Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 184-187

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Bijzondere dingen in het dagelijks leven (6/6)

Begrafenissen waren ook gebeurtenissen, waar een groot deel van het dorp bij was betrokken. Uiteraard werd daarover weinig opgetekend, maar toevalligerwijze bevatte het diakonieboek in 1724 enkele uitgaven voor de begrafenis van Marij Albers, waardoor we iets meer aan de weet komen. Marij Albers werd door de diakonie onderhouden, vandaar dat ook haar begrafeniskosten door de diakonie werden betaald:

aan Mr. Barent voor meesterloon
(dit is het 'doktershonorarium' voor Barent Hauwert, Marij was dus al ziek)
 2.18.-
aan Jan Barentsz. voor een kist  7.10.-
Cornelis Nierop voor het doodskleed  0.10.-
Cornelis Gerritsz. voor bier en kaas voor Marij Albers' uitvaart  2. 4.-
Jan Tijsz. voor wittebrood en beschuit voor de uitvaart  1.16.-
Voor de zoon van Jan Tijsz. voor het uitnodigen buiten het dorp  1. 8.-
Voor het rondzeggen in het dorp  0.12.-
Dirk Man voor brandewijn en suiker  0.14.8

In een tijd dat de huizen dikwijls nog voornamelijk van hout waren en er ook vaak brandgevaarlijk materiaal als riet in grote hoeveelheden werd gebruikt, was het maar al te begrijpelijk dat brand een schrikaanjagend gebeuren was. Bovendien waren ook de methoden van brand blussen nog zeer primitief. Het keurboek bevatte dan ook tal van bepalingen, die erop gericht waren om brand te voorkomen of de blussingswerkzaamheden te vergemakkelijken.
Op 14 januari 1711 werd bepaald dat niemand gloeiende houtspaanders of boekweitdoppen in het dorp mocht brengen. Het werd bakkers ook verboden dit aan de burgers te verkopen. Mogelijk was er op deze wijze brand ontstaan, want binnen 24 uur na publikatie van de bepaling moest alles uit de huizen zijn verwijderd en buiten in zee zijn geworpen. Ook gloeiende as mocht men niet naar buiten brengen; het moest eerst nat worden gemaakt. Daarna moest het in sloten of kuilen worden gestort, die tenminste een roede van brandbaar materiaal waren gelegen. In 1701 werd het storten in vaarsloten verboden, terwijl in 1709 werd bepaald dat men de as alleen nog maar in een askuil mocht deponeren. In 1778 werd daaraan toegevoegd hoe groot die askuil moest zijn: 4 voet lang, 3 voet breed en eveneens 3 voet diep en 3 roeden van huis of hek. Tenslotte mocht niemand met een brandende pijp in een huis of berg bij hooi, stro, riet, vlas en dergelijke komen, noch op een wagen rijden, die met dit brandbare materiaal was beladen. Van de boete van 3 gulden was 1/3 deel voor de aanbrenger, die op zijn woord zou worden geloofd. In 1793 werd zelfs bepaald dat niemand tussen zonsondergang en zonsopgang met een gloeiende pijp over straat mocht gaan, waaraan een jaar later nog werd toegevoegd: hetzij met, hetzij zonder dop.

Als het vroor diende iedereen voor, naast of achter het huis een bijt te hakken van minstens vier voet in het vierkant.
Al in 1778 werd door de gemeente uit de opbrengst van de verkoop van een stuk land een brandspuit gekocht. In hetzelfde jaar werd iedereen verplicht zoveel goede en bruikbare ladders te hebben dat de vorst van het huis kon worden bereikt.
In 1824 werd door de gemeenteraad een reglement in geval van brand vastgesteld. Twintig mannen uit het dorp werden aangewezen om onder leiding van de beide wethouders Klaas Houter en Pieter Koster met zeilen te werken. Veertien mannen werden aangesteld als pompers bij de spuit. Daarnaast waren nog zes mannen belast met het besturen van de slang en de pijp en met het onder water houden van de spuit. Alle overige mannelijke inwoners beneden de 60 jaar waren voorts verplicht om water te dragen, waarvoor zij een emmer moesten meenemen. Iedereen moest zich dan ook bij het luiden van de klok of bij het roepen van brand zo snel mogelijk naar de plek des onheils begeven. Men moest daar binnen een kwartier zijn; degene, die later kwam, moest een gulden boete betalen. Wanneer iemand zonder geldige redenen helemaal wegbleef, bedroeg de boete zelfs drie gulden. De onderofficier van de plaatselijke schutters in ruste was verplicht om bij het gerucht van brand zo snel mogelijk met zijn manschappen te verschijnen om op de plaats van de brand de orde te bewaren.

In 1862 deed Jacob Houter - toen nog gewoon gemeenteraadslid - het voorstel om een nieuwe brandspuit aan te schaffen. Na onderzoek bleek dat de kosten ƒ 900 zouden bedragen. Dat vonden de andere gemeenteraadsleden nogal hoog en daarom werd besloten vooralsnog niet tot aanschaf over te gaan. Aan het eind van hetzelfde jaar kwam Jacob Houter terug op zijn voorstel, omdat naar zijn mening de aanwezige brandblusmiddelen ontoereikend waren. Nu werd besloten om per 1 januari 1863 een lening van maximaal ƒ 1200 te sluiten. Op 17 maart 1865 kwam de nieuwe brandspuit aan en onmiddellijk volgde een inspectie door de gemeenteraad. Men besloot de brandspuit onder het raadhuis in de waag te bewaren. Er dienden nog een aantal dingen te worden aangeschaft: 100 voet slang (naast de 100 voet, die al bij de brandspuit waren geleverd), 1 lantaarn voor boven de spuit, 4 gewone lantaarns, 1 schroevendraaier, 1 wollen dweil, 1 paar emmers, 1 hamer, 1 nijptang, 10 haken voor de slang, 1 zeil voor over de spuit, 1 houten beun voor onder de spuit, 1 houten koevoet, 3 stokken van 2 el, 6 stokken van 1½ el en 70 armbanden.

Op 5 mei werd een verordening op de brandweer vastgesteld. Alle mannen tussen 20 en 60 jaar waren verplicht om aan de bluswerkzaamheden mee te doen. Er was dus nog geen sprake van een vrijwillige brandweer. Een uitzondering werd gemaakt voor de burgemeester, de veldwachter, de schutters en militairen in werkelijke dienst, de dominee, de hoofdonderwijzer, ambtenaren die geld of waardepapier onder hun beheer hadden en mensen met lichaamsgebreken.
Uit de mannen die overbleven werd een voldoende aantal voor de brandweer geloot. Men kon zich ook uit de brandweer vrijkopen door het betalen van ƒ 50 ineens of ƒ 3 per jaar of men kon zich door iemand anders laten vervangen. Zij die niet waren ingeloot, werden als reserve ingeschreven. Het aantal brandweerlieden was beduidend hoger dan tegenwoordig. De brandweer bestond namelijk uit 1 brandmeester-generaal, 2 brandmeesters (één voor het noordend en één voor het zuidend), vier kwartiermeesters over de pompers, 48 pompers, verdeeld in vier gelijke kwartieren, één kwartiermeester en 10 manschappen voor de voorslang, 2 pijphouders, een kwartiermeester over de zuiger en het verdere gereedschap, 4 gereedmakers, 3 wekkers, 1 sleutelbewaarder, 1 bode, 1 secretaris en vervolgens nog haakdragers en klokluiders. Ter onderscheid droeg de brandmeester-generaal een stok van 2 el, de beide brandmeesters een stok van 1¾ el en de zes kwartiermeesters een stok van 1½ el. Deze stokken waren voorzien van een rode knop en waren rood, wit en blauw geschilderd. De manschappen droegen op de linkerarm boven de elleboog een witte linnen armband, waarop het nummer van hun inschrijving stond vermeld. Daags na Hemelvaartsdag 1863 werd de werking van de brandspuit aan de manschappen uitgelegd. Daarna was de brandweer voor haar taak gereed. In de loop der jaren werd er nog verschillende keren een beroep op de brandweer gedaan. Voor het dorp waren dit vaak dramatische gebeurtenissen; zoals bijv. eind 1925 toen het diakoniehuis afbrandde of in 1964, toen het dorpscafé in de as werd gelegd.
Maar - zoals uit de voorgaande bladzijden al is gebleken - de geschiedenis van een dorp bestaat niet alleen uit plezierige gebeurtenissen, zij kent ook haar donkere bladzijden.

 


Hé, is dat Westfries?

267. Skaibutter, 'scheiboter' werd gemaakt als de koeien pas in de wei liepen, dus direct na 't 'scheiden' van de stal.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.