Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Stemmen Molenprijs Lastdrager.

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 176-179

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Bijzondere dingen in het dagelijks leven (3/6)

De volgende morgen stond ze vroeg op en ging naar het huis van Willem om hem te wekken. Bij de hoek van de hooiklamp vond ze een aantal ronde zwavelstokken, waarvan een aantal aangestoken was geweest en andere weer niet. Trijntje was geweldig geschrokken en had alle zwavelstokken meegenomen naar het huis van Freek Kok, waar ze ze in de aspot had verbrand. De volgende morgen, toen ze voor Freek Kok aan het schapen melken was, kwam de moeder van Willem van Gulik bij haar. Ze zei dat het zo maar een droevig leven was tussen Willem en zijn schoonouders. Hij wou daarover binnenkort eens met burgemeester Jacob Pietersz. Smit gaan praten. Trijntje vertelde haar toen dat ze zwavelstokken bij de hooiklamp had gevonden en toen zij de plek wilde aanwijzen, vonden zij opnieuw verbrande zwavelstokken. Inderdaad besprak Willem het één en ander met Jacob Smit. Daarop werd de schout op de hoogte gesteld van de vondst van de zwavelstokken. Na een vergadering met de schepenen op 11 augustus 1804 werd besloten de volgende mededeling op drie plaatsen in het dorp op te hangen, te weten één aan de kerk, één aan de smederij (tegenover de pastorie) en één aan de kapberg van Pieter Kamer: Alzoo in den nagten van de 9 en 10 Augustus 1804 bij het huijs van Pieter Kamer, thans bewoond door Willem Gerritsz. van Gulik bij den agtersten hooijklamp is bevonden eenige zo aangestokene als onaangestokene swavelstokken te zijn gelegd, zekerlijk met oogmerk en opzet om gemelde hooijklamp in de brand te steken, zoo is 't dat iedereen die iets heeft gezien zich zal melden bij de Heer Hoofdofficier.
Enige dagen later liep Trijntje voorbij het huis van Pieter Kamer, toen Aaf Jans naar de poort kwam. Er was een woordenwisseling tussen hen ontstaan, waarbij Trijntje haar vermoeden uitsprak dat Pieter Kamer de zwavelstokken bij de hooiklamp had neergelegd. Aaf Jans zei toen: 'Ja Bep heeft 't gedaan, maar als je het vertelt, zullen we zeggen dat je liegt'. Aaf Jans sprak gewoonlijk over Bep, als ze het over haar man Pieter Kamer had.

Het bleef enige tijd rustig, maar begin 1805 - en wel op de 4e februari - toen Trijntje naar de dijk ging om even naar haar moeders schapen te kijken, maakte Pieter Kamer bij het hek op de dijk een praatje met haar en vroeg: 'Nou kind, wil je Freek Kok's hooi in de brand steken, dan zal Willem's huis ook wel verbranden en dan moet je nog een huis in de brand steken, het kan me niet schelen van wie, want dan zullen de mensen denken dat boosdoeners het hebben gedaan. Anders mochten ze nog denken dat ik het heb gedaan. Ik zal je er vijfhonderd gulden voor geven, de ene helft nu en de andere helft als het gedaan is, maar dan moet je zweren met de ijselijkste vloeken, die je kent, dat je het aan niemand zult vertellen!' Trijntje was erg van streek en zei dat ze het niet wilde doen, waarop Pieter zei: 'Nou dan zal ik het doen of laten doen!'
Inderdaad brandde in de nacht van 14 op 15 februari het huis van Freek Kok af. Toen Trijntje op de 18e februari Pieter Kamer op straat tegenkwam, vroeg zij hem of hij het nu voor minder dan vijfhonderd gulden gedaan had gekregen, waarop hij zei: 'Nee kind, ik heb het niet gedaan'. Huilend liep hij daarna zijn huis binnen.
De hierboven vermelde gebeurtenissen werden door Trijntje Douwes op 25 februari 1805 in een verklaring vastgelegd, welke verklaring zij ook onder ede bevestigde. In de daarop volgende dagen werden enkele andere dorpsbewoners verhoord, waaronder op 4 maart Pieter Kamer en Aaf Jans. Zij zeiden dat zij Trijntje kenden als een grote babbelaarster, die wel eens uitdrukkingen bezigde die hen niet aanstonden. Zij had bijvoorbeeld wel eens gezegd dat als het gewone werk haar niet aanstond zij wel voor hoer wilde spelen. Voorts ontkenden zij alle door Trijntje uitgebrachte beschuldigingen.

Een aanval op het secreet
Op 6 maart legde Trijntje opnieuw een verklaring af, nu over hetgeen haar de avond tevoren was overkomen. Toen zij in het schemerdonker naar het secreet bij haar moeder's huis wilde gaan, kwam geheel onverwachts Pieter Kamer naar haar toe. Trijntje wist nog precies hoe hij was gekleed: hij had een jas aan en een driehoekte muts op. Hij greep haar direkt bij de keel en drukte die zo hard toe dat ze niet kon schreeuwen. Daarbij zei hij tegen haar: 'Nou zal je d'r aan gaan en ik zal Willem ook vermoorden en het huis van Jacob Pietersz. (Smit) en Rens Hoorns moeten ook in de brand, omdat Jacob Pietersz. wat over mij heeft gezegd bij Teunis de Bakker en met Rens Hoorns heb ik wel 's ruzie gehad'. Verder had Pieter Kamer nog gezegd dat hij haar kralen zo ver weg zou gooien dat zij ze niet meer zou kunnen vinden. Toen had hij haar met de ene hand bij de keel en met de andere bij de arm van het secreet gesleept en haar vervolgens met een stuk touw vastgebonden. Trijntje was buiten kennis geraakt en wist niet wat er verder met haar was gebeurd. Pas de volgende morgen was zij weer bij haar verstand gekomen. Op 8 maart - dus twee dagen later - werd aan Trijntje gevraagd of zij erbij bleef dat Pieter Kamer haar had aangevallen. Volmondig deed zij dat, maar inmiddels was uit verklaringen van anderen, o.a. van de 26-jarige Jan Bierhaalder, die sinds begin februari als knecht bij Pieter Kamer werkte, komen vast te staan dat Pieter zich op de door Trijntje genoemde tijd in zijn eigen huis had bevonden. De schout verzocht daarop om Trijntje in verzekerde bewaring te nemen en zij werd onder het raadhuis gevangen gezet. Op 12 maart volgde een eerste verhoor, dat echter weinig nieuwe gegevens opleverde. Op dezelfde dag werd Cornelis Ham als getuige gehoord. Hij was op 5 maart omstreeks half zeven ten huize van Willem van Gulik, toen hij buiten plotseling een ontzettend geschreeuw hoorde. Daarop werd Trijntje het huis van Willem binnengedragen en iedere keer als zij de naam van haar aanvaller wilde noemen, leek zij flauw te vallen. Vokeltje Floris, Trijntje's moeder, had toen gezegd dat het Pieter Kamer wel zou zijn geweest. Een week later, op 19 maart, vond een tweede verhoor van Trijntje plaats, waaruit bleek dat Trijntje wel eens last van toevallen had, hier opstijgingen van de moer geheten. Bij een derde verhoor op 27 maart bleef Trijntje bij al haar beschuldigingen. Begin april werd zij opnieuw door de schout A. R. Blok ondervraagd en nu bekende zij dat zij hem ten aanzien van het op 5 maart gebeurde had misleid. Toen zij die avond bij Dirk Laan vandaan kwam, was het idee bij haar opgekomen. Toen zij thuis kwam, had zij eerst de kaars opgestoken en was vervolgens naar een touwtje gaan zoeken. In het koehuis vond ze een staartlijntje, dat het laatst als schaatseband was gebruikt. Daarmee liep ze naar de w.c. op het erf en onder het lopen rafelde ze het touwtje wat uit. Op de w.c. gezeten had ze het touw om haar hals en benen gebonden; vantevoren had ze haar kralen al afgedaan en in de onderwal van de sloot gegooid. Zo gebonden was ze de w.c. weer uitgegaan en tegen de dijk gaan liggen, waar ze een toeval kreeg, zodat ze niets meer wist van hetgeen er verder was gebeurd. De schout vroeg haar of zij nog iets tot haar verontschuldiging had aan te voeren. Trijntje zei slechts: 'Niets anders dan dat ik dacht dat Pieter Willem ongelukkig zou maken. Om Willem heb ik het gedaan, dat is waar'. Op de vraag of zij echt nog geloofde dat Pieter Kamer het huis van Freek Kok in de brand had gestoken, antwoordde zij ontkennend. Trijntje dacht dat boosdoeners het wel zouden hebben gedaan.

 


Hé, is dat Westfries?

499. Wie de buul ('t geld) heeft, is baas.
(Wie de geldbuidel, de portemonnee heeft, die heeft de macht).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.