Archivering » WFON » 1981 » Pagina 58-59
De 'doenige' Westfries
Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 48e bundel, pagina 58-59.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud West-Friesland”, 1981.
Auteur: Jan Pannekeet.
De laatste jaren constateer ik bij vele 'import-Westfriezen' een toenemende belangstelling voor
het Westfries dialect. Eén van de verschijnselen die hen in het Westfries (van vooral ouderen)
het meest opvalt is het veelvuldig gebruik van het werkwoord 'doen' en dan uiteraard in zinnen die
min of meer afwijken van 'officieel' Nederlandse. Zij doelen op zinnen als: hai doet 'm temet
alle dage verskône ('hij verschoont zich bijna elke dag') of: doen jij je den nooit
versleipe? ('verslaap jij je dan nooit?')
Allereerst wil ik opmerken, dat op deze dialectische eigen-aardigheid al eens - zij het zeer summier
- is geattendeerd door enkele Westfriese taalkundigen, o.a. door dr. G. Karsten in diens proefschrift
'Het dialect van Drechterland' en door 'meister' H. Langedijk in het speelse boekje
'Hé, is
dat Westfries?'
Vervolgens moge ik erop wijzen, dat het boven gesignaleerde gebruik van 'doen' ook voor sommige andere
dialecten geldt, o.m. voor het Waterlands. De Westfriezen zijn dus niet de enigen, die 'puur
doenig' zijn.
Hieronder heb ik getracht een zo volledig mogelijk beeld te geven van dialectische constructies met
het werkwoord 'doen'. Ik onderscheid hierbij het hulpwerkwoord doen in combinatie met een onbepaalde
wijs en het 'vervangende' werkwoord doen.
a) 'doen' als hulpwerkwoord van de onbepaalde wijs:
Het hier bedoelde 'doen' komt zowel voor in mededelende zinnen (al dan niet met een ontkenning) als
in vraagzinnen, b.v.. vader doet eerappele skille en moeder doet kouse stoppe; vroeger deeë
de mense ok al spare; hai doet al 'n jaar gien meer rouke; wat doen je toch hoeste!, doene julle nag
alle weke kaarte?; doen jij nag welders broeder ete?
Over het algemeen geldt dat men een omschrijving met doen gebruikt als er sprake is van een handeling
die een zekere tijd in beslag neemt of die min of meer tot een gewoonte is geworden. Men zal b.v. niet
zeggen: inienen dee 't glas uit mekaar spatte.
Opmerking. Van Dale noteert bij doen (III): 'Vroeger (tot in de 17de eeuw) ook als hulpwerkwoord van
de onbepaaldewijs : daer na so doet verlangen mijn vorstelick ghemoet (Wilhelmus). In deze zin
is m.i. 'doet' echter een oorzakelijk hulpwerkwoord, gezien de betekenis: mijn vorstelijk gemoed doet
mij daar naar verlangen. Vergelijk een zin als: deze noodsituatie doet ons daartoe besluiten.
b) 'doen' als hulpwerkwoord van gebod of aansporing (meestal te vervangen door 'gaan' of 'willen'),
b.v.:
vader, doen jij effies de koeie bestelle?; doen eerst maar effies de kamer uitneme; doen maar
niet zô verskiete, 'oor!; doen jij maar lekker loere, knechie.
c) 'doen' als hulpwerkwoord in de betekenis van 'moeten'; in dit geval heeft 'doen' in de zin steeds
hoofdaccent, b.v.
wat dóet die kirrel alle dage toch bai Duw te teuten!; wat deé die druul ok zo dicht
langs m'n wagen te raaien!
d) 'doen' als 'vervangend' zelfstandig werkwoord, min of meer fungerend als passepartout; in deze functie
komt 'doen' ook voor in de officiële omgangstaal, maar naar mijn waarneming minder frekwent dan
in het (Westfries) dialect, b.v.:
doen de stoele maar op de gang; doen Dirrekie genavend (zie bundel II-1927-blz. 39); we zelle
nag 'n peertje, 'n sigeretje, 'n koppie enz. doen; we doene nag ien spultje; de bloemkool doet 'n beste
prois; wat doet de lucht? staat 't nei regen?; jij doene 't 'm ók! (= jij bent ook mooi bezig).