Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 173-176

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Bijzondere dingen in het dagelijks leven (2/6)

Opschudding in het dorp
Trijntje Douwes woonde met haar moeder en enkele broers en zusters in het zuidend in een klein huisje vlak aan de dijk. Haar vader, een eenvoudige dagloner, was enkele jaren tevoren overleden. Trijntje was begin 1805 18 jaar oud en werd, zoals uit één van haar verklaringen bleek, met Hoornse Sint Lourens 19 jaar. Op 25 februari 1805 legde zij op verzoek van Pieter Graaf, president-schepen en waarnemend schout van Schellinkhout, een verklaring af over een aantal gebeurtenissen, dat vooral in het voorgaande jaar zou hebben plaats gevonden. Een belangrijke rol daarin speelde het echtpaar Pieter Kamer en Aaf Jans, waar Trijntje vaak als werkster kwam en die vlak in de buurt woonden. Hun schoonzoon Willem van Gulik was een buurman van Trijntje. Zijn vrouw was jong overleden en hun dochtertje, Aafje geheten, werd door haar grootouders Pieter Kamer en Aaf Jans opgevoed.
De relatie tussen Pieter Kamer en Aaf Jans enerzijds en hun schoonzoon Willem van Gulik anderzijds was niet al te best. Zo hadden de beide eerstgenoemden Trijntje Douwes - aldus haar verklaring - verschillende keren trachten te bewegen om tegen een ruime beloning de kleren van hun overleden dochter uit het huis van Willem te stelen. Trijntje, die ook vaak bij Willem werkte, weigerde echter.
Op een zaterdag in het voorjaar van 1804 pastte zij op het huis van Willem van Gulik, omdat die naar Hoorn was om de meid op te halen. Aaf Jans kwam toen binnen om met haar te konkelen, waarbij zij een achterling met krenten had meegenomen. Op een gegeven ogenblik stelde Aaf Jans voor dat zij, Trijntje, het huis een tijdje zou verlaten, zodat zij het één en ander kon meenemen. Als Willem dan later zou vragen wat er was gebeurd, moest zij zeggen dat zij niet wist wie het had gedaan. Weer weigerde Trijntje en na een woordenwisseling verliet Aaf Jans het huis. Trijntje vertelde daarop het voorval in geuren en kleuren aan haar moeder, die de maandag daarop heel kwaad Aaf Jans bij haar liet komen. In aanwezigheid van Willem van Gulik ontstond er een heftige ruzie tussen Aaf Jans en Trijntjes moeder. Tenslotte zei de laatste: 'Ik hoop dat God één van jullie beiden een duidelijk teken zal geven, zodat we weten wie er liegt'. Aaf Jans zei daarop: 'Ik voel nog geen teken', maar Trijntjes moeder antwoordde: 'God straft niet op heterdaad, maar te Zijner tijd'.

Poging tot vergiftiging
Kort daarna, op de dinsdag van de Palmweek, was Trijntje door Aaf Jans op de thee uitgenodigd. Pieter Kamer was bij de haard in slaap gevallen, toen zijn vrouw aan Trijntje vroeg of zij een stuk wittebrood lustte. Trijntje had er wel zin in en Aaf Jans ging naar het middelhuis om een stuk te halen. Na haar terugkomst zei ze: 'Hier, eet het maar stil op, zodat Pieter Kamer het niet merkt en geef Aafke (haar kleindochter) er maar niet van, die geef ik zelf wel'. Toen ze het op had, voelde ze zich flink misselijk worden en ging maar gauw naar huis. Ze stapte nog even bij haar buurman Willem van Gulik binnen. Ze voelde zich echter steeds benauwder en in haar gezicht opgezwollen worden en zei dan ook tegen Willem: 'Willem ik ben zo benauwd, ik ben vergeven', waarop Willem zei: 'Mijn God, meidje, wat zeg je, vergeven? Hoe komt dat?' Zij had daarna wat lauw water met boter gedronken en toen in de groep van de koestal gebraakt. Een kat, die wat van het braaksel opat, was kort daarna gestorven!
Een dag later, toen zij nog steeds pijn had, liet Willem van Gulik de chirurgijn Jan Bruul komen, die haar aanraadde om zoveel mogelijk zoete melk te drinken. Nadat Trijntje dat veertien dagen lang had gedaan, was zij weer helemaal beter. Intussen was bij haar het idee steeds sterker geworden dat zij door Aaf Jans was vergiftigd, omdat die haar meermalen had gevraagd om voor haar rattekruid te halen.

Toen zij enige tijd later weer bij Aaf Jans was, vroeg de laatste haar hoe het met haar ging. Trijntje antwoordde: 'Waarom vraagt u dat zo? Of vindt u het vreemd dat ik nog op deze wereld ben?', waarop Aaf Jans zei: 'Nee kind, dat is het niet, ik heb je vergiftigd, maar het spijt me ellendig. Ik heb veel berouw, maar ik heb het gedaan, omdat je moeder laatst zei dat God een teken zou geven aan diegene van ons beiden, die loog'. Aaf Jans vroeg haar om er maar verder over te zwijgen en liet haar voorts zien hoe zij met een mes, waarvan de punt was afgebroken, het rattekruid op de boterham had gedaan. Daarop vroeg zij Trijntje of zij de rest van het rattekruid maar wilde begraven. In de loop van die week had Aaf Jans aan Trijntje een paar kousen, een boezel, een flemmende rok en een gingan kleedje gegeven. De eerste drie dingen had Trijntje op rekening van Aaf Jans in de winkel van mr. Jan Bruul gekocht, voor het laatste had zij geld meegekregen.

In de hooitijd van het jaar 1804 zou Trijntje oppassen bij Willem van Gulik, die met zijn meid naar Wognum of Hoogwoud moest, en 's middags zou zij te gast gaan bij Pieter Kamer en Aaf Jans. Toen Trijntje daar uit het middelhuis kwam, was zij stilletjes op kousevoeten de gang opgegaan en had aan de kamerdeur staan luisteren. Pieter Kamer zei daar tegen zijn vrouw: 'Ik heb zo'n haat tegen Willem dat ik zijn huis wel in de brand zou kunnen steken'. Aaf Jans antwoordde daarop: 'Dat kunnen we niet. We hebben alleen maar platte zwavelstokken en daar heb je ronde voor nodig. Maar wacht 's, we hebben nog ronde onder de bedstee van Jan in 't Mandje (hun knecht)'. 'Jonge, nee Aaf, dat kwaad is te groot, ik zal het maar niet doen. Jij moest maar liever zijn varkens vergiftigen'.
'Dat is goed, aanstaande zondag gaan ze weer uit. Als Trijntje de varkens voert, zal ik het stil in de emmers doen. Want als ik het in de zeunis doe, mocht ze het merken'.
'Dat is goed. Dan zal ik van de week naar Hoorn gaan om het te halen, want het moet koperrood wezen'.

Toen Pieter Kamer in de loop van die week aan Trijntje vroeg of Willem van Gulik die zondag nog zou uitgaan, antwoordde zij dat hij niet ging. Pieter Kamer vroeg daarop: 'Ach heden, waarom niet', Trijntje zei dat Willem niet van huis durfde, omdat hij - Pieter Kamer - zijn varkens wilde vergiftigen.

Brandstichting
Enige dagen later, toen Trijntje 's avonds om een uur of half elf het huis van Freek Kok, waar ze die dag had gewerkt, uitkwam zag ze Pieter Kamer bij de hooiklamp op het erf van Willem van Gulik vandaan komen. Zij zei goeienavond, maar kreeg eerst geen antwoord . Toen Pieter echter bij haar kwam, zei hij: 'Ben jij dat, Trijntje? Mijn vrouw en Willem zijn al naar bed, ik wou je graag eens spreken'. Trijntje zei dat ze dat wel wilde, maar liever overdag dan bij nacht, waarop Pieter antwoordde: 'Nou kindje, wat geef je mij altoos kwaad bescheid. Als je met ons meedoet, kun je alles krijgen wat je wilt. Dan zal ik ook voor je moeder zorgen, dan zijn we met ons vieren en dan zullen we Willem de blauwe trappen opjagen in plaats van dat Willem het mij doet'. Trijntje wilde natuurlijk niet en Pieter Kamer zei dat hij vol zou houden dat ze loog, als ze erover praatte.
Trijntje ging naar huis, maar maakte zich erg ongerust. Ze was bang dat Pieter Kamer de hooiklamp van Willem in de brand had gestoken. Daarom stapte ze weer uit bed, liep het erf van haar moeder rond, dat aan dat van Willem grensde, maar bemerkte geen onraad.

 


Hé, is dat Westfries?

173. 'Tijd is geld', zegt men. Daar is veul van an (grotendeels waar).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.