Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 103-106

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Landbouw en veeteelt (2/8)

Eigendom der landerijen
Een interessante vraag is wat voor mensen de eigenaren van al deze landerijen waren. Waren dat, wat men op het eerste gezicht misschien zou denken, ingezetenen van Schellinkhout? Dat blijkt lang niet altijd het geval te zijn geweest. In het algemeen dient al te worden gesteld dat de oude samenleving met haar steeds wisselende economische omstandigheden en hoge sterfte een levendige handel in land kende. De transportregisters bevatten dan ook talloze akten van verkoop.
De Enqueste van 1494 sprak voor een aantal plaatsen van veel boeren, die have en goed moesten verkopen om in leven te kunnen blijven. Dit land werd dan vaak opgekocht door handelslieden uit de grote steden, zoals Leiden, Haarlem en Amsterdam en door kerken en kloosters. Ook voor Schellinkhout was dat het geval. Toevallig kennen we daar in ieder geval één voorbeeld van. Het reeds genoemde Ruigeland werd in 1496 door Sijmon Pietersz. aan het St. Marienconvent in Hoorn verkocht. De Informacie van 1514 laat zien hoeveel land er in dat jaar in niet-Schellinkhouter handen was: Van de 650 morgen, die Schellinkhout groot was, bezaten inwoners van Hoorn 170 morgen, mr. Otto 5 morgen (de in het vorige hoofdstuk al genoemde vicariegoederen); kerkelijke instellingen uit Hoorn en Amsterdam 56 morgen en een klooster in Enkhuizen, te weten het Noorderklooster, 1212 morgen. Land werd over het algemeen als een goede belegging beschouwd.
Als we de eigenaren der landerijen van 1707 qua herkomst vergelijken met die van omstreeks 1635 vallen er ook grote verschillen te constateren. In het overzicht van 1707 komen veel meer mensen van buiten Schellinkhout en zelfs van buiten West-Friesland voor dan bijna een eeuw eerder. Enkele voorbeelden:
Klemensje Krook uit Amsterdam, Jonkheer Frederik Ramp uit Alkmaar, Mevrouw van Zuijdwijck, Juffrouw van Teijlingen uit Leiden en vooral veel inwoners van Hoorn. Vaak werden er winsten uit handel en zeevaart, die tijdens de bloeiperiode van ons land werden behaald, in land belegd. Een vrij nauwkeurige schatting geeft aan dat bijna 50% van het Schellinkhouter land in 1707 in bezit was van niet-Schellinkhouters.
De steeds slechter wordende situatie in de landbouw en de steeds hoger wordende lasten op de grond maakten de landerijen in de loop van de 18e eeuw tot een minder aantrekkelijke belegging. De boeren konden daarvan gebruik maken door het land op te kopen. In 1760 was nog 200 morgen land eigendom van mensen buiten Schellinkhout, maar in 1811 was praktisch al het land weer in het bezit van Schellinkhouters.

Grafelijk bezit
Enkele landerijen in Schellinkhout waren in het verleden grafelijk eigendom. Op woensdag na Sinte Agnietendag 1385 deelde Hertog Albrecht van Beijeren aan Jonkvrouw Agnita van Pruisen mee dat zij het zaadland, gelegen in het ambacht van Schellinkhout, dat zij in leen had ontvangen, niet kwijt zou raken, hoewel zij een 'wanverzoek' had gedaan. Bij het overlijden van Jonkvrouw Agnita ontving haar zoon Jan van Minnen dit stuk zaadland in 1409 in leen. In dit leen werd hij in 1438 nog eens door Philips van Bourgondië bevestigd. Hij bezat daarnaast ook nog leengoed in Heemskerk. Dit maakt een verband mogelijk met een acte uit 1526, waarbij Karel II aan Joost de Bastaard van Brederode in eigendom gaf een zaadland van 5½ morgen in de ban van Schellinkhout, dat zijn vrouw in leen had. Deze gift geschiedde in ruil voor de 14 geersen land (1 geers = 1/3 morgen) in de ban van Heemskerk, die Joost van Brederode aan Karel II afstond.
Mogelijk had het bovenstaande ook te maken met het feit dat ene Vrederik Jansz., leenman van Heemskerk, op 12 augustus 1444 werd beleend met een perceel land in Schellinkhout. Het leengoed ging over op zijn zoon Jan van Crabbenborch, die het op 17 april 1477 weer overdroeg aan zijn broer Jan Vrederiksz. De naam Crabbenborch is bewaard gebleven in de benaming van het perceel grond, de Crabbeweid. Op 28 mei 1674 verkocht Sr. Herculus Schatter de Crabbeweid, groot 1672 roeden voor 5000 gulden aan Jonker Hendrik van Alkemade van Berkenrode, heer van Berkenrode. Van de verkoop werd uitgezonderd 1½ morgen leenland. De Crabbeweid, ook wel genoemd de Botterweyde, kwam ook voor in een notariële akte d.d. 27 maart 1764, waarin als leenman van 1½ morgen land Pieter Reyndersz., heer van Marquette, werd genoemd.

Ook de Klink, een stuk land aan de dorpsweg en aan de klinkersloot, behoorde in het verre verleden tot de grafelijke eigendommen. Hertog Willem VI gaf dit land - 5 morgen groot - met het daarop staande huis in 1413 in onversterfelijk leen aan Jonge Claas de Waal. Hij was mogelijk een zoon van de Claas de Waal, die in 1410 tot schout van Schellinkhout werd benoemd. De bij dit erfleen behorende heergewaden (dat was de uitkering van de leenman aan de leenheer, telkens als er een nieuwe opvolger optrad) waren een rode sperwer of tien schellingen. Het erfgoed bleef tot 1511 in de familie De Waal en ging daarna via Frans Verdel in 1527 over op Claas Willemsz. van Hoorn. In zijn testament stond dat de leengoederen niet mochten worden vervreemd. Toch kwam het na het overlijden van zijn enige dochter Anna in 1547 in handen van haar echtgenoot mr. Cornelis Jansz. Hij was doctor in de medicijnen en werd door Velius als burgemeester van Hoorn genoemd in 1540, 1542, 1544 en 1547 en als schepen in 1541 en 1545. Mr. Cornelis liet zijn testament in 1548 te Spa maken ten huize van Lenaert Duesoen van Pecht, waarbij een eerder te Antwerpen verleden testament nietig werd verklaard. In het nieuwe testament werd Willem Dirksz., schout van Amsterdam, aangewezen als de nieuwe leenman van de Klink, wat bij het overlijden van Cornelis Jansz. in 1558 ook gebeurde. Hiertegen protesteerde Willem Anteunisz. Sonck, die stelde dat in het testament van Claas Willemsz. was beschreven dat het leengoed niet in vreemde handen mocht overgaan. Zijn vader Anteunis Sonck, van 1524 tot 1550 schout van Hoorn, was de enige broer van deze Claas Willemsz. Op grond daarvan eiste Willem Sonck het halve deel in de Klink op, wat hem ook werd toegekend. Uiteindelijk kwam het leengoed in 1577 toch weer in één hand en wel van Pieter Meijnertsz. Lakeman en daarna via zijn kleindochter Teet Meijnerts Lakeman aan haar echtgenoot, de advocaat mr. Frederik Kouseband. In 1707 is de Klink of de Klinkeweid opnieuw in bezit van een Frederik Kouseband, ridder te Haarlem, een zoon of kleinzoon van de eerste Frederik. Het is mij niet bekend wanneer dit stuk land in Schellinkhouter handen kwam. In ieder geval was het in 1811 - na bijna vier eeuwen lang leengoed of bezit van allerlei buitenpoorters te zijn geweest - eigendom van Barend Laan.

Ook de Middelweid (groot 4 morgen 305 roeden), gelegen ten oosten van de dorpsweg ongeveer ter hoogte van de kerk, had ooit eens een ridderlijke eigenaar. In 1759 was dit stuk weiland bezit van de Prins de Rubampré uit Brussel, wiens rentmeester A. Franker vaak logeerde in het Proveniershuis van Sassen te Alkmaar. Ook dit land behoorde in 1811 toe aan Barend Laan.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.