toekomst, door ze niet te verkoopen maar te cultiveeren. De wijze waarop ik meende dat dit doel het best kon worden bereikt heb ik UwEd. reeds op 5 December 1857 schriftelijk uiteengezet. Dat plan hebben wij van toen af gevolgd, en hoewel verschillende omstandigheden vaak een nadeelige invloed hebben uitgeoefend en nog niet die uitkomsten hebben doen verkrijgen, welke wij wel zouden gehoopt hebben, geloof ik toch dat wij den besten weg zijn ingeslagen. Ik heb steeds eerlijk en naar mijn beste weten gehandeld en de belangen mijner patronen in het oog gehouden. Heb ik gedwaald, dan was het te goeder trouw en... dwalen is menschelijk. De belangen mijner lastgevers met alle krachten trachten te bevorderen, zelfs met opoffering mijner eigene, dat is mijn pligt en ik hoop zulks steeds te doen. Mogt UwEd. derhalve, nu de landerijen verpacht zijn voor drie achtereenvolgende jaren, niet voornemens zijn gedurende dien tijd meer te laten werken, dewijl zulks, voor dat tijdvak, op den huurprijs van geen invloed kan wezen en omdat de voordeelen daarvan voor een groot deel ten bate van den pachter zouden komen, dan moet ik eerlijk bekennen dat UwEd. de administratiekosten wel kan uitwinnen'.

Opzichter-rentmeester Groneman rekent zijn patroon Lulofs vervolgens op een zeer hoffelijke manier voor, dat diens plan, het land voor drie jaar te verpachten, niet veel meer is dan een poging om een spiering te vangen met een kabeljauw. Tot goed begrip diene, dat de pacht voor die ruim 24 hectare toen ƒ 720,- per jaar bedroeg, terwijl de polder- en grondlasten een bedrag van ƒ 242,74 vergden! Bij een rente van 3%, berekend over het geinvesteerde kapitaal van ƒ 11.000,-, schoot er dan een zuivere winst van ruim ƒ 110,- over.

'Zal er nooit meer rente kunnen komen? Want 3% is toch maar weinig. En waar is nog de winst, die er van de arbeid verwacht is geworden? Wanneer zal die komen? Of liever: bestaat er grond om die te kunnen verwachten? En als wij dan een blik slaan op omliggende polders en hunne grondsoorten en opbrengsten in aanmerking nemen, dan mogen wij daarop antwoorden: ja! Wat toch is een huur van ƒ 30.- in de tegenwoordige omstandigheden. Wij behoeven niet eens te vragen naar de pacht der landerijen in de kleistreken. In de Zijpe, op de zandgronden, wordt meer betaald. Een boerewoning met ongeveer 22 bunders land, van de weduwe Bergen in 't Zand, goed bemeste zandgrond, is van 't voorjaar publiek verhuurd voor ƒ 50,- per bunder. En zou dan de waarde van de gronden in het Oostdeel, die toch van veel beter gehalte zijn dan de zandgronden in de Zijpe, wanneer zij door bewerking ('t zij dan van eigenaar of huurder) vruchtbaar zijn geworden, niet hooger kunnen stijgen? Zou dan de toekomst de ondervonden teleurstellingen en verliezen, zoo niet geheel, dan toch gedeeltelijk kunnen vergoeden?'

Burger-landeigenaar Lulofs uit Zutphen wenste echter niet naar de raadgevingen van opzichter-rentmeester Groneman te luisteren en schoof diens werkprogramma aan de kant. Hij verpachtte zijn gronden voor drie jaar. Hij wilde revenuen zien, al bedroegen die dan ook slechts ruim ƒ 120,- per jaar. Wel wilde hij Groneman de adminstratieve werkzaamheden gunnen, maar deze bedankte voor de eer in een brief, die hij op 23 juni 1860 naar Zutphen stuurde. Het is een juweel van een brief. Opzichter-rentmeester Groneman was – het is reeds eerder gememoreerd – een hoffelijk man.

'Ik moet UwEd. hierbij mijn dank betuigen voor de mij gedane propositie, om uwe gronden gedurende 1860, '61 en '62 te blijven administreren voor ƒ 48,- per jaar. Ik gevoel mij daardoor ten hoogste vereerd. De werkzaamheden, die er op zullen verrigt worden, zijn evenwel dezelfde als die, welke op de eigendommen mijner overige patronen worden gedaan; het toezigt evenzoo. Het verschil bestaat alleen in de verhuring. Dit jaar trekt UwEd. de hoogste pacht. Daarom geloof ik, dat ik tegenover de andere patronen onbillijk zou handelen, wanneer ik voor UwEd. de zaken waarnam voor het halve honorarium en gevoel ik mij vooralsnog bezwaard, om uw voorstel, hoe vereerend en welgevallig overigens, aan te nemen. Ik hoop, dat Uw Ed. mij zulks niet ten kwade zult duiden en zal gaarne, als ik dezen zomer te Zutphen kom, nader daarover spreken, terwijl ik inmiddels de eer heb, enz....'

De heer Lulofs wilde zogezegd voor een dubbeltje op de eerste rang ziten, maar ving bot.
De inkomsten van opzichter-rentmeester Groneman bleven aan de lage kant. Hij kon er in ieder geval – 'naar menschelijke maatstaven' – nog steeds geen vrouw van onderhouden. Als vrijgezel zwierf hij – veelal te paard – nog steeds door de Anna Paulownapolder. Om te proberen, zijn inkomsten wat op te voeren, pachtte hij in 1861 zelf enige stukken land in de polder. Hij werd – inmiddels dertig jaar oud – nu ook praktiserend boer.
Vier jaar later eindigde zijn vrijgezellenbestaan. Hij had de boerendochter Neeltje Schenk Kd. uit de Wieringerwaard leren kennen. Op 30 april 1865 traden zij in het huwelijk. Het werd een grote bruiloft. Vader Johannes Casparus Theodorus liet zijn zoon Hendrik Jan – die het huwelijk van zijn broer niet kon bijwonen – in een zesentwintig kantjes tellende brief de gebeurtenissen meebeleven. Die brief is bewaard gebleven en kwam in het archief op Groenhoven terecht, nadat dit uitvoerige verslag was gezonden langs alle familieleden, die het feest niet hadden kunnen bijwonen. Dat was een goede traditie in de familie: men hield elkaar op deze wijze van alles op de hoogte en men schreef veel en graag.
Op 25 april was vader Johannes Casparus Theodorus, in gezelschap van enkele familieleden uit Zutphen naar Amsterdam vertrokken. Johans moeder was intussen blind geworden en maakte het huwelijk van haar oudste zoon niet mee. Twee dagen bleef de familie in de hoofdstad, om zich daar te laven aan enkele culturele manifestaties, waarvan zij in Zutphen verstoken bleef. Zij woonde een opvoering van Shakespeare's 'Hamlet' bij en zij zag een muziek- en balletuitvoering: 'Zeer schoon en majesteitelijk'. Op de 28ste april, des morgens om negen uur, vertrokken de bruiloftsgangers per boot uit Amsterdam voor de laatste etappe naar het noorden der provincie. Om kwart voor twaalf waren zij in Alkmaar en omstreeks drie uur zetten zij aan het Westeind voet aan wal, waar zij door 'Johan en Arie Schenk met fraaie rijtuigen werden afgehaald.' Het 'geel drinkwater', dat in de boerderij van Schenk in de Wieringerwaard werd gedronken, beviel de Zutphense gasten niet, daarentegen wel de Madeira, die er werd geschonken. De avond werd verder gevuld met 'prettige discours'. De volgende dag werd – per rijtuig en met een stop in Aartswoud – een bezoek gebracht aan de Hoornse markt. 'Het goed dat werd afgelegd, werd in bewaring gegeven in een logement bij de poort: tegen een nommerbriefje, dat ik altijd een goede inrigting vond', aldus Johannes in zijn verslag aan zoon Hendrik Jan.
De dertigste was de dag van de bruiloft. De bruid droeg 'een kleed van zware koornblauwe zijde'. Ondanks de kou nam het bruidspaar – volgens gebruik – zonder jas plaats in een open rijtuig. Terwijl de klok werd geluid, reed de stoet van in totaal zeven rijtuigen naar het gemeentehuis.
De bruiloft werd gevierd in Schagerbrug.

'Goede maaltijd, vele wijntjes, vele toasten en ik heb een cantate op het huwelijk voorgedragen, gecomponeerd door Brandts Buys Sr. te Deventer. Na de maaltijd werd er gedanst: walsen, carré's, boerenschots, de kikvorsch, de zevensprong, het patertje. Omstreeks drie uur werden wij genood om brood met vleesch en zalm te eten, koffie, thee en wijn te drinken en na deze noodige versterkingen waren wij allen gereed voor vertrek. Om 5 uur 's morgens waren wij thuis'.

Een typisch gebruik uit die jaren signaleerde vader Johannes nog in zijn brief aan zijn zoon. Tijdens de bruidsdagen stond er in het huis van de bruid, ten behoeve van de gaande en de komende man (bakker, brievenbesteller, slager) een kom met brandewijn, suiker en rozijnen (boerenjongens).

'Ieder die komt neemt er een paar lepels uit. Wij hebben er ook zo af en toe een dankbaar gebruik van gemaakt. Bij het gure weer was ons dat niet onwelkom'.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.