Westfries Genootschap
Bibliotheek
Westfries Genootschap Bibliotheek Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Westfriese boeken te koop

    Zoeken:

Bibliotheek » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 106-108

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Landbouw en veeteelt (3/8)

Rechtsgebruiken t.a.v. de grond
In de keurboeken van Schellinkhout werd het één en ander geregeld ten aanzien van het gebruik van de grond. Deze bepalingen stoelden op zeer oude rechtsgebruiken. Een belangrijk uitgangspunt daarbij was dat als er meer eigenaars of gebruikers in een perceel land waren, de eigenaar / gebruiker van het grootste deel kon beslissen wat er gebeurde. De andere(n) moesten hem daarin 5 dagen nadat zij in het bijzijn van twee medeburgers op de hoogte waren gesteld, volgen.
In het nieuwe keurboek van ca 1600 is daarvan een sprekend voorbeeld opgenomen: 'Soo wie meest in een landt bruijcket, daer sal d'inslach, ettinghe en d'uijtslach aenstaen, ende datter redelijcheijt'. Dit betekende dat de gebruiker van het grootste deel bepaalde wanneer het vee de wei werd ingebracht, hoelang er beweid werd en wanneer het vee weer uit het weiland werd gehaald. Daarbij moest hij het wel redelijk maken. Ook het tijdstip van het hooien kon door hem worden bepaald. Hij nam eveneens een beslissing over de vraag of er gehooid of beweid ging worden. Lagen er verschillende percelen achter elkaar, dan mocht de oogst van het achterste land over de andere percelen worden gebracht. Ook het vee mocht op deze wijze naar de weg worden gedreven. Maar ook hier gold dat de gebruiker van het grootste stuk bepaalde wanneer één en ander plaats vond. Door beesten veroorzaakte schade moest uiteraard worden vergoed. Iemand, die een beest echter verwondde of dood sloeg, moest de schade in tweevoud vergoeden.

Van veel belang was het recht van overpad. Het keurboek vermeldde daarover dat als door het gerecht (schout en schepenen) een gangpad of overpad was aangewezen, de gebruikers hierop niet mochten worden gehinderd op straffe van een boete van drie pond.
Naast land in eigendom kon men natuurlijk ook land in huur hebben. Iets over de voorwaarden, die bij verhuur golden, blijkt uit de verhuring op 23 februari 1639 van de kerkelanden door de kerkmeesters Pieter Jansz. Hem en Sijmen Pietersz. Roos. Hierbij werd nog onderscheid gemaakt tussen binnendijks- en buitendijks land. De huurders van het binnendijkse land moesten het morgenschot (belasting op de grond) betalen, zowel ordinaris als extra-ordinaris. Dit laatste betekende zowel gewoon als buitengewoon. Als er buitengewone lasten waren, werd dit over de grondeigenaren of -gebruikers omgeslagen via een buitengewone heffing. Voorts moesten de huurders de gouw (dorpsweg) onderhouden en de sloten langs de mientewegen krozen en verder schoonhouden. Het sloten zou door de kerk worden betaald, maar het bier voor de dagloners door de huurlieden, die ook geen vergoeding ontvingen voor het gras, dat hierdoor verloren ging. Wel waren zij verplicht om de aarde, die door het baggeren op het land kwam, te effenen naar goeddunken van de kerkmeesters. Ditzelfde gold ook voor huurders van buitendijks land, waarvoor bovendien nog werd vermeld dat de huurders het op eigen kosten uit de schouw moesten houden. Van de honderdste penning zou de kerk tweederde en de huurders éénderde betalen. Als de kerkezomerdijk zou overstromen, zou de kerk ervoor zorgen dat het land weer boven water kwam. Tenslotte moest er minstens driemaal per jaar worden gestekeld en mochten de huurders hun land niet overdoen aan een ander.

Wat teelde men?
Welke produkten werden er in een dorp als Schellinkhout geteeld? Deze schijnbaar zo eenvoudige vraag is heel wat moeilijker te beantwoorden. Nergens vond ik een direkt antwoord. Een bepaling uit het keurboek gaf wel een opsomming van allerlei landbouwprodukten, hoewel die beslist niet volledig zal zijn. De bedoelde verordening bepaalde dat iedereen, die zonder toestemming appelen, peren, pruimen, kersen, druiven, erwten, bonen, wortelen, tuinkers of andere kruiden afplukte, aan de schout 30 stuivers boete moest betalen en aan de eigenaar de schade in tweevoud diende te vergoeden. Kinderen tot 8 jaar behoefden aan de schout maar 10 stuivers te betalen, terwijl voor wezen gold dat hun voogden de boete moesten voldoen. In verschillende bepalingen van het keurboek werd vlas genoemd, zodat ook dit tot de verbouwde produkten behoorde. Men mocht geen vlas op de weg laten drogen of braken. Het was ook verboden om het vlas in de meeste grote sloten te laten weken. Een in 1794 gemaakte keur verbood het verbouwen van zowel rood als wit mosterdzaad. Deze bepaling werd in 1795 voor wat betreft het witte mosterdzaad weer opgeheven.
Voor de graanteelt was de Westfriese bodem niet zo geschikt. Opmerkelijk zijn in dit verband de vele vermeldingen in de Enqueste van 1494 van een bijzondere wijze van graan verbouwen. Vele boeren waren namelijk gewoon om bagger uit de sloten te trekken en die in een breedte van 4 à 5 voet langs de weiden te deponeren. Hierop werd haver en gerst verbouwd. Deze teeltwijze, die alleen bij hooiland te verwezenlijken lijkt, vond men o.a. in Hem, Venhuizen, Wijdenes en Oosterleek. Er is geen reden om aan te nemen dat het in Schellinkhout niet gebeurde. De reden van deze graanteelt was misschien het feit dat er in 1494 een enorm graangebrek heerste, terwijl men ook niet in staat was om van elders ingevoerd graan te kopen. In 1514 hoorde men van deze bouwwijze in West-Friesland niet meer.

Uit verschillende jaren is bekend welk oppervlak als zaadland in gebruik was. In plaats van gewastienden moest Schellinkhout een bepaald bedrag per morgen zaadland aan de graaf betalen. Zoals al vermeld leidde dat in 1603 tot een konflikt met de rekenkamer van Holland, omdat door de burgemeesters te weinig morgens waren opgegeven. Door de landmeter Gerrit Dirksz. Langedijk werden eind 1603 nauwkeurig alle zaadlanden in kaart gebracht. Hieruit bleek dat een respektabel deel van de landerijen als zodanig in gebruik was, namelijk 97 morgen 250 roeden 4 voeten. Opgaven van de bezaaide landen in 1655, 1656, 1658 en 1659 gaven een oppervlak van ruim 50 morgens aan. Het is inderdaad mogelijk dat er een flinke daling plaats vond. Uit de regeling voor het plan tot verkopen van de ambachtsheerlijkheid bleek dat Schellinkhout voor de bezaaide landen 20 stuivers per morgen moest betalen, wat voor de jaren 1730-1740 neerkwam op 13 gulden 15 stuivers per jaar. Dit betekende dus dat er toen nog maar bijna 14 morgen als zaadland in gebruik was.
Bij de oogst was wel eens wat extra hulp nodig. Een in 1702 gemaakte bepaling uit het keurboek verplichtte maaiers en zaadzichters om het werk, waarvoor ze waren ingehuurd, ook af te maken. Het gebeurde wel eens dat deze werklui, die blijkbaar van elders kwamen, halverwege een karwei verdwenen, omdat ze ergens anders meer konden verdienen. Onderling probeerden ook de boeren nogal eens door wat meer te bieden arbeiders bij elkaar weg te lokken.

 


Hé, is dat Westfries?

265. Voor de kerstdagen kochten we 'n pondje volvette meshanger (jonge, vette kaas, die aan 't mes blijft hangen).

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2021 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.