Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1984 » Pagina 171-175

Vijftig bundels in zestig jaar; een terugblik

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 51e bundel, pagina 171-175.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1984.
Auteur: Piet Boon.

Onverbrekelijk is West-Friesland's Oud en Nieuw, beter bekend als de bundel, verbonden met het nu zestigjarige historisch genootschap „Oud West-Friesland”. Al enkele maanden na de op 6 augustus 1924 gehouden oprichtingsvergadering uitte Douwe Brouwer een langgekoesterde wens, die betrekking had op de verschijning van een jaarboek voor West-Friesland. Over de vorm daarvan had niet iedereen direkt hetzelfde idee. Secretaris K. Ruyterman dacht aan een door uitgeverij Egmond uit te geven boekwerkje, waarin o.a. de door Douwe Brouwer in de Enkhuizer Courant gepubliceerde artikelen konden worden opgenomen. Aan de leden van het historisch genootschap, die de in Enkhuizen te houden algemene vergadering van 1926 zouden bezoeken, zou een exemplaar worden uitgereikt. Dit idee vond geen doorgang, de publikatie van Brouwer's artikelen werd eerst gerealiseerd na diens overlijden in de meidagen van 1945.1
Ook werd overwogen een driemaandelijks tijdschrift uit te geven, waarvoor zowel uitgeverij Egmond als uitgeverij West-Friesland belangstelling hadden. De condities, die beide uitgeverijen stelden, konden in de ogen der bestuursleden geen genade vinden en besloten werd op de algemene jaarvergadering van 1926 slechts voor te stellen een jaarboek uit te geven. Ongetwijfeld stemden de leden met het voorstel in, want op een volgende bestuursvergadering werd langdurig van gedachten gewisseld over titel en inhoud. Tevens werd een redactiecommissie benoemd, bestaande uit Douwe Brouwer, Pieter Schuurman en Jacob de Jong. Het jaarboek zou worden gedrukt door F. Butter (uitgeverij West-Friesland).2
Direkt na de uitgave van de eerste bundel kwam er kritisch commentaar. Jb. Portegijs wees erop dat er één en ander was opgenomen, waaraan sommigen zich met het oog op de zedelijkheid hadden gestoord. Hij sprak de hoop uit dat hier in de toekomst beter op zou worden gelet.3 Sindsdien verscheen de bundel met grote regelmaat, uitgezonderd tijdens de periode van en kort na de tweede wereldoorlog, en sedert 1953 jaarlijks.

In het voorwoord van de eerste bundel gaf het bestuur aan wat de inhoud zou zijn: "van dit en dat, van alles wat." Een vrijwel identiek standpunt verkondigde voorzitter G. Nobel tijdens de Westfriezendag van 1954. Hij achtte het jaarboek de band tussen de leden en daarom ook diende er te worden gestreefd naar "voor elck wat wils".4 Toch was lang niet iedereen het met een dergelijke zienswijze eens en steeds weer vormde de inhoud van de bundel een punt van discussie. Al in 1929 bracht rector L.A. Roozen de wenselijkheid naar voren de bundel op een wetenschappelijk peil te brengen. Een brief, die H. Jonker Hzn., - schrijver van een boek over de Wieringerwaard en medeauteur van "de Anna Paulownapolder 1846-1946" - een aantal jaren later aan het bestuur richtte, had een soortgelijke strekking. Tenslotte dient ook een suggestie van S. Lootsma niet onvermeld te blijven. Hij stelde in 1939 voor om prof. N.W. Posthumus en prof. Z.W. Sneller te vragen om studenten en afgestudeerden enthousiast te maken voor scripties en proefschriften over de geschiedenis van handel, scheepvaart en scheepsbouw van West-Friesland. Het bestuur meende dat beide hoogleraren reeds voldoende in die richting werkzaam waren en liet zo een kans voorbij gaan om althans een begin te maken met de bestudering van een belangrijk onderdeel van Westfriesland's geschiedenis, waarvan nu nog steeds weinig bekend is.5 Tegenover deze geluiden van personen, die meer aansluiting bij de geschiedwetenschap wilden zoeken, stond dan weer een opmerking in het jaarverslag van 1947, waarin werd vermeld dat er stemmen opgingen om toch vooral lectuur van ontspannende aard niet te vergeten.6

De twee genoemde benaderingswijzen brengen mij tot een kernvraag bij de beoordeling van de bundel. Welke maatstaven kunnen of moeten er bij een dergelijk oordeel worden aangelegd? Ik zal deze vraag vooral vanuit het heden en het recente verleden en met een blik op de toekomst benaderen.
Eén van de doelstellingen van het historisch genootschap "Oud West-Friesland" is het bevorderen van de kennis van Westfriesland's geschiedenis.7 Dat vraagt op zijn minst een aantal personen, dat zich aktief met de geschiedenis van West-Friesland bezig houdt. Nu kan niet worden gesteld dat ons gewest in dit opzicht een rijke traditie heeft. Bij de viering van het 25-jarig jubileum in 1949 constateerde E. Kroeskop reeds dat de randgewesten van ons land in vergelijking met West-Friesland al heel vroeg op het historische terrein aktief waren. Het Fries Genootschap bijv. dateert van 1827, de eerste Drentse Volksalmanak verscheen in 1837. Als mogelijke oorzaak oppert Kroeskop de mogelijkheid dat de West-Friezen hun geschiedenis (te) lang hebben vereenzelvigd met die van het machtige en dominerende gewest Holland.8
Gaandeweg kwam er echter toch ook meer belangstelling voor de geschiedenis van het eigen gewest en de daarin gelegen steden, dorpen en gehuchten. Nu is het terrein van de lokale en regionale geschied beoefening bij uitstek een gebied, waarop amateur-historici zich bewegen. Daarnaast houden ook vakhistorici zich steeds meer met de lokale en regionale geschiedenis bezig, o.a. om van daaruit tot meer algemeen geldende inzichten te kunnen komen. De aktiviteiten van beide groepen historici lopen niet altijd vloeiend in elkaar over en dikwijls is er sprake van een zeker spanningsveld. Al voor de oorlog wees H.E. van Gelder erop dat de plaatselijke geschiedbeoefenaar bij veel professionele historici in een niet al te beste reuk stond en zelfs wel als "een minderwaardig object" werd beschouwd. Nu zullen de verhoudingen wel niet meer zo extreem liggen, toch wordt er door mensen die zich vakmatig met de geschiedenis bezig houden, nog steeds - en vaak niet ten onrechte - zeer kritisch naar het werk van amateurs gekeken. Van der Woude acht de kansen op foutieve interpretaties, voorbarige konklusies e.d., wanneer amateurs zich met reconstrueren en interpreteren gaan bezig houden, niet gering.9
Kern van de kritiek is vaak dat het werk van amateurs te weinig stoelt op een grondige kennis van datgene, wat de professionele geschiedwetenschap heeft te bieden en dat de lokale geschiedschrijver nogal eens vergeet zijn konklusies aan de algemene geschiedenis te toetsen.10 Daardoor wordt zijn werk ook van veel minder belang voor die algemene geschiedenis. Natuurlijk kan men zich afvragen of dat zo nodig moet en het antwoord kan kort en bondig zijn. Nee, voor degene, die zich uit louter recreatieve overwegingen met de geschiedenis van plaats en streek bezig houdt, is dat niet nodig. Maar anderzijds zou een op zich al boeiende vrijetijdsbesteding voor iedereen aan waarde kunnen winnen, indien de beoefenaar zich meer zou verdiepen in bijv. achtergronden en het onderzoek van anderen.
Niet voor niets wordt al jarenlang gepleit voor meer deskundige begeleiding van amateur-historici. Van Gelder constateerde al in 1929 een tekort aan leiding, die hen zou kunnen opwerken boven het niveau van welwillende dilettanten. De redactie van "Holland" noemde bij het verschijnen van haar eerste nummer de verhoging van het peil van het werk van amateur-historici als één van haar doelstellingen. Dit werk zou dan een wat minder eng plaatselijk en anekdotisch karakter kunnen krijgen en zo van meer betekenis zijn voor de historische wetenschap in het algemeen. Ook Van der Woude vraagt om professionele begeleiding, vooral bij de keuze der thematiek en de literatuurstudie.11 Het aantal aktiviteiten op dit terrein in ons land is beperkt. In een werkrapport lokale en regionale geschiedenis merken Blok en Van der Steur op dat er in de meeste ons omringende landen organisaties bestaan, die het werk van de vakman en de amateur op het terrein der lokale en regionale historie organiseren en coördineren. In ons land zijn slechts in enkele provincies instellingen gedeeltelijk op deze terreinen werkzaam. Ook daarbij dient Friesland met name te worden genoemd. Niet alleen is de belangstelling van amateurs al zo oud, dat er zelfs een apart woord voor hen is ontstaan (sneupers), de samenwerking met wetenschappelijke werkers heeft - vooral na de oprichting van de Fryske Akademy in 1938 - tot opmerkelijke resultaten geleid.12

Na deze beschouwing over het werk van amateur-historici wil ik nog enkele opmerkingen maken over de publicistische arbeid van hun professionele vakgenoten. Men hoort wel eens geluiden, als zouden hun geschriften voor belangstellende leken moeilijk te begrijpen en soms ook saai zijn. Ongetwijfeld schuilt er een kern van waarheid in deze kritiek. Het probleem komt ook in de eigen kring wel eens ter sprake. De onlangs overleden Leidse hoogleraar D.J. Roorda sprak als zijn mening uit dat geschiedschrijving voor een breed publiek nog steeds het eindprodukt van historische aktiviteit dient te zijn. Hij sloot daarmee aan bij Johan Huizinga's eis dat de geschiedwetenschap zich diende te populariseren. De praktijk is echter dat de historicus minder voor het publiek is gaan schrijven en meer voor zijn vakgenoten. Roorda vindt dat de geschiedwetenschap zich opnieuw zal moeten bezinnen op haar toeleverende taak aan de maatschappij. Ook Van der Woude constateert een verschuiving in het werk van de historicus. De geschiedwetenschap is meer een sociale wetenschap geworden en dat betekent een verwijdering van de beschrijvende traditie, waardoor bijv. de funktie van historische achtergrondinformatie voor een groter publiek in het gedrang is gekomen.13

Het wordt tijd om terug te keren naar ons genootschap en zijn bundel. In hoeverre speelt het bovenstaande een rol bij de beoordeling van West-Friesland's Oud en Nieuw?
Een korte karakteristiek van hetgeen de bundel de afgelopen zestig jaar te bieden had kan daarbij van nut zijn. In de eerste nummers treffen wij een bonte rij van artikelen aan: veel materiaal over en in het Westfries, talrijke kleine bijdragen, die meestal slechts met de term anekdotisch zijn te omschrijven. Het voorwoord van de eerste bundel typeert het uitstekend: "Heel veel groens en weinig rijps."
Toch treft men ook al artikelen van niveau, soms zelfs van meer dan regionale betekenis aan. Te denken valt bijv. aan S. Lootsma's artikelen over de bootsgezellenbeurzen in de derde bundel.14
Al spoedig na de oorlog valt er een duidelijke verhoging van het peil te constateren, waaraan het werk van nieuwe redactieleden als P. Noordeloos en J. Roselaar en iets later Jo Daan, niet vreemd zal zijn geweest. Noordeloos zelf droeg trouwens door de publikatie van talrijke artikelen van hoog niveau nog een extra-steentje bij. In deze tijd werd ook gestart - en opnieuw dient de naam van Noordeloos met ere te worden genoemd - met de serie "Westfriese Oudheden", waarin op wetenschappelijke wijze verantwoording werd afgelegd van verricht archeologisch onderzoek. Het archeologische terrein blijkt bij uitstek een gebied, waarop het werk van vakman en amateur op een harmonische wijze kan worden gecombineerd.
In de lijn van Noordeloos c.s. heeft de bundel zich ontwikkeld tot wat het nu is: een duidelijk herkenbaar visitekaartje van ons genootschap, waarin bijdragen van verschillende kwaliteit elkaar afwisselen. Nog steeds treft men anekdotisch getinte niemendalletjes aan, die - wanneer zij niet zijn geplaatst in een bredere kontekst - eigenlijk niet in de bundel thuis horen. In het algemeen zou ik de amateuristische geschiedbeoefening van harte bij het genootschap willen aanbevelen. Van een instelling, die het bevorderen van de kennis van West-Friesland's geschiedenis tot één van haar doelstellingen rekent, mag op dit terrein ook een bijdrage worden verwacht.

Nog te weinig is er in de bundel iets terug te vinden van recent historisch onderzoek. En toch is de historie van West-Friesland het onderwerp van steeds meer doctoraalscripties en proefschriften. Slechts in de jaarlijks in de bundel verschijnende bibliografie van West-Friesland vindt men daarvan de weerslag. Nu is het denkbaar dat men tot de konklusie komt dat dergelijke werkstukken minder geschikt zijn voor opname in de bundel. Dat neemt echter de wenselijkheid niet weg om dergelijke publikaties, eventueel in herschreven vorm, onder de aandacht van een groter publiek te brengen. Een mogelijkheid daartoe kan zijn - naar analogie van bijv. de Alkmaarse Historische Reeks - de totstandkoming van een Westfriese Historische Reeks. Misschien onder auspiciën, maar in ieder geval met medewerking van het historisch genootschap "Oud WestFriesland".

Wat kan nu een samenvattende konklusie over de bundel zijn? Voor de aktieve en passieve belangstellende in de geschiedenis van stad en platteland van West-Friesland is het een onmisbare bron, waarvan het belang incidenteel uitkomt boven het regionale. Voor de meer dan 3000 leden van het genootschap betekent de bundel ongetwijfeld een jaarlijks terugkerend aantal uren leesplezier. Zeker in dit opzicht voldoet de bundel geheel aan haar bedoeling.

Wijdenes, januari 1984

Piet Boon.

Noten:
1. D. Brouwer, Aanteekeningen uit het verleden. 3 dl. Enkhuizen, 1946-1949.
2. Archiefdienst Westfriese Gemeenten (AWG), archief Historisch Genootschap Oud West-Friesland (HGOW), voorl. inv. nr. 1. Notulen dd. 8 oktober 1924, 11 maart en 9 december 1925, 23 maart, 30 juni en 6 oktober 1926.
3. Idem. Notulen dd. 25 mei 1927.
4. West-Friesland's Oud en Nieuw (WFON), 1 (1926), p. 3.
AWG, archief HGOW, voorl. inv. nt. 1. Notulen dd. 4 augustus 1954.
5. WFON, 31 (1964), p. 178.
AWG, archief HGOW, voorl. inv. nr. 1. Notulen dd. 26 februari 1936 en 13 september 1939.
6. WFON, 19 (1949), p. 37.
7. WFON, 48 (1981), p. 230.
8. E. Kroeskop, West-Friesland's Oud en Nieuw: spiegel van historie en leven. In: De Speelwagen, 4e jrg. (1949), p. 223.
9. H.E. van Gelder, De beoefening van de plaatselijke historie. In: Handelingen en levensberichten (1929), p. 26-43.
A.M. van der Woude, Geschiedenis in veelvoud. In: Studies over sociaal-economische geschiedenis van Limburg, jrg. 21 (1976), p. 25.
10. A.M. van der Woude, a.w., p. 25-26.
Zie ook: W.C.M. Stuart, Lokale geschiedschrijving: liefde maakt (soms) blind. In: Stud. Bergen op Zoom (1975), p. 56-59.
11. H.E. van Gelder, a.w.
Holland: regionaal-historisch tijdschrift, 1e jrg. (1969), no. 1, p. 3.
A.M. van der Woude, a.w., p. 27.
12. D.P. Blok en A.G. van der Steur, Werkrapport lokale en regionale geschiedenis. In: Rapport over de huidige stand en toekomstige planning van het wetenschappelijk onderzoek der Nederlandse geschiedenis (Amsterdam, 1974), p. 151.
M.P. van Buijtenen, De betekenis van de archieven voor de lokale en regionale geschiedenis in Friesland. In: Nederlands Archievenblad, 63e jrg. (1958/59), p. 205-206.
Zie ook: W. Jappe Alberts en A.G. van der Steur, Handleiding voor de beoefening van lokale en regionale geschiedenis (Bussum, 1968), p. 133.
13. D.J. Roorda, Geschiedenis en popularisering. In: Spiegel Historiael, 14e jrg. (1979), p. 117.
A.M. van der Woude, a.w., p. 16-17.
14. S. Lootsma, "Draeght elckanders lasten": bijdrage tot de geschiedenis der zeevarende beurzen in Noord-Holland. In: WFON, 3 (1929), p. 12-61.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.