Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1969 » Pagina 122-123

Op verkenning in de Westfriese taaltuin (1/5)

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 36e bundel, pagina 122-131.
Uitgave: Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland', 1969.
Auteur: Jan Pannekeet.

Jan Pannekeet

Allen die zich weleens op het dikwijls gladde en verraderlijke ijs van het dialectonderzoek hebben gewaagd, weten uit ervaring, dat zij gemakkelijk kunnen struikelen of - om de beeldspraak vol te houden - een scheve schaats kunnen rijden. Een taal (en dus ook een dialect) is nu eenmaal geen absoluut, exact gegeven dat na een geduldige en nauwkeurige observatie en analyse in vaste, onveranderlijke regels en wetten kan worden samengevat.
Om deze reden lijkt het mij noodzakelijk om u, geachte lezers, vóór wij de Westfriese taaltuin betreden, te verzoeken clement te zijn voor uw gids. Dit artikel heeft namelijk geenszins de pretentie volledig of feilloos te zijn. Ik hoop er slechts mee te bereiken dat de kritische belangstelling voor ons Westfriese dialect er door gestimuleerd en geactiveerd wordt.
Bij het schiften van de notities die ik in de loop van de jaren verzamelde, heb ik mij bewust beperkt tot die dialectische verschijnselen welke onder het hoofdstuk 'Zins- en vormleer' gerangschikt kunnen worden. Sommige van de in dit artikel vermelde bijzonderheden zijn ook al door anderen beschreven of summier aangeduid. Ik denk hierbij vooral aan de dissertatie van Dr. Karsten 'Het Dialect van Drechterland' en aan het boekje van de heer Langedijk 'Hee, is dat Westfries?'. In die gevallen heb ik getracht de door hen genoteerde voorbeelden aan te vullen en soms te wijzigen.
Ten einde de verkenningstocht enigszins systematisch te laten verlopen, heb ik de meest treffende punten genummerd, wat uiteraard niet wil zeggen, dat deze nummering een logische volgorde aangeeft. Ik ben mij ervan bewust, dat wellicht verscheidene opmerkingen betrekking hebben op min of meer locale verschijnselen, die dus niet kenmerkend zijn voor het gehele Westfriese taalgebied. Het lijkt mij echter een bewijs te meer voor het feit dat 'eenheid in verscheidenheid' ook voor het Westfries geldt. Daarnaast zullen er verschijnselen aan de orde komen, die eveneens bekend zijn in verwante dialecten, o.a. in het Zaans. Dat ik mij aanbevolen houd voor uw welwillende op- en aanmerkingen, zal u - na lezing van deze inleiding - zonder meer duidelijk zijn. Tenslotte zij vermeld dat u aan het slot van dit artikel een lijstje aantreft van de door mij gebruikte afkortingen die betrekking hebben op een aantal geschreven bronnen.

1. In de samengestelde tijden staat - in afwijking van de landstaal (het z.g. Algemeen Beschaafd Nederlands) - de infinitief van het zelfstandig werkwoord steeds vóór het hulpwerkwoord.
Voorbeelden:
     Ik hew hoord, dat Piet boer worren wul
     Ik hew hoord, dat Piet weggaan wul
     Ik hew hoord, dat Piet boer worren wullen had
     Ik hew hoord, dat Piet weggaan wullen had.
     Piet had boer worren wullen
     Piet had weggaan wullen.
     Je moete wel roik weze, om altoid maar roize te kennen.

2. In de samengestelde tijden staat het voltooid deelwoord steeds vóór het hulpwerkwoord. In de landstaal kan het voltooid deelwoord zowel vóór (en dat meestal!) als achter het hulpwerkwoord voorkomen.

Vergelijk landstaal:
     Ik denk, dat Piet niet uitgenodigd is
     Ik denk, dat Piet niet is uitgenodigd

Westfries:
     Ik dink, dat Piet niet uitnôdigd is
     c.q. niet noôd is

3. In bepaalde constructies waar in de landstaal een infinitief zou staan, gebruikt de Westfries een voltooid deelwoord:
Voorbeelden:
     Piet is zitten bleven (Piet is blijven zitten):
     Piet is (c.q. het) te kaarten weest (Piet is wezen kaarten)

In W.O.N. 32, pag. 70: ' ... veul radikaalder as de arreboiders ooit dinke kind hadde'. ( ... hadden kunnen denken)
In W.O.N. 32, pag. 13 trof mij de volgende wat geforceerd aandoende constructie:
'En den wordt 't zoa stil in 't kloine weuninkie, dat je 'n muis over de matte hore kind hadde skarrelen'
( ... had kunnen horen scharrelen).

4. Veel frekwenter dan in de landstaal wordt in het Westfries de infinitief voorafgegaan door te.
Voorbeelden:
     Piet gaat te kaarten
     Piet was niet thuis kommen te eten
     Piet had efkes (effies) leggen te sleipen.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.