Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Dokter in West-Friesland » Pagina 112-116

De arts beleert zijn volk: O, Greta, Greta main! 1)

Kenne jullie Greta? Niet? Nou, den is 't wel gelukkig, dat jullie gien ja knikt hewwen, want den ware jullie d'er lillek inlopen. Weerom? Nou, omdat wai bai ons drie Greta's hadden. 'n Dikke Greta, 'n kwaie Greta en 'n dove Greta, allemaal goeie waive, ieder in z'n soort. Ze konne alle drie derlui mondje goed gebruiken, ja ze gebruikte 't welderes al te oftig, maar toch niet zô as ze dat wel graag wild hadden. Of 't deer nou van kwam, dat weet ik niet, maar ze hadde alle drie 'n slecht gebit. Dove Greta, de vrouw van Jan Keis, vroeger Jan Skaatje, omdat ie vroeger bakker en nou keiskôper in 't klain was, maar aigelek Jan van 't Zand hiette (zokke bainamen toch), was dat loof en wou eres kaike of ze gien nuwe kraige kon. Gien mens mocht 't weten en deerom ging ze helemaal allien op Hoorn of: Deer zit 'n tandendokter, die er wel nooit voor leerd het, maar die doet 't voor 'n prikkie en deer doen je en deer leit je ook wat voor; is 't niet zô? Hai zat boven 'n melksalon, die den metien as wachtkamer dienst kon doen. 't Ging dus alles op 'n kopie en op 't nommer of. Greta was nommer 3 en deer ien en twei enkel te passe hadde, was Greta gouw an de beurt. Ze most de trap op, 'n lange donkere gang deur en op kamer numero 99 deer zat ie, die aigelek zitte most, maar die nooit zat of zeten had.

Ze kwam er en tot zôveer ging alles goed, maar och jerum, jerum, later was 't net of ze op nommer 100 weest was.
Ze kwam binne. 'Dag meheer,' zai ze al erg zachgies. 'Dag mevrouwtje,' zai ie met buiging en vrindelek gezicht, haar 'n handje gevend. Hai zag wel, dat ze al 'n jaar of wat trouwd weest was en den wordt iedere juffrouw mevrouw noemd. Greta was 't aars nag nooit weest en gelukkig dat ze 't niet hoorde ok, aars was ze vast bang weest, dat 't voor Mevrouw Keis veul duurder wezen zou as voor 'n ienvoudige Vrouw Keis. Deerom kwam ze ienvoudig voor ok, ze was wel zô wais weest, dat ze 'r gouwen kap en 'r mooie jurk thuis leiten had, want dat skeelt, zien je, welderes in de prais.

'En waarin kan ik Mevrouwtje nu eens van dienst zijn?,' vroeg hai allervriendelekst, zacht glimlachend, met zain mooie handjes, weerop brede gouden ringen praikten, onschuldig in mekaar.
'Ja ziet U,' zegt ze zachgies, 'U moet 'n beetje luier prate, want ik ben al jaren doof en dat wordt met de taid er wel erger, maar niet beter op. Maar ik begraip wel wat je bedoele.'
Hij knikte en zij vervolgde: 'Ik kwam eres kaike of je nuwe tande in me zette konne? Maar dat mag niet veul koste hoor, want m'n man doet wel in keis, maar hai moet ze zelf ok eerst kope en je wete ok wel, hoe 't teugenwoordig met de zake gaat.' Hij, om 'r wat te kalmeren en of te leiden, vraagt zô langs zijn neus weg: 'Hoe oud bent U?' Zij: 'Wat zait U?' Hij, tamelijk luid: 'Hoe oud of U bent?' Zij, met de hand aan 't oor: 'Ik ken je zô niet verstaan, je moete 'n beetje luier praatte.' Hij met een stentorstem: 'Hoe.... oud.... bent U?' Zij: 'Ja, zo is 't. 't Is merakele koud en nou ben ik de hele week al verkouwen weest en den gonst 't en den suist 't in m'n hoofd of de wind er deur speult.'
Hij, al kon 't hem verder niet schelen hoe oud of ze was, maar haar toch nog wat willende afleiden, vroeg haar weer: 'Was uw moeder ook doof, zat 't soms in de familie?'
Zij, in dezelfde houding: 'Ja, ik zien wel, dat je 'n heleboel zegge, maar begraipe doen ik 't nag niet.'
Hij, brullend: 'Is uw moeder ook doo?'
Zij, lachend, 'Wel nei, deer komt 't niet van; we ete nooit broeder en heelemaal gien zoetighaid.'
Toe gaf ie 't op, gaat haar gemoedelek tegemoet, doet met duim en vinger onder- en bovenlip voorzichtig van elkaar en de zwarte en gebroken resten overziende, zet ie 'n gezicht, waaruit ze dadelek begraipt, dat 't 'n akelige indruk op hem maakt.
'Moet alles er uit?,' vraagt ze.
Hij knikt van ja, doet net of 't 'm erg spait en maakt een beweging met de handen, die aangeeft: 'Dat er spaitig genog niks aars op zit.'
Angstig vraagt ze: 'Doen je 't zonder pain?'
Hij schudt van neen.
Zij: 'Den zie ik er merakel teugen op.'
Hij haalt een papiertje voor de dag en schrijft: Het spijt mij dat ik 't U zeggen moet, dat heel uw mond één grote rotzooi is, die U de vreselijkste kwalen bezorgen kan. Alles moet er uit, èn om uwe gezondheid, èn omdat U anders onmogelijk een nieuw gebit krijgen kunt. Gaat u maar gerust zitten in die mooie rode stoel en ik zal ze zo vlug trekken, dat U er niets van voelt. Er komen hier zoveel mensen en ze gaan allemaal weer blij weg!! Ze neemt het briefje, rommelt wat in d'r tas en zegt: 'As ik nou m'n bril maar niet vergeten hew.' Eindelijk vindt ze die en leest, schudde 't hoofd bij den slotzin 'en ze gaan allemaal weer blij weg' en teruggevende roept ze in twijfelangste uit: 'Dat ken jij wel zegge!' Maar het zwaarste het zwaarst latende wegen, vraagt ze: 'Maar nou weet ik nag niet wat het kost.'
Hij, ter zijde: 'Dat zou wat helpen, als ik 't zei.' Waarop ze inviel, alsof ze 't verstond: 'Nou, dat ken je ok wel skraive.'
Hii schreef dan ook weer op 't zelfde papiertje: 'Hoogstens 70 gulden.' Dat lezende vraagt ze: 'Is deer 't trekken ok bai?' Hij knikt van ja. 'Maar vrouw van Leeuwen hew je voor 60 golden holpen!' Hij schrijft weer op 't papiertje: 'Die had niets meer te trekken.'
'Nou, den most 't toch maar beure. Ik ben der nou expres voor kommen en aars komt er vast nooit meer van.'
Hij verwijst haar naar de stoel en brengt haar door gebaren aan 't verstand, dat ze haar schoenen en mantel uittrekken en haar hoedje afzetten moet.
Schoorvoetend loopt ze naar de stoel en gaat er in zitten. Ze had ze thuis zo mooi niet. Ongemerkt en galant duwt hij de voeten in de vernikkelde muiltjes van de stoel, slaat er een paar riempjes om, waardoor de voeten er niet uit kunnen. De armen moeten rusten op de leuningen van de stoel, waar metalen boogjes overheen gaan, zodat handen noch armen zich kunnen uitslaan. Het hoofd wordt tussen fluwelen kussentjes vastgedrukt en de stoel, die wat hoog stond, laat hij door lucht- en voetdruk een weinigje zakken.

'Wat haal je nou met mij uit?,' roept ze angstig.
Om haar te kalmeren klopt hij haar heel lief op de wang. Doodsbleek vraagt ze: ,'t Doet geen zeer hei, hew je zaid?'
Hij knikt met het hoofd van neen, wat haar doet veronderstellen, dat het zonder pijn geschieden zal en maakt bovendien nog handbewegingen, die als even zoovele gebaren haar zeggen moeten: 'Maak je maar helemaal niet ongerust.' Hij trekt onderwijl zijn jas uit, slaat zijn hemdsboorden naar boven om en rolt een metalen tafel met allerhande instrumenten rechts van de patiënte. Een grote kom, vier glazen water, een berg watten en een paar handdoeken zijn aan de andere zijde van de patiënte 'verzameld. 'n Ouwe, verarmd uitziende heer, die doodstil in een hoek van de kamer dat goede werk aangezien had, sluipt stil en zachtjes tot naast de patiënte, om als quasi assistent met zijn artstitel de ongeoorloofde geneeskundige behandeling van de volslagen onbevoegde te dekken.
'Wat moet die lilleke kerel hier?,' heeft ze nog even tijd om te zeggen, als de trekker zijn met nikkel omgeven vinger tussen de kaken en zijn duim tussen de lippen zet, onmiddellijk gevolgd door een vreselijke gil, nog een. 'Skai uit, skai uit!' Weer een ijselijke schreeuw. 'Leit me los, leit me los!' Weer gillen, huilen; de tanden vliegen alle kanten heen. 'Skai uit, skai uit! De are helft moet staan blaive!'

Ja, welk monster laat zijn prooi los? Nog 'n paar gillen, weer een kies en toen een schreeuwen en brullen als men maar zelden hoort en 't was zo erg, dat alle aanwezigen, die beneden in de wachtkamer zaten, de aftocht bliezen. Maar 't ergste kwam nog. Toen angst en pijnen zwegen, zakte de patiënte in mekaar. Dat gaf 'n consternatie. 'Handen los, polsen wassen,' verordineerde de bevoegde. 'Port halen, met eau de cologne de slapen verfrissen, hoofd voorover, 2 glazen port ingieten, hartstreek wrijven, alle banden los, niets hielp; dan de stoel maar los en daar gingen de benen in de hoogte, het hoofd op de grond. Allen namen in verslagenheid een afwachtende houding aan. 't Was een wassenbeeldengroep zonder leven. De huisjuffrouw, die gekomen was voor de kousebanden van de patiënte, de meid met de haar gecommandeerde karaf met water, de trekker met onafgebroken blik op de bevoegde, die nog niet zo verlopen was of kort daarna, de trekker aankijkende, zeggen kon, dat de pols opkomende was. Een paar zuchten en 't 'weer ben ik' bracht de al veel te lang verwachte ontspanning. De stoel weer in de goede stand te brengen, was 't werk van een ogenblik. Als men een van hoger jngegeven berusting blikte de patiënte in 't ronde; 't bijkomen ging nu vlot. De armen rustende op de leuningen, de rug vastgedrukt in de stoel, nam ze 'n houding aan 'as in 't leuniekie thuis bij vader'. Ze begon weer te praten en 't geluk was met de brutale geweest. Edoch, niet geheel. Een paar haakjes van haar 'borssie' vastmakende en 't kleedje, dat wat besmoezeld was, met de hand afwrijvende, kwam ze onwillekeurig in haar schoot en vond daar een paar kiezen als een paar kwaadaardige getuigen. De ene in haar hand nemende, werd van alle kanten bekeken en de bevoegde gegeven met het verwijtende: 'Wat zit deer 'n stik bien an', terwijl an de aar 'n heel bonk vleis zat. 'En allewe1,' zei de trekker, toen men ze hem ook zien liet, 'beter te veel dan te weinig, de menschen moesten eens weten, wat 'n last ze van de worteltjes kunnen hebben, als dokters, die niet trekken kunnen, die er in laten zitten.'

'Dat ken weze,' zei de juffer, die met Greta van 't zelfde dorp kwam en zo ontsteld uit de wachtkamer gevlogen was, dat zij bij Geel wel drie glaasjes water moest drinken, voor ze in de autobus kon, 'maar ik moet 'm niet meer.'
Als men lijden moet, als men 't dan maar in Godsnaam in stilte en alleen mag doen, dan is 't nog dat stille leed, dat makkelijk vergeet; maar als iedereen daarbuiten zijn neus er aan veegt en telkens de wond weer wordt opengereten, dan blijven er naweeën over, die erger dan pijnen zijn. Dat ondervonden ook Greta en de dochter van de verver, die met Greta 'om nuwe kieze uit weest was'. Toen de dorpsgenoten van hun wederwaardigheden hoorden, werden zij er spottend mee geplaagd en erger nog, er waren er 'n hoop, die er in groeiden. 'Net eres goed,' zaiden ze.
'Wat doen ze er? Ze hadde toch in derlui aigen dorp de beroemdste kiezentrekker van heel 't vaderland. Wat hewwe ze zo'n man voorbai te lope, die 't meer om de eer as om de cente doet. (Nou, dat zelle we nou maar zo leite, hei?) Wat weerlicht, is 't zo niet? Hai begunstigt Jan Keis toch met keis en Jan Vurf toch met vurf? 't Is net as met Piet Loovig de slager, die brengt z'n waar heel nei Ierswoud, de Langerais en m'n peet mag weten weer meer, maar as de waitbroeker boeren nei Alkmaar of nei Purmerend gaan, den neme ze Kuunse karbenades of Purmerender rookworst mee, 't laikt wel of 't niet goed is as 't niet van veer komt.' 'Dat mag nou wat en dat ken nou wel weze,' zai Greta, 'maar ze kenne van main part koekhakke. Ik hew 'n nuuw gebit en ik ben d'r blaid mee, ik lust alles, alles smaakt me en ik ken der weer lekkertjes mee baite ok.'
'Van der ofbaite ok,' zai der man.

1) West-Frieslands Oud en Nieuw II, blz. 155 vlgg.

Afbeelding pagina 116

 


Hé, is dat Westfries?

721. Kalkedodders zijn kale, jonge vogeltjes, die nog maar korte tijd uit 't ei zijn.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.