Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon Monumentale Kerken

Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 65-68

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Het dorpsbestuur (13/13)

Hieronder volgt de rekening der molenkosten van 1812, die een idee geeft wat er zoal voor kosten werden gemaakt:

Rekening der Molenkoste gevallen in Schellinkhout in denjare 1812 onder den opsigte van Jacob Pietersz. Smit en Rens Hoorns.

Pieter Sweed maalloon en sjouwen     81.10.-
Pieter Noordeloos voor dito     65. 9.-
Cornelis van Halm geleverde houtwaren  301. 6.-
Lammert Sluis voor maken van een bovenwiel
en scheprat met insetten van de kuijp
 230.--.-
Dezelve timmerloon en spijkers etc.  212.11.8
Cornelis Vorst een leverantie steen    78.1.-
Tomas Gever voor geleverde touwwerk    7.--.-
Jan Bruul voor reusel, zeep en oly etc.   32.16.4
Cornelis Beemsterboer dekloone   10.19.-
Jacob Coopman voor geleverd ijser  148.11.8
Lammert Kempe voor dito    4.12.-
Klaas Bronkhorst rijdloone   56.15.8
Jb. Brouwer voor 3 nieuwe zeijle  111. 1.4
Hemon Timmer geleverde teer   11. 4.-
Tjeerd Bakkers verfloone   45.19.8
Wdu. Herm. Swiering voort vergieten van een put   39.19.-
Klaas Haan kroosen
(dito Teunis Bastiaansz., Cornelis de Vries, Pieter Kwik)
  57.16.-
Henk Mossing met besteding en kroosschouw   56.--.-
Patente en grondlaste    4. 4.8
Ophalen der Landschotte   40.--.-
Intreste   79.15.8
------------
1675.11.- 
Omgeslagen over 662 morgen 222 roeden per morgen: 2.8.- 1574.10.10
------------
Tekort  101. 1.6

Ook werden onder het toezicht van de molenmeesters periodiek de watergangen, dat zijn de sloten die voor aan- en afvoer van het water moeten zorgen, uitgebaggerd. De kosten daarvan bedroegen in 1766 bijv. 318.-.12, welk bedrag weer over de landeigenaren werd omgeslagen.
Het schoonhouden van deze sloten was meer een taak van het dorpsbestuur, dat voor deze werkzaamheden jaarlijks een aanbesteding hield. De sloten moesten aan beide zijden worden gezuiverd van kroos, riet, flap, bobels en ander ontuig. Voor ieder gedeelte, dat niet naar behoren was gedaan, moest een boete van ƒ 1.- worden betaald.
Uit een keur van het jaar 1663 blijkt iets meer van de taak van de watermolenaars. Zij moesten steeds malen, als het water buiten niet te hoog was, als de molen niet onklaar was en uiteraard als er wind genoeg was. Als zij hun plicht verzaakten, mocht iedereen hen bekeuren. De boete bedroeg bij een eerste verzuim een week maalloon, waarbij de helft van de boete voor de bekeurder was en de andere helft voor de armen. Bij een tweede verzuim was de boete twee weken maalloon en als hij zijn werk dan nog niet naar behoren verrichtte, werd hij van het molenaarsambt ontheven.
Niet alleen de inwoners van Schellinkhout zelf waren van de door de vroedschap te nemen maatregelen ten aanzien van de waterbeheersing afhankelijk, dat gold evenzeer of in nog ster-kere mate voor de bewoners van enkele andere dorpen, zoals Oosterblokker en Binnenwijzend. In tijden van droogte moesten zij aan Schellinkhout toestemming vragen om water te mogen inlaten. Regelmatig werden dit soort verzoeken gedaan en het kwam vaak op onderhandelen neer, waarbij Schellinkhout sterk in het voordeel was, omdat zij over het water beschikte en dus eisen kon stellen. Zo werd in 1669 door de vroedschap besloten dat Oosterblokker water kon krijgen, als 325 gulden of meer kon worden bedongen, maar zeker niet minder. Een jaar later - op 29 juni 1670 - besloot de vroedschap zelfs helemaal geen water naar Oosterblokker en Binnenwijzend te laten vloeien. De droogte hield blijkbaar aan, want een dag of tien later werd wel toegestaan om water voor deze beide dorpen in te laten. Wel moesten de burgemeesters van Schellinkhout 8 dagen vantevoren worden gewaarschuwd, wanneer men in Oosterblokker en Binnenwijzend dacht genoeg water te hebben ontvangen. Daarvoor mocht het gat in de Blokdijk, waardoor het water stroomde, niet worden dichtgemaakt op straffe van het dubbele van de overeengekomen som gelds. De inkomsten hieruit werden door de vroedschap voor het onderhoud van de kerk bestemd, die dat toen heel goed kon gebruiken. Een jaar eerder was namelijk al besloten om geld op lijfrente te lenen van mensen van 50 jaar en ouder tegen een rente van 8,65% per jaar. Nu kijken we er misschien vreemd van op, dat de overheid de kerk in die tijd zo royaal steunde, maar daarbij moeten we be-denken dat de hervormde kerk staatskerk was en dat het onderhoud van die kerk dan ook een overheidszaak was, zoals we ook al uit de dorpsrekening van 1765 hebben kunnen zien.
Ook de inwoners van Westerblokker deden wel eens een beroep op Schellinkhout, als het ging om hulp bij het naar buiten malen van overtollig binnenwater. In 1682 machtigde de vroedschap van Schellinkhout de burgemeesters om te beslissen over de vraag of en hoe door de Schellinkhouter watermolens hulp aan Westerblokker kon worden geboden.

Verklaring van enkele namen
In het vorenstaande zijn de namen van enkele wegen genoemd, waarvan het wel interessant is om een mogelijke verklaring te geven. De Meeweg dankt haar naam aan het woord mient of meent, dat gemeenschappelijk betekent; we zijn dit al tegengekomen in het begrip 'mientewegen'. De Meeweg was dus ook zo'n gemeenschappelijke weg. In het verleden komen we ook wel eens de naam Meelweg of Molenweg voor de Meeweg tegen: Aan deze weg stond vroeger namelijk de meelmolen, waarmee deze namen zijn verklaard. De Opperweg zou eigenlijk Hopperweg moeten heten, maar de eerste letter is in de loop der tijden verdwenen. Hop betekent droge of bijna droge inham of aanslibbing en dit klopt uitstekend met de ligging van de Opperweg, die uitloopt op het Schellinkhouter buitenland. De verklaring voor de naam Wijmers levert wat meer moeilijkheden op. Volgens mr. A. de Goede is wijmers (of woimers of wijmerik) een samenvoeging van de woorden 'wijd' en 'mark' (= gebied). In de samenstelling wijmerik zou dan op konsekwent Friese wijze de k zijn veranderd in ts (denk aan Sneek = Snits), waardoor we dus wijmerts kregen, wat uiteindelijk wijmers werd. G. Karsten stelt in zijn in 1951 verschenen werk over Noordhollandse plaatsnamen dat wijmers een samenvoeging zou zijn van wîme (= teenwilg) en mark, dus dan zou wijmers betekenen een gebied van teenwilgen. Deze verklaring lijkt mij toch minder aannemelijk.
In hetzelfde boek geeft Karsten als letterlijke betekenis van Munnekay: Monnikkade. De naam Munnekay (of Munnekey) zou óf hoogte, terp, waarop een klooster heeft gestaan óf gewoon mestterp kunnen betekenen. In de 13e bundel van het Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland' oppert J. Koelemeij nog weer een andere mogelijkheid. Naar zijn mening is de uitgang 'ey' van Deense oorsprong en zou de uitgang 'eiland' betekenen. Ook hier dus geen eenstemmigheid.

Voorts is er nog de Nanningweer of het Nannesweerwegje. Hierin vindt men de mansnaam Nanning of Nanne, terwijl 'weer' waterkering betekent. Een tweetal oude en reeds verdwenen namen levert problemen op. Het zijn de Grenterweg, waarmee het zuidelijke deel van de Wijmers werd bedoeld, en de Peperstraat, die achter de kerk naar het haventje toe liep. Volgens oude lidmatenregisters stonden er aan de Peperstraat zelfs enkele huizen. De herkomst van de naam Grenterweg is mij geheel onbekend, terwijl ook Peperstraat onduidelijk is. Men kent ook in andere plaatsen een Peperstraat (o.a. Hoorn, Enkhuizen en Broekerhaven) en steeds ligt deze straat in de nabijheid van een haven. Dit doet een relatie veronderstellen met de vaart op Oost-Indië, maar het aandeel van Schellinkhout daarin zal toch niet zo groot zijn geweest en bovendien beschikte het alleen maar over een klein vissershaventje.

Tenslotte de naam Schellinkhout zelf. Een volledig bevredigende verklaring hiervan is helaas nog niet gevonden, maar wellicht is die van G. Karsten in zijn hierboven al vermelde boek de juiste. Hij stelt dat het eerste gedeelte van de plaatsnaam, dat we ook aantreffen in Schellingwoude en Terschelling, afkomstig is van het Oudfriese skilenghe, dat scheiding betekent. In de Hollandse oorkonden wordt dit woord o.m. geschreven als scelinghe, schelinga, scellinck en schellinghe. Het tweede deel betekent gewoon bos. Schellinkhout zou dus betekenen 'bos aan de scheiding'. Welke scheiding hiermee wordt bedoeld, valt met geen mogelijkheid meer te achterhalen. Misschien wordt er een banscheiding mee bedoeld, wellicht betreft het een scheiding van water en land. Maar er zijn ook nog vele andere mogelijk-heden.

 


Hé, is dat Westfries?

22. Ik ben drie nachten te warskip geweest (te logeren). We krijgen vandaag twee warskippers (logés, logées).
Volksrijmpje:
Warskippers en vis
Bloiven maar drie dagen fris.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2020 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.