Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Verdwenen water, gewonnen melk » Pagina 16-19

Ik wil boer worden

Terug naar Johannes Ludovicus Theodorus. Hij doorliep de eerste en de tweede klasse van het stedelijk gymnasium te Zutphen en en kreeg tegelijkertijd enige jaren tekenles. Toen kwam hij op zekere dag bij zijn vader met de mededeling, dat hijboer wilde worden. De zomervakanties op 'Rusthout' waren voor de kleine Johannes altijd een groot feest. Als de zon 's morgens boven de horizon te voorschijn kwam, verdween de jongen naar boer Loman van het erve Lantink, vlak bij het buiten. 's Avonds na zonsondergang keerde Johannes dan wel weer eens op 'Rusthout' terug. Daar, bij boer Loman, ontwaakte in hem de liefde voor het landbouwbedrijf. Zijn wens werd vervuld. Hij mocht zich laten inschrijven als leerling van de enige landbouwschool die ons land in die tijd telde: de 'landhuishoudkundige school' prof. Van Hall te Groningen. Als leerling no. 39 ging hij het schoolarchief in.
Drie winterhalfjaren achtereen bekwaamde hij zich hier in de landbouwwetenschap. 's Zomers kreeg hij volop de gelegenheid, het geleerde in praktijk te brengen. Nog meer praktijkervaring deed hij vervolgens op bij de landbouwer Huetink op de hoeve 'Bakerweerd' in Steenderen en bij de landbouwer Alert van der Ley op diens bedrijf in Hallum (Friesland), waar hij tevens uitstekend leerde paardrijden.
Johannes Ludovicus Theodorus Groneman was inmiddels een jongeman van negentien jaar geworden en Noord-Holland was voor hem op dat ogenblik nog altijd terra incognita – een vreemd, ver en onbekend gebied aan de andere kant van de Zuiderzee. Toch was hij intussen zonder het te beseffen op een springplank gestapt, vanwaar hij een jaar later, als twintigjarige, in Noord-Holland zou belanden. Als negentienjarige, met het diploma van de 'landhuishoudkundige school' op zak, trad hij namelijk in dienst van Johannes Kerkhoven te Twello. Hij werd te werk gesteld op diens landgoed 'De Meen of Doggersbank', gelegen nabij Apeldoorn aan de straatweg naar Deventer.
Johannes Kerkhoven was een van de aandeelhouders van de 'Naamloze Vennootschap tot ontginning en het in cultuur brengen van aangekochte gronden in de Anna Paulownapolder'. Deze NV zocht iemand, die het doel, in de lange naam gesteld, waar zou kunnen maken. In de jaren 1844 – 1845 was de Anna Paulownapolder omdijkt en in 1851 werden de gronden in het openbaar verkocht. De NV met de lange naam werd eigenaresse van ruim elfhonderd hectare 'goed en minder goed land' in (toen) Noordhollands jongste gewest. Een gebied, dat toen nog was woest en ledig: zoals de aarde er moet hebben uitgezien direct na de schepping.
De jonge Groneman werd aangesteld als opzichter-rentmeester over die gronden van de NV in de Anna Paulownapolder, op een salaris, dat moeilijk een vetpot kon worden genoemd. Hij nam – twintig jaar oud – afscheid van zijn ouders, broers en zusters in Zutphen en begon aan een lange reis, die (met de trekschuit) zou eindigen in het dorpje 't Zand, gelegen aan het Noordhollands Kanaal ten zuiden van Den Helder. Bij de familie Jaap Berger nam hij zijn intrek; hij ging er in de kost. Van daaruit voerde hij zijn 'actie-Anna Paulowna'. De Gelderse jongen was inwoner van Noord-Holland geworden. Hij zou het gedurende zijn hele lange en rijk gevulde leven blijven. Agrarisch Noord-Holland heeft er de rijpe vruchten van mogen plukken.
Wij schrijven 1851. Alexander Graham Bell, de Schots-Amerikaanse natuurkundige, die als hoogleraar in de fysiologie van de spraakorganen aan de universiteit van Boston in 1876 de telefoon uitvond, huppelde in dat jaar nog als vierjarige kleuter door zijn ouderlijk huis in Edinburgh. Guglielmo Marconi, de Italiaanse ingenieur die de praktische toepassing van radiogolven zou bewerkstelligen, was nog niet geboren. Het woord telecommunicatie kwam nog niet in de woordenboeken voor. De toen 18-jarige Alfred Nobel moest het dynamiet nog uitvinden.
Er reden nog geen treinen, geen bussen, geen auto's. Op de weinige wegen had het paard het alleenrecht, zoals de vogels het alleenrecht hadden in de lucht. De wereld was nog groot en niet vervuld van allerlei lawaai. De mensen hadden nog de tijd. Noodzakelijke contacten kwamen schriftelijk tot stand: per brief. Opzichter-rentmeester Groneman in 't Zand schreef véél: naar zijn ouders in Zutphen en naar zijn vele werkgevers, de aandeelhouders van de NV. Hij was bovendien een zeer punctueel man. Carbonpapier bestond er nog niet. Opzichter-rentmeester Groneman schreef daarom elke zakelijke brief twee keer. Een exemplaar verzond hij, het andere stopte hij in zijn archief. Dat archief is ten dele bewaard gebleven.
De 'Naamloze Vennootschap tot ontginning en het in cultuur brengen van aangekochte gronden in den Anna Paulownapolder' werd op 1 mei 1858 ontbonden – niet, omdat opzichter-rentmeester Groneman zou hebben gefaald. Nee, de ontwikkeling van de polder bleef bij het geïnteresseerde publiek ver beneden de verwachting en de slechte resultatenrekening deed de NV uiteenspatten. Op 1 mei 1858 schreef Groneman de volgende brief aan de heren directeuren van de NV:

'Bij de aanstaande ontbinding, der Naamlooze Vennootschap tot de Ontginning en het in Cultuur brengen van aangekochte gronden in den Anna Paulouwnapolder kan ik niet nalaten, UwEd. mijnen dank te betuigen voor het vertrouwen, gedurende haar bestaan in mij gesteld. Gaarne had ik gewenscht, dat de zaken der maatschappij zoo waren geloopen, dat de in den beginne gekoesterde hoop op ruimere belooning had kunnen worden verwezentlijkt.
Ik hoop evenwel, dat ik het door UwEd. in mij gestelde vertrouwen mij niet onwaardig zal hebben gemaakt en het is mijn beleefd verzoek, om van UwEd. een bewijs te mogen ontvangen van Uwe tevredenheid.
Terwijl ik mij hiertoe ten gunstigste aanbeveel, heb ik de eer, enz.'

Met het ontbinden van de NV was de taak van opzichtter-rentmeester Groneman in de Noordkop nog niet ten einde. Hij. bleef in functie, alleen niet meer in dienst van de NV, maar in die van enkele voormalige aandeelhouders, die zich in land lieten uitbetalen. De 'vrij waardeloze zandgrond' werd voor een appel en een ei verkocht (men wist toen rondom Breezand nog niet wat een bloembol was) en 1128 hectare in het oostelijk deel van de polder gelegen maagdelijke grond werd onder de aandeelhouders naar rato verdeeld. De waarde van die grond werd geraamd op... ƒ 149.665.87, ofwel ruim ƒ 132 per hectare. Kom daar nu eens om. Maar: andere tijden, andere prijzen.
In de nieuwe situatie werd het loon van de jonge rentmeester vier gulden per hectare per jaar, plus vergoeding van onkosten. Dat was een wat wankel inkomen, want elke hectare die werd verkocht kwam hem te staan op inkomstenderving. En er werden al spoedig heel wat hectares van de hand gedaan. Vandaar ook de volgende brief, die hij op 12 januari 1860 schreef aan zijn patroon en neef B. J. Verstege te Brummen:

'Ik dank UwEd. voor de wenschen, mij geschonken bij de wisseling des jaars. Doch hoe gaarne ik zou willen dat het mij eene gade mogt aanbrengen, zal ik toch wel den lust daarnaar moeten onderdrukken, zoolang mijne maatschappelijke betrekking mij geen meerdere waarborg aanbiedt om, althans naar menschelijke berekening, die te kunnen onderhouden. Moge het tegenwoordige jaar mij daartoe de gelegenheid en de hand geven!'

Die wens werd niet vervuld. De vervulling kwam pas vijf jaar later. Op 30 april 1865 namelijk trouwde hij met de boerendochter Neeltje Schenk Kd. (1836 - 1902), die de boerderij 'Groenhoven' in het huwelijk meebracht. Een stolphoeve met een 20 bunders best land.
Opzichter-rentmeester Groneman was punctueel en... eerlijk. Op dezelfde twaalfde januari 1860 bijvoorbeeld schreef hij ook de volgende brief aan de heer A. A. Eelman, op de Noorderbuurt op Texel:

'Mijnheer! In antwoord op uw letteren, hedenmorgen door mij ontvangen, dient, dat ik u, aangaande eene verhuring van 50 bunders land genaamd 'Rusthout', waar Rentenaar woont, en gelegen in het Oostdeel van den Anna Paulownapolder, nog niets kan zeggen. Maar dat ik u volgens belofte een biljet zal zenden wanneer er publieke verpachting is. Evenwel kan ik u wel berigten, dat de door u aangeboden huurprijs in elk geval te laag is en dat ik bedank voor de aangeboden ƒ 50,-, welke nimmer op eene verpachting invloed zullen kunnen uitoefenen. Na groete, enz.'

In de ene brief klaagde hij zijn nood over het harde feit, dat zijn loon hem niet in staat stelde een vrouw – 'naar menschelijke berekening' – te onderhouden, direct daarna wees hij in een tweede brief vijftig gulden aan 'steekpenningen' krachtig van de hand. Kansen voor een extraatje kreeg de vrijgezel Groneman wel eens meer, getuige ook de brief, die hij op 9 september 1860 aan de heer A. R. Kaan aan de Barsingerweg in de Wieringerwaard schreef. (Vijf jaar later zou hij als collega-veehouder aan diezelfde weg wonen).

'Mijnheer en Vriend! In antwoord op Uwe heden bij mij ontvangen letteren van eergisteren dient, dat ik het door u gedane bod voor gronden van den Heer Verstege, in het Oostdeel van den Anna Paulownapolder, niet kan of mag aannemen en U daarvoor alzoo bedanken moet. Hiermede reken ik derhalve de door ons daaromtrent gevoerde onderhandelingen afgebroken en mij de vrijheid gegeven om, indien er andere liefhebbers opdagen, hun die gronden te verkoopen. Het aanbod van 1% der koopsom wijs ik, in elk geval, beleefdelijk van de hand en dit zou trouwens ook nimmer op het al of niet toestaan van de koop kunnen influënceeren. Inmiddels verblijf ik, na vriendschappelijke groete, enz.'

Eerlijk duurt het langst. Zelfs in zijn afwijzing – 'beleefdelijk en met vriendschappelijke groete' – bleef opzichter-rentmeester Groneman een heer.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.