Geschiedenis van West-Friesland in vogelvlucht
Deel III: West-Friesland en het platteland
3. Doorsnede van de Westfriese Zeedijk

Klik hier voor een grotere afbeelding.
Zo ziet de dijk er schematisch uit, als we een doorsnede zouden maken. Aan de hand van dit plaatje kun je
zien hoe er eeuwenlang steeds aan de dijk is gewerkt. Achtereenvolgens zien we:
a. De allereerste dijk, opgehoogde grond direkt op het veen. Daarop een kleilaag. Deze lagen stammen uit de 13e
en 14e eeuw.
b. Vanaf de 14e eeuw - voor het eerst lezen we over de dijk bij St. Maarten in 1319 - tot in de 18e eeuw, dus
meer dan 400 jaar, werd de dijk grotendeels van zeewier gemaakt, en gelegd op een laag riet. Duizenden
kubieke meters wier werden rond Wieringen gemaaid of opgevist uit zee (vandaar de naam). De wierdijken werden
wierriemen genoemd en waren ± 7 meter hoog en 12 meter breed. Voor een hoogte van 7 meter platgeperst wier was
40 meter vers wier nodig! Bovendien moest de bovenste laag regelmatig worden aangevuld. Tegen de wierriem aan
werden houten palen geslagen, die zorgden dat het wier niet wegspoelde. Hiermee was erg veel hout gemoeid. Nadat
jarenlang hout was gebruikt, kwam vrij plotseling één van de grootste dijkproblemen: de paalworm! Schrik en
wanhoop waarden door West-Friesland toen zo rond 1730 een volstrekt onbekend dier verscheen, dat al snel ieders
veiligheid bedreigde. Zeewormen werden ze genoemd of "het voortknagend zeegewormte, kokerwormen,
verschrikkelijke dijkpaalwormen, de plaag". Beesten die zich enkel en alleen met hout voedden en binnen de
kortste keren de palen doorvraten, waardoor stukken dijk in zee verdwenen. Zoveel mogelijk mensen werden
ingeschakeld om het dijkverval tegen te gaan. Extra palen werden erbij gezet, allerlei smeersels op de palen
werden uitgeprobeerd, er werd een prijsvraag uitgeschreven voor een oplossing, maar niets hielp. De enige
remedie bleek helemaal van het gebruik van hout af te stappen en over te gaan op steenblokken (c).
De stenen werden aangevoerd uit Noorwegen, Jutland, Noord-Duitsland, Drenthe, Brabant en de Rijnstreek (bazalt).
In 1802 werd al anderhalf miljoen ton steen verbruikt. En steen is het gebleven. Ook nu nog zijn bazaltblokken
het belangrijkste materiaal voor de zeedijken, afgedekt met gras.