Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1985 » Pagina 123-127

Vijftiende-eeuwse Vlaamse vishaalders in de kop van Noord-Holland

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 52e bundel, pagina 123-127.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1985.
Auteur: J.T. Bremer.

Vis was in de middeleeuwen – en ook in de eeuwen erna - een belangrijk onderdeel van het dagelijks menu van onze voorouders. De grote vraag naar voedsel in het dichtbevolkte Vlaanderen was dan ook van grote invloed op de visserij en de daarmee verbonden bedrijvigheid (scheepsbouw, zeilmakerij, visverwerking, vishandel).

Omstreeks 1550 wordt in de Vlaamse kuststeden zelfs beweerd dat 'de visscherie van ouden tijden altijts gheestimeert es gheweest eene van de drie principaelste neeringhen'12.

Het ligt voor de hand dat de voor Vlaanderen bestemde vis aanvankelijk grotendeels afkomstig was uit de onmiddellijke omgeving; te weten het Vlaamse kustgebied en de zeegaten van het deltagebied tussen Noord Vlaanderen en het zuiden van het vaste land van Holland.

In verreweg de meeste gevallen ging het hier om 'dagvisserij', dat wil zeggen dat 's morgens werd uitgevaren en 's avonds werd 'binnengelopen'. De typische gebondenheid van de visserij met het land werd mede veroorzaakt door geringe bekendheid met conserveringsmogelijkheden, waardoor de 'reistijd' zo kort mogelijk moest worden gehouden.

Een andere beperking was de geringe kapitaalkracht. Zeker in de periode vóór omstreeks 1200 waren de vissersscheepjes niet meer dan grote (open) roeiboten. Terwijl te Nieuwpoort in een keur van 1163 nog uitsluitend sprake is van verse vis (haring, kabeljauw, makreel, schelvis en enkele soorten platvis) die per 'buza' (een open roeiboot) werd aangevoerd, is een kleine honderd jaar later – in een schepenbrief van 1247 – sprake van haringschip (magna navis) en slabbert (kleine, open volgboot). Uit de schepenbrief kan men opmaken dat wanneer het haringschip op de visgronden was aangekomen een vijftal bemanningsleden vanuit een slabbert met behulp van lijnen en haken probeerde of men kans op succes zou hebben. Tijdens de eigenlijke vangst werden reeksen drijfnetten (vleten) gebruikt. Die netten werden door de bemanning (soms meer dan 20 'vennoten') zelf geleverd2.

Behalve haring werd er ook kabeljauw (met 'heckres', d.w.z. hoekers) en makreel (met 'makereelboeten') gevangen. Al deze vis werd met zout besprenkeld (gesteurd) en in manden (korven) aangevoerd (korfvis)3.

Uit het feit dat gravin Margaretha in 1274 haar beklag deed bij de Engelse koning over de arrestatie van 22 Nieuwpoortse haringvissers die te Berwick upon Tweed waren geland, kan men afleiden dat de Vlaamse vissers omstreeks het midden van de 13e eeuw de Noordzee tot vóór de Engelse kust bevisten4. De rekeningen van de koninklijke tollenaars te Scarborough laten zien dat van juli tot september 1305 meer dan 110 boten, afkomstig uit de verschillende Vlaamse havens en kustplaatsen in totaal bijna 220 last haring aan wal brachten5. De berekening van de meestal kleine ladingen geloste haring per duizendtal doet vermoeden dat de haring los (of in korven) werd aangevoerd. Uit de rekeningen blijkt tevens dat (in het voorseizoen) door Vlaamse (en Franse) vissers zout in de Engelse havens werd aangevoerd. Er is echter nog geen sprake van gekaakte – in tonnen verpakte – Noordzeeharing, althans geen enkele tekst vóór 1393 wijst daarop6.

Onder kaken verstaat men de bewerking van haring waarbij de (bederfbare) ingewanden van deze vis door een snede met een kaak- of gutmes werden verwijderd. Daarna werd de haring gezouten en in tonnen gelegd, om vervolgens aan de wal opnieuw te worden gezouten en verpakt. Toen deze uit de Baltische landen afkomstige techniek in de 14e eeuw ook op de Noordzeeharing meer en meer werd toegepast kon men langer op zee verblijven. Een belangrijk gevolg hiervan was weer dat er steeds groter en beter toegeruste schepen in bedrijf werden genomen. Het uitrusten van deze schepen maakte een meer kapitalistische bedrijfsvoering noodzakelijk. Het gevolg was dat de bemanningsleden niet langer vennoten, mede-eigenaren, waren, doch 'huercnapen' (loonarbeiders).

Na omstreeks 1450, toen de vissers op grote schaal tot het kaken van haring overgingen, werd het korfschip meer en meer door de haringbuis verdrongen. Vijf en twimig jaar later is er in de 'verre' haringvisserij alleen nog maar sprake van 'buusen'7.

Er was inmiddels een duidelijk onderscheid gekomen tussen de 'verre' of 'grote' (zoutharing en – kabeljauw) en de 'kleine' (verse) visserij. De 'kleine' visserij werd vooral beoefend vanuit de meer oostelijk gelegen kustdorpen (Blankenberge, Lombardsijde, Heist, Wenduine), terwijl de (verre) haring- (en kabeljauw)visserij zich had geconcentreerd in de havens van Oostende, Nieuwpoort en Duinkerken. Omstreeks 1400 hadden in deze zeestadjes resp. 55, 33 en 37 stuurlui (schippers) hun thuishaven. De omvang van de vloot wordt door Degrijse getaxeerd op 150 eenheden. De getalsterkte van de Zeeuws-Hollandse vloot bedroeg blijkens een remonstrante (verzoekschrift) om steun vanwege de hertogelijke regering in het jaar 1476, ongeveer 250 eenheden; elk met gemiddeld 25 koppen bemand. Hierbij waren de Friese schepen inbegrepen8.

Over de zeevisserij van de Noordelijke Nederlanden in de middeleeuwen is weinig bekend. In zijn bijdrage aan de sociaal economische geschiedenis over de periode 1490-1580 schrijft Boelmans Kranenburg: 'In 1490 heeft de visserij in de Noordelijke Nederlanden reeds een ontwikkeling van ruim twee eeuwen achter de rug. Zij is opgedrongen uit het zuiden en heeft zich kunnen spiegelen aan hetgeen aan de Vlaamse kust en aan de noordelijke oevers van de Honte geschiedde. Om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar levensmiddelen in het volkrijke Vlaanderen ontstond allereerst een visserij in stromen en zeegaten van het deltagebied, daarna een kustvisserij en tenslotte een zeevisserij'9. Jammer genoeg ontbreekt de bewijsvoering, maar een en ander klinkt alleszins waarschijnlijk. Het visgebruik in Vlaanderen was blijkbaar zo hoog dat Vlaamse (en Zeeuwse) vishaalders vis opkochten tot in het hoge noorden van Holland en omstreeks 1480 ankerden in het Heersdiep. Het Heersdiep was een iets ten zuiden van het Marsdiep gelegen zeegat dat destijds de scheiding vormde tussen het toenmalige waddeneiland Huisduinen en het zuidelijker gelegen waddeneiland Callantsoog (oog=eiland).

Het in de 12de eeuw – bij de stormvloed van 2 nov 1170? – ontstane Heersdiep was in de 14de eeuw ongeveer even groot als het Marsdiep. Toen Jan van Blois in 1358 Texel bezocht betaalde hij voor de overtocht over het Heersdiep 28 schellingen en 8 penningen en voor de overtocht over het Marsdiep 32 schellingen10. Terwijl het Marsdiep steeds meer tot ontwikkeling kwam, verlandde het Heersdiep echter in het begin van de 16de eeuw. Deze voortgaande verlanding nu was aanleiding tot conflicten tussen de heren van Brederode (Callantsoog) en van Egmond (Huisduinen). Het Heersdiep was nl. de grens russen beider jurisdictie. Uit een in 1526 in opdracht van het Hof van Holland gedaan onderzoek naar de situatie ter plaatse blijkt ondermeer dat de 74-jarige voormalige schout van Callantsoog, Maerten Adriaensz, verklaard heeft dat “tusschen veertig en vijftig jaaren (geleden) zoo plag 't zelve Heersdiep te wezen drie vaem (ongeveer 5 meter) ofte daerontrent (en dat) die schepen uyt Zeelant ende Vlaanderen komende in 't Oeg (Callantsoog) van visch te haelen plagen daarin te leggen gelijken of 't een haven geweest hadde”11.

Over de economische situatie in het zeedorpje Callantsoog aan het eind van de 15de eeuw zijn we vrij goed geïnformeerd door de Enqueste; een belastingonderzoek uit het jaar 1494. Pastoor Jan de Veent (36 jaar) en de schepenen Ysbrant Aelbertsz (71 jaar) en Jan Reyersz (52 jaar) verklaren 'dat zij bij tijden van den overlijden van Hertoge Karel (Karel de Stoute, gestorven 1477) hadden 180 haertsteden ende als nu (1494) 150 haertsteden'.
'Aengaende die neringe'
zeggen zij dat zij zich 'een weinich generen metter koe ende met een luttel zaylants, ende meest metten harinc varen, te weten dat zij ses schepen, geheeten pincken ende booten uytreeden, ten versschen harinck varende, ende ooc metten zelven schepen varen te schelvisschen ende cabeliau"
Zij verklaren tevens dat 'huerluyden' ... neringhe... (wel de helft) beter was ten overlijden van wijlen Hertoge Karel dan die nu es'12.

Uit een (belasting)onderzoek van twintig jaar later (de Informacie van 1514) blijkt dat de situatie als gevolg van (duin)verstuivingen nog méér verslechterd is, zodat men geheel op de visserij is aangewezen: 'dat zij hem luyden generen ter zee mit visschen alleentick'.

In het iets noorderlijker gelegen Huisduinen (112 haardsteden) is de toestand ongeveer hetzelfde. Men heeft er 'geen zeeboeten, maar... cleyne schuytkens daer zij mede vaeren'.

Van de nog noordelijker (op het eiland Texel) gelegen plaatsen Den Hoorn (140 haardsteden) en De Koog (140 haardsteden) wordt in 1514 gezegd dat de bewoners 'al visschers' waren13.

Opvallend is dat de bewoners van al deze zeedorpen blijkbaar niet in loondienst visten, terwijl dit elders wel het geval was. Uit zeker vijftig plaatsen op het Noordhollandse platteland wordt gemeld dat men voer 'ten hoeck (kabeljauw), ten harinck ende coopvaert, ende dat als huyrlieden'.

De belangrijkste vissen die blijkens de mededelingen in de Enqueste werden gevangen waren (verse) haring, schelvis en kabeljauw. Uit de Kamper pondtolregisters over de jaren 1439-1441 blijkt echter dat vissers van Callantsoog ook wijting en schol aanvoerden14. In een charter van 23 november 1478 staat voorts dat de Callantsogers ten behoeve van hun kerk 'van elcke ton scoel (schol) die ynt Oghe (Callantsoog) ancoomt een doeyt (duit) ende van elcke hondert cabbelyau een stuver (stuiver) mogen innen'15.

Uit bovengenoemde Kamper registers blijkt dat de schol 'gedroogd' werd aangevoerd, de haring (bokking) gerookt. De haring die dicht langs de kust en in de zeegaten zwom, was zogenaamde slabharing, slabbering of slabbert. Waarschijnlijk was deze haring, evenals de Zuiderzeeharing, minder geschikt voor kaken, doordat zij minder enzymen (fermenten die organische stoffen kunnen wijzigen) bevatten. Gerookt was deze haring 'goud-geel ende kopervervigh' eeuwenlang beroemd16.

De Callantsogers waren in 1494 in het bezit van enkele pinken. Dit type visserschip was in de 15de eeuw het meest bekende vaartuig voor de kustvisserij. Zo nodig kon men met deze pinken de Noordzee overvaren naar Engeland17.

In de Kamper pondtolregisters wordt gesproken over de 'jachever' van de visser Willem Petersz uit de Oge (Callantsoog). Een ever was niet veel meer dan een grote roeischuit waarmee bij gunstige wind werd gezeild met een riem als roer18. Op een kaart van Jan van Scorel van omstreeks 1550 (aanwezig in het Algemeen Rijks Archief 's-Gravenhage, Collectie Hingman nr. 2486) is te zien dat een deel van de visserij plaatsvond met zegens vanaf het strand19.

Tot aan de afsluiting van de Zuiderzee werd de zeer dicht onder de kust zwemmende haring bij de ingang van het Marsdiep overigens nog op dezelfde manier 'het strand op getrokken'. Het is niet onmogelijk dat een deel van de vis vers naar het zuiden zal zijn afgevoerd in zogenaamde waterschepen. Waterschepen of kaarschepen waren voorzien van een kaar, bun of beun waarin de gevangen vis enige tijd levend kon worden gehouden. Van 'enen waterschepe met levenden visschen' wordt al gesproken in 133920.

We lezen voor 't eerst van een vaartuig met deze naam in de handel op Engeland, dus over de Noordzee, in 142021. Zo'n schip was waarschijnlijk goed zeevaardig, omdat het door zijn bun een 'geballast' schip was.

Het is niet onwaarschijnlijk dat de Vlaamse vishaalders zout naar het noorden vervoerden. Reeds in 1325 wordt door de heer van Brederode bedongen dat 'die gebuyeren (buren, inwoners) uuten Oge... ons ende ons wijven jaerlycx ende also lange als een van ons beyde leeft, vijff hoeden souts (geven)...22

Er is wel verondersteld dat dit zout door moernering zou zijn gewonnen op het ten oosten van Callantsoog en Huisduinen gelegen verdronken veengebied. Maar dit veengebied, dat zich uitstrekt over de tegenwoordige Anna Paulownapolder en het Balgzand, is pas aan het eind van de 12de eeuw door de zee overstroomd, zodat moernering een eeuw nadien niet erg waarschijnlijk is33. Het ligt meer voor de hand dat het aan de heer van Brederode verschuldigde en in de visserij benodigde zout uit het zuiden is aangevoerd.

Tenslorre nog een laatste, wat aarzelend geuite veronderstelling: vooral op Texel, maar ook elders in Hollands Noorderkwartier, komt de familienaam Vlaming al eeuwenlang voor24. Uit het verpondingsregister van 1561 blijkt dat Gherryt Zymonsz Flaming land heeft in de dorpen Den Hoorn en De Waal op Texel. Misschien is deze Vlaming een nazaat van een Vlaamse vishaalder. Misschien.

J.T. Bremer

1 R. van Uyten – 'Visserij in de Zuidelijke Nederlanden', in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 6, Haarlem 1979, blz. 138.
2 R. Degrijse – 'Van 'buza' tot 'buis', de ontwikkeling van het Vlaamse vissersvaartuig (12de-16de eeuw)', in: Ostendiana, 1972, blz. 139.
3 Idem – blz. 140.
4 R. Degrijse – 'De laatmiddeleeuwse haringvisserij', in: Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden, XXI (1966), blz. 87.
5 Idem – blz. 88 e.v.
6 R. Degrijse – 'Schonense en Vlaamse kaakharing in de 14de eeuw', in: Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden, XII (1957), blz. 100.
7 R. Degrijse – Haringvisserij, blz. 112. 8 R. van Uyten – blz. 139.
9 H.A.H. Boelmans-Kranenburg – 'Visserij in de Noorderlijke Nederlanden', in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 6, blz. 129.
10 H. Schoorl – Zeshonderd jaar water en land (ca. 1150-1750), Groningen 1973, blz. 123, 124.
11 J. Belonje – 'De toestand van Noordelijk-Holland in 1526', in West-Frieslands Oud en Nieuw. 7 (1933) blz. 69-87; (Hollandse Studiën, nr. 11), blz. 187, 188.
12 R. Fruin – Enqueste, gedaen in den jaere 1494, Leiden 1876.
13 R. Fruin – Informacie, gedaen in den jaere DXIV, Leiden 1866.
14 H.J. Smit – Het Kamper Pondtolregister van 1439-1441, Kampen 1919, blz. 209 e.v.
15 H. Schoorl – 't Oge, blz. 179.
16 Y.N. Ypma – Geschiedenis van de Zuiderzeevisserij, Amsterdam 1962, blz. 14, 40.
17 J. van Beylen – Schepen van de Nederlanden, Amsterdam 1970, blz. 144.
18 Idem – blz. 148.
19 H. Schoorl – Ballade van Texel. Toelichting bij de reproductie van een kaarrfragment, den Burg (Texel), 1976.
20 Y.N. Ypman – blz. 44.
21 H.J. Smit – Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Engeland, Schotland en Ierland, deel 1, 2, 's-Gravenhage 1929, nr. 1259, par. 9.
22 H. Schoorl – 't Oge, blz. 157.
23 J. Westenberg – Oude kaarten en de geschiedenis van de kop van Noord-Holland, Amsterdam 1961, blz. 31 e.v.
   - P. Smit, 'Middeleeuwse bewoningsresten op het Balgzand', in: Westerheem, 1972, nr. 1.
24 M.D. en J.S.M. Dijt – Texelse geslachten, deel II, Haarlem 1972, blz. 171.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.