Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Reiscommissie Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » Boeken » Dokter in West-Friesland » Pagina 7-11

Inleiding

Doktersboeken zijn al jaren in de mode: nationaal en internationaal. Men kan hieruit de gevolgtrekking maken, dat de dokter, zo niet een geliefde, dan toch een het grote publiek boeiende figuur is, en in deze kwaliteit niet onderdoet voor het leger van persoonlijkheden dat verder aanleiding geeft tot het schrijven van best-sellers met meer of minder verantwoorde inhoud: ontdekkingsreizigers, detectives, filmsterren, sterke mannen - in de politiek, in de sport of in de liefde -, gevaarlijke vrouwen en ruimtevaarders.
Gezien de categorie van helden en heldinnen waarbij hij is ondergebracht, zal zijn wetenschappelijke betekenis niet het meeste hebben bijgedragen tot de wijd verbreide belangstelling. Toch is het weer te simpel deze uitsluitend af te leiden uit belustheid op sensatie of de daaraan verwante behoefte van de lezers zich te verdiepen in de beschrijving van kwalen, in 'gehypochonder', die stellig wel de sterke aantrekkingskracht van allerlei populariserende medische of 'medische' werken helpen bepalen. Het is immers niet de medicus als vakman die in de doktersboeken beschreven en genoten wordt; van de vaktechnische werkzaamheden van hun held geven ze meestal zelfs - als ik goed ben ingelicht - een halfslachtig, geromantiseerd en zelfs wel geheel foutief beeld.
Zo tenminste oordeelde de oude dorpsdokter van Spanbroek, G. C. van Balen Blanken, toen ik de tijdens de jaren van zijn rust te Bovenkarspel al langzaam aandeinende golf van doktersboeken ter sprake bracht.
"Weet je," zei hij, "wij dokters hebben voor gewone mensen - en dat zijn er meer dan je denkt - altijd wat van tovenaars die met hun vak-abracadabra en een geest in een fles of potje de kwaaltjes wegjagen: medicijnmannen, zou je kunnen zeggen. Ik had vroeger een eigen apotheekje, daarin werden de medicijnen door mijzelf of door mijn vrouw klaargemaakt. Ik geloof vast, dat ik zo meer overwicht op mijn patiënten heb gekregen."
Je wist, als hij zoiets zei, nooit helemaal zeker, wat hij ervan meende. Tussen hem, de voor zijn tijd moderne huisarts, verstandelijk en nuchter zodra het zijn vak betrof, en de 'medicijnman' van de primitieven - magiër, geestelijke en geneeskundige in één persoon - leek de afstand wel bijzonder groot. Zijn hele lange leven had hij gevochten tegen het op medisch gebied voortwoekerende bijgeloof en de kwakzalverij: in zijn praktijk, ook in woord en geschrift. 1) Hield deze opmerking een late erkenning in van de feitelijke mislukking van zijn streven?
Zou hij ingestemd hebben met de opvatting dat de oude medicijnman - door de wetenschap geleidelijk gesplitst in de rationalistische arts aan de ene, de magiër en de geestelijke aan de andere kant - voor de massa met haar behoefte aan mystiek en romantiek toch nog altijd is blijven voortbestaan in de medicus van nu: een bezweerder in witte jas, die de mysterieuze spreuken in potjeslatijn en de hiërogliefen van onontcijferbare recepten even geheimzinnig hanteert als het in de plaats van de toverstaf gekomen lancet, de stethoscoop en andere hedendaagse wonder-instrumenten?
Ik geloof het niet: hij hield niet van zulk soort bespiegelingen. Waarschijnlijk wilde hij alleen maar zeggen, dat het succes van de dokter als held van een roman evenzeer als bij zijn strijd tegen ziekten sterk afhankelijk was van de suggestie van zijn hele persoonlijkheid.
Met deze opvatting karakteriseerde hij zichzelf. Wie hem kenden, waardeerden in hem de complete mens, wat ook duidelijk blijkt uit de verhouding tot zijn patiënten. Behalve voor hun kwalen kwamen deze bij hem met moeilijkheden van alle denkbare aard: ze riepen zijn hulp in voor het oprichten van verenigingen, het organiseren van tentoonstellingen en het vieren van feesten niet minder dan voor het oplossen van familietwisten, de regeling van erfenissen, het spreken bij een graf of het kopen en bouwen van huizen. 2)
Zijn levendige, opgewekte aard leek zich meer nog dan aan de gezonden aan de zieken mee te delen. Van hem ging de mare, dat hij 'je beter praten kon', onverminderd de op meer dan één wijze uit te leggen opmerking van de oude boer die meende, dat de dokter, als het van praten afhing, gemakkelijk professor had kunnen wezen. Verweven met zijn sterk suggestieve omgangswijze was een zeer on-middellijke mensenkennis, die hem, waar nodig, als vanzelf bracht tot een, in al zijn eenvoud, even oorspronkelijk als doeltreffend handelen. 3)

Het is moeilijk na zoveel jaren bij al wat er over hem verteld werd en wordt, werkelijkheid en verdichting uit elkaar te houden. Aan de weinig tot persoonsverheerlijking neigende aard van de West-Friezen zal het wel grotendeels gelegen hebben, dat er nooit een volledige mythe om hem heen geweven is.
Wanneer ik afga op wat ik soms te horen kreeg ten aanzien van zijn kennis van West-Friesland, moet hij in ieder geval de alwetendheid van een halfgod nabij zijn gekomen. "Zou je daarvoor niet veel beter naar Van Balen Blanken kunnen gaan?," was de herhaaldelijk geuite wedervraag, wanneer ik op het gebied van gebruiken of dialect vragen stelde. Daarbij deed men dan, zoals mij later bleek, zichzelf nogal eens te kort en overschatte even vaak de dokter, ongeacht diens inderdaad zeer grote kennis. 4)
Maar niet alleen het karakter van zijn streekgenoten, ook de figuur van Van Balen Blanken zelf, eenvoudig, begrijpend, sociaal, ernaar strevend een van hen te zijn, vormde een beletsel voor het ontstaan van een mythe.
Wat voor elementair geweldige afmetingen een dokter in een plattelandsgemeenschap kan gaan aannemen in de verbeelding van het volk, zien we aan de gestalte van dokter Tjerk van Taeke in Antoon Coolens 'Dorp aan de rivier'.
Gerard Cornelis van Balen Blanken van Spanbroek is stellig in enkele opzichten vergelijkbaar met de aan Tjerk van Taeke ten grondslag liggende Jacob Wiegersma, dokter van Lith. Evenals hij had Wiegersma, als zoveel dorpsdokters in die tijd - en ook nu nog wel - een praktijk verspreid over een groot aantal vlekken, dorpen, gehuchten en alleenstaande boerderijen. Ook Van Balen Blanken was, meer dan de geestelijke en de schoolmeester, de vraagbaak en de steun van tallozen. Maar groot is het verschil. Hoeveel minder dan Wiegersma kwam hij in pijnlijke botsing met tradities en heilige huisjes, met de vastgeroeste opvattingen van officiële persoonlijkheden en bekrompen, ouderwetse en bijgelovige boeren.
Door zijn onafhankelijkheidszin en zijn rechtlijnigheid is de uit Friesland afkomstige dokter van het Brabantse dorp Lith eerst het voorwerp van achterklap en verguizing, later van verering geworden. De tijdens zijn leven algemeen geëerde arts van Spanbroek heeft mede door de afwezigheid van grote conflicten met zijn omgeving, door zijn 'aangepastheid', na zijn dood heel wat minder diepe sporen in verbeelding en herinnering nagelaten. Wat niet betekent, dat hij daarom verdient vergeten te worden.
Coolen heeft de gegevens voor de held van zijn roman, waaraan hij natuurlijk zelf ook geboetseerd heeft, vooral geput uit familieverhalen en de plaatselijke overlevering. 5) Hij vond daarin de weerbarstige Wiegersma, die onder zijn pen uitgroeide tot de meer dan levensgrote dokter Van Taeke, in aanleg kant en klaar. Ook voor een op Gerard Cornelis van Balen Blanken van Spanbroek geïnspireerde roman zijn nagelaten bescheiden en in omloop zijnde verhalen zeker van grote betekenis geweest. 6) Wanneer deze, hoe aardig en onderhoudend ook, nergens stijgt tot Coolens hoogte, is men licht geneigd dit toe te schrijven aan het verschil in peil tussen de beide schrijvers. Zonder nu Coolen te willen onder- en de Westfriese auteur te willen overschatten, kan men na het bovenstaande vaststellen, dat de aard van het materiaal ook een rol heeft gespeeld: Coolen kreeg een heel wat pakkender, van romanciersstandpunt gezien dankbaarder stof te verwerken.

Bladerend in oude paperassen, pratend met hen die de dokter van Spanbroek hebben gekend, moet men wel onder de indruk komen van de vreedzaamheid en de rust die, bij alle rusteloze werkzaamheid, diens leven hebben gekenmerkt.
Natuurlijk blijft men met de in overvloed ter beschikking staande kranteverslagen van in het openbaar uitgesproken redevoeringen, eentonig juichende artikelen naar aanleiding van ambts- en gezinsjubilea en de meeste officiële bescheiden maar aan de oppervlakte. Grotere waarde voor de kennis van de persoonlijkheid hebben de vele bewaard gebleven gelegenheidsgedichten, vooral als ze gemaakt zijn voor de eigen kring, en ook de letterkundige proeven, die bij aandachtig lezen vaak de sfeer waarin geleefd werd, vermogen op te roepen; de grootste zeker de brieven aan familieleden, vrienden en kennissen, waarvan er, jammer genoeg, maar enkele nog over zijn.
Van belang zijn daarnaast de oude foto's en portretten. Toch moeten deze, evenals het overige materiaal, omzichtig gebruikt en 'vertaald' worden.
Ook zij geven vaak een bedrieglijk en sterk gestileerd beeld van de tijd en de omstandigheden waarin de betreffende personen hebben geleefd. De aandacht van de beschouwer wordt afgeleid door pose en kostuum, waarachter de eigenlijke persoonlijkheid schuilgaat. Dit beseft men al bij het bekijken van foto's van zichzelf en van leden van zijn naaste kring van enkele tientallen jaren geleden. Hoeveel te meer geldt het dan niet voor een periode waarvan het begin bijna honderd jaar achter ons ligt en die bovendien nog gekenmerkt werd door deftigheid en 'goede manieren', die veel uitingen van wat wij nu volkomen natuurlijk vinden, onmogelijk maakten.

Het meeste houvast had ik daardoor welbeschouwd aan de herinnering aan de gesprekken die ik zelf met de dokter heb gevoerd in de periode van vriendschap die ons de laatste jaren van zijn leven verbonden heeft. Dat mag vreemd lijken: ze heeft immers maar zo kort geduurd en omspant uitsluitend wat men onvriendelijk iemands nadagen gelieft te noemen. Maar alleen toen ben ik in aanraking geweest met een levende persoonlijkheid die als geheel met de beste wil van de wereld in geen nagelaten document of geschrift is terug te vinden.
Een bezielde en bezielende persoonlijkheid, waarin intelligentie, werkzaamheid en vriendelijkheid een harmonisch geheel leken te vormen.

Degene die verwacht, dat ik 'dieper' zou 'graven', die mompelt over landelijk Victoriaans gedoe, die zich psychologische doorgronding met bijbehorende complexen niet wenst te laten ontgaan, moet ik, in wat komt, teleurstellen: aan 'onthullend' geschrijf over het mij ter beschikking staande materiaal waag ik mij niet. Laat ieder overigens naar hartelust interpreteren, wat ik aan gegevens te bieden heb.

De lezer is gewaarschuwd: een in enig opzicht schokkend doktersverhaal staat hem niet te wachten. Hij leest verder - als hij dat al doet - op eigen verantwoording.

1) Zie blz. 36 vlgg.
2) Eén huis heeft zelfs, blijkens een door de eigenaar aan de dokter gewijd rijmpje te zijner eer de wonderlijke naam 'Het Vale Baliaantje' gedragen als dankbetuiging voor een bij het bouwen ontvangen raad.
3) Zie blz. 35 vlg.
4) De reactie zal, behalve door bewondering voor de dokter, ook wel eens door verlegenheid of onwil ten opzichte van de nieuwsgierige vrager ingegeven zijn.
5) Men vergelijke o.a. een artikel in het Algemeen Dagblad van 17 september 1958: 'Dokter Tjerk van Taeke heeft geleefd zoals Coolen schreef'.
6) Jac. Broersen: Rijtuig voor…, Hoorn 1946.

 


Hé, is dat Westfries?

460. Hij heeft 't wild in de bienen (hij is erg gehaast, bv. in z'n werk). In z'n haast stroffelde (struikelde) ie over 'n steen.

Klik hier voor meer Westfriese woorden en uitdrukkingen.


© 1924-2019 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap - Privacyverklaring

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.