Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout » Pagina 26-29

Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout

Schellinkhout door de eeuwen heen (8/9)

Men teerde wat op de in het verleden vergaarde roem en de geschiedenis van Schellinkhout paste zich daar goed bij aan. Er gebeurden nauwelijks spectaculaire dingen.

Het opkopen der ambachtsheerlijkheid
In 1741 vond er echter iets plaats, wat zeker het vermelden waard is. Tot dat jaar behoorde de ambachtsheerlijkheid van Schellinkhout tot de eigendommen van de graaf en later tot die van de Staten van Holland. Dat betekende dat zij waren gerechtigd om de schout te benoemen en in ieder geval in het begin ook enkele andere ambten, zoals dat van bode en waagmeester, konden vergeven. Op 6 februari 1741 werd nu een groot aantal van dit soort ambachtsheerlijkheden uit de grafelijkheidsdomeinen verkocht om de door vele grote oorlogen ontstane schuldenlast te kunnen delgen. Eén der beide burgemeesters en de secretaris van Schellinkhout - Teunis Klaasz. Dekker en Heijn Hemmer - waren op 12 december van het voorgaande jaar al in Den Haag geweest om te zien of zij voor het dorp zelf de ambachtsheerlijkheid of de rechten die de graaf vroeger bezat, konden kopen, zoals wel vaker geschiedde. Zij boden ƒ 3000,-, maar dit bod was niet hoog genoeg, zodat zij op de 18e onverrichterzake weer naar huis terugkeerden, evenals vertegenwoordigers van Ooster- en Westerblokker, Wijdenes en Oosterleek, Hem, Abbekerk en Lambertschaag. De Staten van Holland kwamen echter terug op hun eerdere afwijzing van het bod en zo werden de burgemeesters van Schellinkhout in januari koper voor ƒ 3000,-. Een bedrag dat op losse renten werd geleend, welke rente in de vorm van een hoofdelijke omslag telkenjare door de burgers diende te worden opgebracht. In de koopconditie was opgenomen dat er een sterfman diende te worden aangesteld; dat is iemand die formeel als leenman optrad. Iedere wisseling van leenman ging gepaard met nogal wat kosten, die vooral bij verschillende funktionarissen in Den Haag terecht kwamen. Vandaar dat de door de vroedschap aangestelde sterfmannen vaak erg jong waren, zoals bijv. Jan Cornelisz. Laan in 1754, die omstreeks 4½ jaar oud was.

De kerk en omgeving met links vermoedelijk het oude raadhuis
De kerk en omgeving met links vermoedelijk het oude raadhuis
Gewassen tekening, toegeschreven aan A. de Haen, 1738
Provinciale Atlas van Noord-Holland.

Bouw nieuw raadhuis
In 1765 werd het nieuwe raadhuis gebouwd, dat nu nog steeds het dorp siert. Het oude raadhuis, waarvan de ouderdom toen al onbekend was, was erg bouwvallig geworden en kon niet meer worden hersteld. De burgemeesters lieten een ontwerp voor een nieuw raadhuis maken, waarvan de begroting op 3500 gulden kwam. Daar de bewoners niet in staat waren dit bedrag ineens te financieren, verzochten de burgemeesters aan de Staten van Holland en West-Friesland dit bedrag op rente te mogen lenen. Om voor rente en aflossing een fonds te stichten, kregen zij toestemming om van iedere zak rogge, die in Schellinkhout werd verbakken, zes stuivers te heffen, terwijl zij ook van ieder wittebrood en van iedere tarwebol twee penningen ontvingen, wat door de bakkers moest worden geïnd. Het grove brood of de zgn. achterlingen - het brood voor de gewone man - bleef onbelast. Tenslotte werd ook toegestaan dat voor allerlei materialen, zoals cement, kalk en steen, geen impost van de ronde maat en grove waren (een soort belasting) behoefde te worden betaald. De aanbesteding kon nu plaats vinden. Jan Roos en Remment Schuijt waren de laagste inschrijvers: 2700 gulden was de aanneemsom; daarbij kwam dan nog ƒ 240 voor tariefwerk. Het oude raadhuis bleek niet op dezelfde plaats te hebben gestaan als het nieuwe. Jan Barentsz. Smit ontving tenminste voor het afbreken en afbikken van de muur om het kerkhof op de plaats, waar het nieuwe raadhuis kwam, en voor het neerzetten van een nieuwe muur daar waar het oude raadhuis stond, ƒ 60,-. De totale kosten bedroegen ƒ 3639.7.12; daar ging vanaf de opbrengst van de materialen van het oude raadhuis (ƒ 31.4.8), zodat het nieuwe raadhuis uiteindelijk ƒ 3608.3.4 kostte. De rogge- en tarweaccijnzen brachten aardig wat geld in het laatje, gemiddeld ieder jaar zo'n 200 gulden. Geen wonder dat de laatste penningen al in 1785 werden afgelost. In een muursteen, die zich in de zijgevel van het raadhuis bevindt, wordt het volgende vermeld: De vier eerste steenen van dit Raadhuys syn gelegt door De Heer Gerard Jan Schagen, Marijtje Wouters Doos, Jan Pietersz. Crimpen, Jacob Smit, Den 23 July 1765. De eerste steenleggers waren allen kinderen van notabele ingezetenen. Marijtje Wouters Doos en Jacob (Pietersz.) Smit trouwden een aantal jaren later met elkaar en deze Jacob Smit werd één der leidinggevende figuren van het dorp. In het jaar van de eerste steenlegging - hij was toen 22 jaar werd hij al tot kerkmeester benoemd, in 1775 koos men hem voor de eerste maal tot burgemeester, een ambt dat hij - met onderbrekingen - bekleedde tot hij op 29 oktober 1815 's avonds om zes uur aan een langzaam verval van krachten overleed. Jacob Pietersz. Smit heeft tijdens zijn loopbaan heel wat veranderingen meegemaakt. Talrijke oude instellingen verdwenen en een nieuwe tijd brak aan.

Het in 1765 gebouwde raadhuis en de in de zuidgevel gemetselde eerste steen

Het in 1765 gebouwd raadhuis en de in de zuidgevel gemetselde eerste steen

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.