Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 99-103

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Landbouw en veeteelt (1/8)

Hoofdstuk IV

Inleiding
Hoewel Schellinkhout vanouds een agrarisch dorp is geweest, zijn de gegevens over landbouw en veeteelt schaars. Deels is dat ook wel te begrijpen. Over het leven van alledag kwam niets op papier en de landbouw en veeteelt behoorden geheel tot dat leven. Oorspronkelijk had iedereen wel een stukje grond, waarop produkten voor eigen consumptie werden geteeld of waarop een koe en een paar schapen konden weiden. Al werkend op het land konden er ook weinig dingen gebeuren, die het optekenen waard waren. Dat betekent nu echter wel dat het vrijwel onmogelijk is om een goede kijk te krijgen op de betekenis van landbouw en veeteelt en op de wijze van werken van de boer. Uit allerlei bronnen, die vaak slechts zijdelings iets met het agrarisch bestaan te maken hadden, konden nog wat gegevens worden gehaald. Vooral uit de Franse tijd met haar voorliefde voor statistieken, was in dit opzicht interessant materiaal beschikbaar.

Economische ontwikkeling van landbouw en veeteelt
Ook ten aanzien van landbouw en veeteelt verstrekten de Enqueste en de Informacie de oudste gegevens. Volgens de Enqueste hield de helft van de arbeidende bevolking van ScheIlinkhout zich in 1494 bezig met de koeienhouderij, die juist in die periode een slechte tijd doormaakte. De jaren voorafgaande aan 1494 waren bijzonder nat geweest, waardoor veel beesten stierven. De opbrengsten waren wel met de helft verminderd, waartegenover hoge lasten stonden. Daardoor waren de boeren niet in staat om nieuwe beesten te kopen. De in 1514 gehouden Informacie gaf minder gegevens dan de Enqueste. Er werd slechts vermeld dat de Schellinkhouters zich bezig hielden met zeevaart, haringvangst en bouwerie, waaronder dan wel de hele agrarische sektor zal zijn begrepen. Zulke gegevens werden uit latere eeuwen niet meer aangetroffen. De situatie zal zich echter niet veel hebben gewijzigd; Schellinkhout was door de eeuwen heen een dorp, waar de veeteelt van veel belang was. Deze veeteelt werd op de het dorp omringende weilanden bedreven. Dichter bij het dorp vond men de boomgaarden en de zaailanden, waar allerlei voor de consumptie bestemde gewassen werden verbouwd. Het aantal mensen, dat in de agrarische sektor werk kon vinden, was in de loop der eeuwen ook niet aan grote wijzigingen onderhevig. De landbouwmethoden veranderden niet fundamenteel, zoals in onze tijd wel het geval is geweest. Een flinke bevolkingsstijging, zoals omstreeks 1600, kon dan ook, wat de werkgelegenheid betrof, niet in de landbouw worden opgevangen. In die tijd vonden dan ook de zeevaart en visserij haar grootste uitbreiding. Langzamerhand begon de situatie in de agrarische sektor te verslechteren en de eerste helft van de 18e eeuw was zelfs een echte krisistijd. De weersomstandigheden waren gedurende een reeks van jaren bijzonder slecht, driemaal werd ons land getroffen door een veepestepidemie en daarnaast was er nog een geweldige muizenplaag. Voeg daarbij nog de hoge lasten, die er op de grond drukten (verpondingen, waterschapslasten) en men kan zich voorstellen dat het er voor de boer somber uitzag. De waarde van de grond daalde enorm. Dit trof de boeren weer extra, want op de grondprijzen van 1630 - dus nog uit de 'goede tijd' - waren de belastingaanslagen gebaseerd. Het was dan ook niet te verwonderen dat er in 1730 een nieuwe verponding plaats vond, zodat de verdeling der lasten op een wat billijker wijze kon worden geregeld.

Gelukkig trad er daarna weer een herstel op en de tweede helft van de 18e eeuw en de Franse tijd waren voor de land- en tuinbouwbevolking tijden van een redelijke voorspoed. De prijzen van vlees- en zuivelprodukten bereikten een hoog niveau en het aantal in de agrarische sektor werkzame mensen was nooit zo hoog als in die tijd. Hoogstens werd het in het verleden geëvenaard. De zeevaart had praktisch alle betekenis verloren, wat gedeeltelijk ook voor de visserij gold. Hiermee was een forse daling van het bevolkingsaantal gepaard gegaan. We kunnen dus stellen dat ons gebied in deze tijd in vergelijking met de eeuwen daarvoor het meest agrarisch van karakter was. Een in 1800 gehouden landbouwenquête omschreef dit als volgt: In de meeste dorpen van West-Friesland waren de boeren vroeger tevens zeelui. Het gebied was een kweekschool van matrozen, stuurlieden en schippers voor de koopvaardij. Men voer vrijwel nooit op Oost-Indië of op oorlogsschepen, want dat werd als een schande ervaren. Men was met zoveel land tevreden, als de vrouwen 's zomers konden beheren. 's Winters waren zij boer en leefden vergenoegd met vrouwen kinderen. In 1800 vond men het echter bijna een schande om naar zee te gaan en men legde zich enkel toe om aan wal te blijven en daar groot te worden. Degenen, die dat gelukte, verdrongen de kleine boeren, waardoor het aantal huizen en inwoners sterk verminderde. Voor wat West-Friesland betrof werd deze enquête gehouden door E. M. Engelberts (1731-1807), predikant en letterkundige te Hoorn. Hij had zijn antwoorden rechtstreeks van boeren ontvangen, zoals uit enkele van die antwoorden duidelijk blijkt.

Verkaveling der landerijen
Hoe was nu de verkaveling van de landerijen in het verleden? De vraag rijst of er in de loop der tijden wat dat betreft veel is veranderd. Gelukkig zijn er van Schellinkhout verschillende complete overzichten van landerijen bewaard gebleven. In de eerste plaats is er een lijst, die o.a. voor een verdeling in homanschappen is gebruikt. Homanschappen waren combinaties van bij elkaar liggende landerijen, waarvan de eigenaars of huurders een bepaald deel van een weg of dijk moesten onderhouden. Ieder homanschap stond onder leiding van één of meer hoofdlieden. Dit overzicht moet, gelet op de daarin voorkomende namen, uit omstreeks 1635 dateren. Het tweede overzicht werd op 30 mei 1707 door de burgemeesters Jan Jacobsz. Houtsager en Barent Jansz. Hauwert opgesteld. Ook hierbij was er sprake van een verdeling in homanschappen.
Dat het bij het overzicht uit 1707 ook om een verdeling van het wegonderhoud ging, blijkt uit de titel van het boek, waarin de landerijen en erven waren opgetekend: Stoelboeck van de heerenweg langs ons dorp over de stoelinge (= verdeling) van het leggen van de houten. De heerenweg was een andere benaming voor de dorpsweg; letterlijk betekende het de weg van de heer of van de graaf. Dit stoelboek werd door mr. A. de Goede als bijlage in zijn Swannotsrecht opgenomen.
Verder is er uit 1811 nog een lijst van alle landerijen en erven in de banne van Schellinkhout, die in verband met de belastingheffing werd vervaardigd. De oudste kadasterkaart dateert uit 1832; daarbij hoort een overzicht van alle landerijen, de zgn. oorspronkelijke aanwijzende tafel. Naast deze vier volledige overzichten, zijn er nog enkele fragmenten. In een vorig hoofdstuk zijn reeds de stoelbrieven van de Opperweg en van de Wijmers genoemd, resp. uit 1553 en 1555. Hierin worden alle landerijen, die waren betrokken bij het onderhoud van de Opperweg en de Wijmers, vermeld. Ook vóór 1553 werden uiteraard nog vele malen landerijen genoemd, vooral in transportakten, maar dan betrof het steeds één of enkele percelen.

Bij vergelijking van de hierboven genoemde overzichten blijkt dat een groot aantal landerijen in de loop der eeuwen niet of nauwelijks van vorm veranderde. Dit gold met name voor die landerijen, die wat verder van de dorpsweg waren gelegen. Om één voorbeeld te noemen: het Ruigeland of de Ruigeweid is een stuk land, dat tussen waterloos en Opperweg ligt. In 1496 kwam dit stuk land al voor en omstreeks 1635, in 1707 en in 1811 vond ik het terug. De oppervlakte was steeds hetzelfde (3 morgen en 140 roeden), zodat ook de vorm van het perceel vermoedelijk niet zal zijn veranderd. Het bovenstaande wil echter niet zeggen dat de verkaveling totaal niet aan wijzigingen onderhevig was. Soms werden er landerijen samengevoegd tot een groter geheel en in andere gevallen werd een stuk land in twee of meer delen gesplitst, wat bij erfenissen nogal eens het geval was. Hoe dichter men bij de dorpsweg komt, hoe moeilijker de percelen uit het verleden nog zijn terug te vinden. Dat is ook wel verklaarbaar. Dicht bij de dorpsweg vond men over het algemeen de erven, de zaailanden, de moestuinen en de boomgaarden, ook vaak van niet-agrariërs. Omdat in de loop der tijden het aantal huizen in het dorp nogal veranderde, wijzigde de bestemming van de dicht bij de dorpsweg gelegen percelen ook nogal eens. Op de ene plaats werd op een vroegere moestuin een nieuw huis gebouwd, elders maakte een boerderij plaats voor een boomgaard en op nog weer een andere plaats werd het voorste deel van een stuk weiland aan een paar mensen uit het dorp verhuurd, die er hun groenten op verbouwden. De grootste wijzigingen deden zich in het buitendijkse land voor, want daar verdween in de loop der tijden ongeveer de helft van het aanwezige land. Het ten zuiden van de Nek gelegen buitendijkse land is zelfs geheel in de golven verdwenen. De meeuwenkolonie bij de Nek is er ook niet altijd geweest. Voordat men de grond uit de put gebruikte voor de dijkverhoging, was dit gebied helemaal weiland met hier en daar wat rietkragen. Het gebied ten zuiden van de Wijmers en ten westen van Nanningweer, waar men de meeuwenkolonie aantreft, werd in het verleden de korte weere genoemd. Ook daar waar nu de nieuwbouw is verrezen, was vroeger alleen maar weiland.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.