Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Facebook

Archivering » WFON » 1976 » Pagina 73-74

De Latijnse school in Hoorn (12/13)

Positie van rector, conrector en leraren

De Latijnse school in Hoorn (zoals elders) was een stadsschool, hetgeen ook in de praktijk betekende dat er tussen school en stadsbestuur een sterke band bestond. Het was zeker geen 'loze kreet' dat het stadsbestuur zich in 1735 noemde 'urbis gymnasiique magistratus' (het bestuur van de stad en het gymnasium).94) De reglementen voor de school werden door het stadsbestuur vastgesteld. De curatoren (toen ook wel scholarchen genoemd) hielden op de gang van zaken op school voor de stad, als welks vertegenwoordigers ze optraden, toezicht. Of moeten we zeggen: oefenden, samen met rector en leraren, het dagelijks bestuur uit? Op alle vergaderingen waren immers de curatoren aanwezig, zodat ze in de besluitvorming een groot aandeel gehad moeten hebben; misschien wel het leeuweaandeel.
Een van de belangrijkste onderdelen van het beleid van de stad met betrekking tot het gymnasium was de benoeming van rector, conrector en leraren.95) Na het vertrek (c.q. de pensionering of het overlijden) van de rector werd vaak de conrector in zijn plaats benoemd. Maar ook viel de keuze wel eens op de rector van een andere Latijnse school. De nieuwe conrector zal in Hoorn niet vaak een van de leraren zijn geweest. De school was immers klein en bood maar zelden plaats voor een derde classicus. Het was dus meestal een praeceptor van een (grotere) Latijnse school elders in den lande. De leraar (lector) in de wiskunde was soms een schoolmeester (ludimagister) uit de omgeving, soms ook een candidaat in de wis- en natuurkunde van de universiteit.96)
De nieuwe benoemde rector hield, tijdens de openbare promotie op het eind van de cursus, een inaugurele oratie. Zo sprak in 1825 dr. Abbing (in het Latijn) over 'De oorzaken, waardoor de Grieken zo grote vorderingen in kunsten en wetenschappen maakten'.97)
Soms solliciteerde de rector weg naar een andere school, maar meestal bleef hij tot z'n dood in Hoorn lesgeven. Er was nl. geen wettelijke verplichting het ambt op 65-jarige leeftijd neer te leggen. Rector Johannes Biman besloot, toen hij de 70 naderde, eigener beweging op te houden na 40 jaar het onderwijs in Gouda, Enkhuizen en Hoorn te hebben gediend.98)
Van een nieuw te benoemen leraar kon het afleggen van een proeve van bekwaamheid (dat in de praktijk neerkwam op een compleet examen) worden verlangd. Toen in 1753 de praeceptor Petrus van den Heuvel was overleden, solliciteerde in zijn plaats Theodericus Duym, Leids student in de klassieke letteren. De rector nam hem, in tegenwoordigheid van de curatoren een examen af, waarbij hij hem stukken voorlegde van de Latijnse schrijvers Tibullus, Nepos en Cicero (uit de Orationes) en vervolgens uit de (Griekse) Handelingen van de Apostelen. Hij voldeed aan de hem gestelde eisen, tot volledige genoegdoening van Heren Curatoren en werd dan ook door dezen gelukgewenst 'met woorden, die getuigden van hun gunst en welwillendheid' (verbis utentes favore et benevolentia plenis). Twee dagen na het examen werd hij door de rector plechtig de school binnengeleid.99)

Een portret van Abbing bezitten we niet, maar wel zijn handschrift.Een portret van Abbing bezitten we niet, maar wel zijn handschrift. Toen hij rector was geworden schreef hij allereerst in 'het boek' een korte karakteristiek van zijn voorganger, terwijl hij vervolgens zichzelf voorstelde.

De betaling van de rector en z'n leraren was natuurlijk in de eerste plaats een zaak die het stadsbestuur aanging. Maar in bepaalde gevallen droeg ook de kerk haar steentje bij. Zo kreeg in 1740 de rector voor het waarnemen van de lessen bij een vacature 150 carolus guldens van de kerkvoogden (ab aedilibus tem pli majoris).100) De steun die de kerk - ook bij andere gelegenheden - de school bood was niet alleen de voortzetting van een traditie die in de Middeleeuwen wortelde, zij had ook een praktische betekenis. Het gymnasium was in die tijd niet in de laatste plaats de vooropleiding van toekomstige predikanten, m.a.w. het percentage leerlingen dat aan een universiteit theologie ging studeren was betrekkelijk hoog.
Het is bijzonder jammer dat - bij gebrek aan gegevens - de rectoren, conrectoren, praeceptoren en lectoren geen werkelijke 'figuren' voor ons zijn geworden. Op een enkele uitzondering na ( rector Rodingenus, conrector Bruno en rector Abbing) blijven het namen. Ook over hun wetenschappelijke en onderwijskundige kwaliteiten verkeren we in het onzekere. Ecco Epkema (die de school in 1813 verliet) wordt - door z'n opvolger - beschreven als 'een man, in alle opzichten zeer geleerd, wiens opvolger, al zal hij niet in staat zijn de wond, het gymnasium (door z'n vertrek) toegebracht te helen, tenminste kan proberen hem te verzachten' (vir ab omni parte eruditissimus, cujus successor Gymnasio inflictum vulnus utinam non sarcire, minuere saltem valeat).101) Van rector Swaen wordt bij z'n overlijden door opvolger Abbing - aangetekend: 'docendi facultate singulari' (met een bijzonder doceertalent). Moeten we deze karakteristieken beschouwen als panegyriek ten gunste van een vertrokken of overleden voorganger, of geven ze iets weer van de werkelijkheid? We durven het niet te zeggen, mogen hoogstens veronderstellen dat de school vele bekwame docenten heeft aangetrokken.

94) Gemeentearchief, Inventaris nr. 2470, Decreta.
95) Ibidem
96) Ibidem
97) Ibidem
98) Ibidem
99) Ibidem
100) Ibidem
101) Ibidem

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.