Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1955 » Pagina 65-80

Enkhuizen als visserijplaats

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 22e bundel, pagina 65-80.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud West-Friesland”, 1955.
Auteur: Jn. Kofman.

Hoe het was, hoe het is en hoe het worden zal.

Enkhuizen was en is een vissersplaats. Dat ziet, dat ruikt iedere vreemdeling die hier langer of korter tijd vertoeft. Vooral wanneer een bezoek wordt gebracht aan het zuid-oostelijk gedeelte van de stad met verschillende benamingen in verband met de zee, de visserij of de vissers. De „buitenkant”, het „Suud”, de „vissershoek” zijn van die namen, welke in deze richting wijzen. En wanneer men zijn ogen bij een bezoek de kost geeft, dan ziet men het wel. De steegjes met hun kleine pittoreske huisjes, de erven waar vaak viswant hangt te drogen of waar een kleine amateur-taanketel verraadt, dat hier eigenlijk een klein-bedrijf wordt uitgeoefend met netjes en met lijntjes, die de moeite en de kosten van een grote bedrijfs-taanketel niet lonen. Aan de waslijnen ziet men de dikke baaien hemden wapperen, de dito onderbroeken, terwijl dit alles wordt gemarkeerd door een rood-baaien „gezondheid”, een of meer wollen baadjes en een behoorlijk aantal lange wollen kousen. Dit alles wijst ons op de onder-garderobe van de visserman, die bij alle weer en wind bestand moet wezen tegen kou en tegen nattigheid, zonder dat hij in de gelegenheid is zich het eerste etmaal van droge en schone kleren te voorzien. Zien we dan nog rond aan de havens, dan weten we wel heel zeker, dat we aangeland zijn in één van die typische, overbekende vissersplaatsen, waarvan een juiste beschrijving nooit verveelt en dat een bezoek meer dan de moeite loont. In de eerste plaats hebben we daar de grote, ruime vissers- of buitenhaven. De haven met zijn mooie, unieke plankier, dat spreekt van historie en van architectuur. De grote visafslag met zijn ruime hal en geriefelijk kantoor. Aan de kant een goede gelegenheid voor het lossen van de vis. En rondom de visafslag een zeer ruime gelegenheid voor het parkeren der visauto's van de handelaren uit de zeer wijde omtrek, die via deze afslag hun koopwaar betrekken. Dit zeer uitgebreide parkeerterrein is eigenlijk een grasveld, waar de vissers vroeger hun droogstellingen hadden om hun netten en ander viswant te drogen en voor verrotting te vrijwaren.

Lopen we langs de wijd en zijd bekende Drommedaris, of onder deze toren door over het ophaalbruggetje, dan komen we via het Spui in de Bocht, en door die Bocht, via de Blauwpoortsbrug aan de Wierdijk, vanwaar we het vergezicht hebben over het IJselmeer. Heel in de verte zien we bij klaar weer Urk liggen en wandelen we iets verder, dan zien we de Friese kust met zijn hoog uitstekende rode klif beoosten Staveren, alsmede de Gaasterlandse bossen.

Op deze wandeling komen we langs de gebouwen, die voor een vissersplaatsje duidelijke taal spreken. Het zijn de zouterijen, de rokerijen (hangen genoemd), de taanderijen en de kuiperijen, welke laatste al sedert vele jaren buiten werking zijn gesteld. Bij en rondom dit alles voelt men de sfeer, de visserssfeer. Hier klopt nog het hart van de voormalige Zuiderzee. Hier zien we, hier voelen we, hier ruiken we de visserij en alle mogelijke bedrijven, die op de Zuiderzee-visserij waren ingesteld. Geen wonder dan ook, dat de adviseurs van de regering ons stadje aanwezen als het meest geschikt voor de vestiging van het Rijks-Zuiderzeemuseum. En op onze wandeling langs de Wierdijk belanden we aan de poort van dit museum.

Mijn taak is het U het een en ander te vertellen over de visserij en wat daar mee samenhangt. En dan deze tak van bedrijf gezien in en rondom onze goed stad Enkhuizen. Een terrein trouwens dat al breed genoeg is. Want al zullen we ons daarbij zeer moeten beperken, toch is het nodig even ièts aan te stippen uit het verleden, een ogenblik stil te staan bij het heden en dan voor zo ver ons mensen dit is gegeven, een blik te werpen in de (naaste) toekomst.

Nu begint echter bij het overzien van dit schema al direct de vraag te klemmen, hoe ver we met onze beschouwing in het verleden moeten teruggaan.
Moeten we terug naar de tijd van Floris V in het begin der veertiende eeuw? En schrijven over het „armelijk vissersdorpje”, dat de naam droeg van „Enghusen” en dat de oorsprong heet te zijp :van het latere Enkhuizen ? Ook toen waren er reeds vissers. Maar de visserij werd op een zó primitieve wijze uitgeoefend, dat het de mensen van onze tijd maar matig interesseert.
Waar moeten we dan wèl beginnen? Moet ik schrijven over de' buizen, die vanuit Enkhuizen naar de Noordzee voeren ter haringvangst en waaraan onze stad zijn wapen heeft ontleend? De maagd met het wapenschild, waarop drie haringen? Maar ook die behoorden reeds tot het verleden toen ik op deze wereld begon rond te kijken. Wel hebben we onze ouders er nog veel over horen vertellen en hebben dus de gegevens uit de eerste hand, maar van eigen zien en horen weten we alleen maar van twee loggers, die omtrent de eeuwwisseling van hier uit ter haringvangst voeren naar de Noordzee. Enkhuizen was echter onder sommige weersomstandigheden voor deze betrekkelijk grote schepen moeilijk te bereiken, zodat het meermalen gebeurde, dat er tussen het binnenvallen te Den Helder en het meren hier in de binnenhaven vele dagen verliepen. Met uitvaren was dit vaak ook het geval, omdat de schepen niet van motorische kracht waren voorzien en dus geheel van weer en wind afhankelijk waren. De vloed- en ebstromen spraken ook hun woordje mee, zodat het anker nog al eens gepresenteerd moest worden tussen de haven van Enkhuizen en het Marsdiep. Natuurlijk vonden deze vertragingen hun weerslag in de exploitatie. Daar kwam nog bij dat Enkhuizen voor dat doel een uithoek was, waardoor. de verkochte vis met allerlei beurtvaart- en andere gelegenheden vervoerd moest worden, wat zeer kostbaar was. De vereniging, die beide schepen exploiteerde, moest uiteindelijk dan ook tot liquidatie overgaan en de schepen verkopen. Als herinnering behalve in het stadswapen hebben we op de Drommedaris de grote koperen buis met gestreken mast als windwijzer.

Laten we ons dus enige beperking opleggen en niet verder spreken over de zogenaamde grote visserij met loggers, buizen, bommen en trawlers, waartoe het initiatief werd genomen door burgers of bestuurders der stad Enkhuizen. Laten we ons bepalen tot de kleine visserij. In het voorbijgaan stippen we dan aan, dat we hier in Enkhuizen in het laatst van de vorige en het begin van deze eeuw een betrekkelijk grote Noordzeevloot hadden. Vergeleken bij de schepen, waarmee men nu deze visserij beoefent, waren het notedopjes. Op zichzelf grote schuiten en flinke botters, maar de meeste zonder vast dek en met geringe diepgang, zodat elk golfje water, dat over boord kwam, moest worden uitgeschept of weggepompt. Door de geringe diepgang waren de scheepjes rank en lagen niet vast op (de zeilen. Van motoren was in die tijd nog geen sprake, zodat men bij onverwacht opkomende storm niet tijdig een haven kon binnen lopen. Door onze vaders en grootvaders werden dan ook met deze hulkjes bange nachten op zee doorgebracht. Velen hunner keerden niet weder en vonden het vissersgraf in de golven. Hun weduwen en wezen bleven dan meestal onverzorgd achter. Want van voorzieningen in dit opzicht was toen nog geen sprake. In de herfst en in het voorjaar werd met grote lijnen hoekwant naar schelvis, kabeljauw en wijting gevist, terwijl in de midzomer de kor over boord ging om schol, schar en tong te vangen. Als regel kwamen deze vissers eenmaal in de twee weken met hun vaartuigen naar hier. Zaterdagmorgen vroeg werd dan de kor binnengehaald en koers gezet naar Den Helder, om via Wieringen naar hier door te varen. In de namiddag kwamen ze dan vaak binnen en was het voor ons jongens een genot om bij vader aan boord te zijn en mee te doen aan het schoonmaken en roken van de vis, drogen van de zeilen, tanen van de netten en voorts alles wat er aan boord viel te beleven.

Inmiddels echter begon de Zuiderzeevisserij steeds meer in betekenis toe te nemen. Bepaalde de haring-, ansjovis- en bot visserij zich aanvankelijk tot de kleine vaartuigen, allengs namen ook de grotere er aan deel, zodat het voor de Noordzeevissers al moeilijker werd geschikt volk te huren. Daar kwam nog bij, dat de resultaten hier soms die op de Noordzee belangrijk overtroffen. Moeder de vrouw sprak ook een woordje mee. Want de mannen van de Zuiderzeevloot waren 's Zondags altijd thuis en in de week ook nog wel eens een uurtje, terwijl de anderen altijd maar op de Noordzee zwalkten en de vrouwen vaak in angst en zorgen zaten bij onverwacht stormweer, niet wetend of hun mannen in een haven waren of de dood in de ogen moesten zien temidden van hoog opwaaiende golven. Want van telegraferen of telefoneren omtrent een behouden binnenkomst was geen sprake. Men zou het gewoon als een staaltje van verwijfdheid hebben beschouwd, wanneer men zijn vrouw ter geruststelling een telegram had gezonden. N een, een telegram kwam er slechts bij een ongeluk. En dan kreeg meestal de burgemeester of de dominé dit bericht. Meermalen zagen we in die tijd laatstgenoemde met hoge hoed een huisje binnen gaan om de jobstijding te brengen. Natuurlijk zagen alle buren dit dan ook en wisten meteen welke vrouwen aanstonds hetzelfde bericht kregen, omdat hun mannen bij deze schipper als knecht voeren. Dan was er rouw in de vissershoek en droefheid. Want hoe de vissers (en vooral de vrouwen) elkander soms om een betere vangst mochten benijden, bij leed en ongeval was het een gesloten eenheid en leefde de hele vissersbuurt met de getroffenen mee. Dat bleek ook wel in de eerste wereldoorlog, toen er als gevolg van het mijnengevaar slachtoffers vielen. Of deze droeve feiten een rol hebben gespeeld, is niet met zekerheid te zeggen. Maar feit is wel, dat na de eerste wereldoorlog de Enkhuizer Noordzeevloot heeft opgehouden te bestaan. Alle vissers, ook die voorheen met minachting over de Zuiderzee spraken, begonnen zich toe te leggen op de vangsten uit dit viswater bij uitnemendheid. De Zuiderzee, die wel eens de kraamkamer der vissen genoemd werd, omdat met name de haring en de ansjovis hier kwamen om hun eieren uit te zetten bij milliarden in getal, zodat, bij een gunstige ontwikkeling van dit broed, in het najaar de Zuiderzee kon wemelen van jonge haring en kleine ansjovis. In die jaren was het voor Enkhuizen als visstad de bloeitijd bij uitnemendheid. Niet alleen dat de eigen vloot zich belangrijk uitbreidde. Ja, ook dat, want wij hadden in die tijd hier ruim 200 vaartuigen, groot en klein, die op eigen gelegenheid de visserij naar haring en/of ansjovis uitoefenden. De eigen mensen waren dan ook niet voldoende in aantal om deze vloot gedurende het ansjovisseizoen te bemannen. Vanuit Volendam vooral, maar ook uit andere plaatsen werden voor die tijd vele tientallen knechten gehuurd. Maar ook de Bunschoter, de Marker, de Huizer en de Lemster vloten breidden zich uit. En waar de visserij zich vaak in de buurt van Enkhuizen concentreerde, zagen we hier in de haven botters, aken, pluten, jollen en andere soorten. vissersvaartuigen uit allerlei plaatsen. Zelfs uit het hoge noorden van Friesland Paesens/Moddergat, zowel als uit de kop van Noord-Holland, Den Helder, Texel, Wieringen en Terschelling, kwamen ze naar hier om de visjes met gouden kop, zoals ansjovis wel werd genoegd, te vangen. Dat was trouwens al begonnen enige jaren vóór de eeuwwisseling. Vooral 1890 met zijn enorme vangst van 190 duizend ankers (vaatjes) gaf er de stoot toe, dat velen hun laatste honderd gulden hebben besteed voor de aanschaf van een aantal ansjovisnetten. Zelfs de boeren uit Friesland en ook uit Andijk kochten een vlet met netten en waagden zich vanaf hun dijken met deze vaak wrakke en altijd wankele scheepjes op de verraderlijke Zuiderzee. Dat ze er niets of heel weinig van terecht brachten, lag wel voor de hand. Want al was de uitoefening van dat soort visserij helemaal geen heksenwerk, toch behoorde er een zekere vakbekwaamheid toe. Bovendien was het nodig, dat men zelf de gescheurde netten kon herstellen, want wanneer dat door extra betaalde krachten moest worden verricht, liep „de doop over de vis”, of met andere woorden, werd de onkostenrekening vaak hoger dan de bes omming en was er van een redelijke verdienste geen sprake, laat staan dat de visserij toen voor deze mensen een erven was, zoals door wangunstige buitenstaanders wel eens werd beweerd. Daar kwam nog bij, dat vooral de ansjovisvangst een zeer wisselvallige visserij was. Het jaar 1890 met zijn 190 duizend ankers was wel een uitzondering, want het jaar daar voor was de totale aanvoer slechts 1600 ankers en het jaar daar na 44 duizend. Na 1890 heeft de aanvoer nog maar één keer boven de 100 duizend ankers bedragen; dat was in 1930, dus betrekkelijk kort vóór de afsluiting (1932).

Met dat al was hier vooral de eerste 30 jaar van deze eeuw een zeer grote levendigheid aan de haven. Dat begon voorjaars al heel vroeg, wanneer de vissers met de haringnetten naar zee gingen. Dat was een staande-netten-beug, die tussen ankers in zee werd uitgezet. Aan de ankers werd een lang, dik touw bevestigd aan welks uiteinde een boei of baken zat, met een of meer vlaggetjes boven het water uitstekend en dus van uit de verte al zichtbaar. Zolang de aanvoer schaars was, werd de haring door kleine handelaars gekocht en vaak voor een dikke prij s van de hand gedaan. Al naar gelang de aanvoer groter werd en de vastentijd zijn einde naderde, werd de prijs lager. Bij wagonladingen gelijk werd de haring door de groothandel naar Duitsland gezonden, terwijl ook ee.n groot aantal Huizer botters vele lasten van hier naar het Gooi vervoerden, waar de vis tot bakof rookbokking werd bewerkt. In de Paasweek liep de prijs vaak zó laag, dat de vissers hun vangst per scheepslading in het Krabbersgat deponeerden. De beugen werden dan uit zee meegenomen om getaand en gedroogd te worden. Na de Pasen was er van uit Duitsland meestal weer wat meer vraag en kon bij dikke vangsten vaak nog een boterham worden verdiend.

Het wachten was dan echter op de ansjovis. De tijd tussen de haringvangst en de ansjoviscampagne werd benut om de vaartuigen en het viswant, de netten, tot in de puntjes te verzorgen. vVant begon men eenmaal met de visserij, dan was er nergens meer tijd voor. Dan was het werken geblazen. Werktijden van 20 uur per etmaal waren in die tijd gedurende 8 à 10 weken geen zeldzaamheid. Zodra er uit Den Helder bericht kwàm, dat de kleine visjes waren gesignaleerd, was het haast je, rep je om de beugen van zolder te halen en deze „schietklaar” in de vletten te deponeren. Enkele dagen daarna, wanneer de tekenen niet al te ongunstig waren, kwamen de vissers van allerlei andere plaatsen naar hier. Vooral 's morgens, wanneer in de nanacht de netten met hun vangst waren binnen behaald, was Enkhuizen een zeer gezochte haven. Om allerlei redenen. Ten eerste werd hier op de gemeentelijke afslag als regel een heel goede prijs voor de vis gemaakt. Dat hield verband met de vaak grote aanvoeren, die handelaars uit allerlei plaatsen verlokten om ook hier plaats te nemen in de kopersbanken van de afslag. Scherp werden de prijzen berekend, een gokje soms gewaagd en de concurrentie voerde de prijzen vaak op boven die van de kleine aanvoerhavens. Voorts hadden we hier de grote ruimte. De vissershaven, die vaak eivol was, bood aan honderden botters, aken en jollen ligplaats. Maar de binnenhavens als Dijk, Oosterhaven en Havendijk waren prachtgelegenheden om de netten „over te halen” en de visjes te „doppen”. Verschillende taanderijen boden ook de vreemde vissers gelegenheid hun netten te koken en zo tegen verrotting te vrijwaren. Ook een zeer belangrijk motief voor de- vaak overweldigende binnenkomst van vele honderden vissers was de buitengewoon gunstige structuur van de Enkhuizer haven. Bij de beoordeling daarvan moeten we bedenken. dat er van motorische kracht geen sprake was en de vaartuigen dus of door windkracht op de zeilen, of door mankracht met haken en bomen moesten worden voortbewogen. Wanneer er dan een harde tegenwind stond met een aanvliegende golfslag, was het vaak een hele toer om de botter de haven uit te krijgen.

Langs de hele Zuiderzee was er geen haven die in dit opzicht met Enkhuizen kon worden vergeleken.
Meermalen gebeurde het, dat de vissers uit Urk, uit Medemblik, uit Lemmer en uit andere havens geen schijn van kans hadden deze te kunnen verlaten. De wind stond dan pal op de havenmond, met als gevolg een zware golfslag en dan was het onmogelijk om vaart in het vaartuig te krijgen.
In Enkhuizen niets van al die narigheid. Wel liepen vloed en eb dwars - voor de havenmond over, zodat de schipper bij het verlaten zo wel als bij het binnenvaren van de haven daarmee geducht moest rekenen, maar van betekenende golfslag was in de havenmond geen sprake. Ook niet wanneer het stormde uit zuidelijke richting. De grote strekdam in het Krabbersgat brak de golfslag, zodat het geen bijzondere krachtinspanning vroeg om met de botter de haven te verlaten. Wanneer er ruimte in de haven was, kon dat heel geschikt op de zeilen. En wanneer er door de vele vaartuigen minder ruimte was, konden de vissers toch altijd met hun haken en bomen zodanig met het vaartuig manoeuvreren, dat men hetzij over stuurboord, hetzij over bakboord van uit een bepaalde hoek kon wegzeilen, tussen de beide havenhoofden door in het Krabbersgat, waar de vloed of de eb zich van het vaartuig meester maakte en dit hetzij noordop of zuidop stuwde. In ieder geval kon op deze wijze het ruime sop worden gekozen en kon de visserij ongehinderd worden uitgeoefend. Natuurlijk was, zodra men de haven had verlaten, niet alles botert je tot de boom. vVant er was met het drukke verkeer van de honderden vaartuigen vaak heel wat stuurmanskunst en kennis van wind en stroom nodig om elkaar mis te varen en geen brokken te maken. Vooral was dat het geval wanneer de wind noordoost was en dus vanuit zee het Krabbersgat recht in woei. Dan moest er gelaveerd worden. Wanneer men daarbij bedenkt, dat elke botter minstens één, maar meestal twee vletten met netten achter zich aan trok, zal het duidelijk zijn, dat het vaak een zeer interessant gezicht was en vele honderden mensen naar de buitenkant werden gelokt om getuige te zijn van het heen en weer kruisen en vaak hun hart vast te houden, wanneer het leek, dat twee of meer vaartuigen op elkander zouden invliegen. Door een handige wending van het roer werd dit meestal door de schippers voorkomen, al is het natuurlijk meermalen gebeurd dat men met averij aan botter of vlet ontijdig de haven moest opzoeken om door de sluis naar de scheepswerf te varen, waar handige vakmensen vaak in zeer korte tijd reparaties verrichtten.

Wanneer we al schrijvende of lezende de visserij en het varen vergelijken bij wat er thans te zien is in deze sector, dan kunnen we de verzuchting van oude vissers zo goed begrijpen, als ze zich beklagen, dat zij vroeger nooit van techniek en comfort hebben kunnen genieten, maar altijd door een soms bijna bovenmenselijke krachtsinspanning van hun primitieve bedrijf moesten maken wat maar enigszins mogelijk was.
Niet alleen echter was het de motor die een algehele ommekeer te weeg bracht in het vissersbedrijf. Ook was het de algemene ontwikkeling der mensen die een woordje mee sprak. Wat men in en rondom allerlei bedrijven aan de wal voor veranderingen te zien kreeg, vond ook zijn weerslag in het vissersbedrijf. De vismethoden werden meer intensief, de netten werden groter, dieper, scherper en feller.

Natuurlijk leent dit artikel zich niet om dat tot in bijzonderheden uit te werken, omdat deze wijzigingen liggen in de vis-technische sector en dit artikel slechts bedoelt iets te verteilen over de visserij in of rondom Enkhuizen.
Toch is het in dit verband misschien niet onaardig om een bepaalde verandering met name te noemen. Het gaat over de verhouding van schipper tot knecht. Dus van werkgever tot werknemer. Deze is altijd een zeer bijzondere geweest. Ze noemen elkander altijd bij de voornaam en treden in overleg omtrent het uitzoeken van 't visterrein, het verlaten van de haven, het binnenhalen der netten, kortom, er is overleg omtrent de gehele uitoefening van het bedrijf. En al heeft de schipper ten slotte het laatste woord, er is aan hoord een gemeenschappelijk belang, dat wordt behartigd op een wijze, zoals we dat in geen enkel bedrijf aan de wal ooit hebben gezien. Ook de loonverhouding is geheel afwijkend van die in de bedrijven aan de wal. De knecht heeft geen vast loon. Zijn inkomen is geheel afhankelijk van de netto besomming, die verkregen wordt door de bruto besomming te verminderen met de post „algemene onkosten”. Daaronder vallen de kost aan boord, het verbruik van brandstof voor kachel, petroleumstel en na de intrede van de motor ook wat deze opslurpt. Bij de hoekwantvisserij vallen ook de vishaken onder deze post.
Nu zette men vroeger bij het bepalen van het deel, dat de knecht van deze netto besomming toeviel, een zekere redenering op. Die luidde dan ongeveer als volgt: we varen met 3 man, dat zijn dus 3 delen, de schipper en 2 knechts. Was de derde man een halfwas, die minder verdiende, dan noemde men dat een half of driekwart deel naar gelang van zijn leeftijd. Onderhoudskosten van het schip en van het viswant eiste ook ieder een deel, zodat men dat dan noemde „wij varen van de vijf één”. Tegenwoordig is de loonverhouding nog precies gelijk, maar men noemt het nu heel anders, heel modern. Men drukt het uit in procenten en spreekt van wij varen op 18 of op 20%. Niet alleen echter dat men het anders noemt, maar de manier waarop de besomming wordt verdeeld is ook geheel anders dan vroeger. De schipper houdt nu behoorlijk boek of laat dit doen. Wanneer Zaterdag het werk af is, gaat men met de schipper naar huis en die legt zonder commentaar de rekening voor. De besomming bedroeg zoveel, de onkosten dit bedrag, blijft over de netto besomming. Daarvan 18 of 20% is zóveel en dit bedrag is voor de knecht. Punt. Ieder gaat weer naar zijn eigen woning. Vroeger noemde men dit „skoven”. Waarschijnlijk afgeleid van schuiven. En inderdaad, met het geld werd geschoven. Er kwam een papier en geen potlood aan te pas. Men ging bij de schipper rondom de tafel zitten. De vrouw tapte een kop koffie, of wanneer dit te pas kwam en er was een behoorlijk bedrag besomd, werd er wel eens een half flesje hm hm gehaald en de plechtigheid nam een aanvang. De schipper spreidde het geld dat hij van de afslag had gehaald uit op de tafel. Een van de kinderen of anders de jongste knecht werd naar de victualiewinkel en de bakker gestuurd om de onkosten van die week te voldoen. Als hij terugkwam schoof hij het overgehouden bedrag weer in het rijtje op de tafel. De schipper vertelde hoeveel hij had betaald aan havengeld en andere onkosten, nam dit bedrag van de hoop af en stopte dat in zijn zak. Had moeder de vrouw nog voorschot, dan werd dat ook voldaan, zodat er inmiddels flinke gaten en bressen waren geschoten in de rijen rijksdaalders, guldens, kwartjes en dubbeltjes. Want daaruit bestond de besomming als regel. Papiergeld was er weinig of niet bij. Ten eerste omdat dit moeilijk valt te „verskoven” en ten tweede was de besomming meestal niet zo groot, dat er bankbiljetten aan te pas kwamen. De onkosten waren betaald en nu kon het „skoven” beginnen. De schipper maakte vijf hoopjes. Een hoopje voor het vaartuig, een voor het viswant en voor de drie mannen ieder een.
„We zullen eerst maar eens ieder 2 rijksdaalders nemen,” zei de schipper b.v. en voegde de daad bij het woord. Het overschot werd door hem met een kennersblik bekeken en meende hij dan, dat ieder nog wel een knaak kon toelopen, dan deed hij desgelijks. Dan kwamen de guldens aan de beurt en vervolgens de kwartjes en de dubbeltjes. Telkens werd het bedrag dat werd „geschoven” kleiner, zodat er ten slotte nog enkele centen over bleven. Op voorstel van de oudste knecht werden deze gedeponeerd in de spaarpot van het dochtertje of zoontje van de schipper, die dan daarvoor heel netjes met een handje geven kwam bedanken. Het zakelijk-officiële gedeelte van het „skoven” was hiermee achter de rug. Moeder de vrouw schonk nog een kopje in of de schipper vulde de glaasjes nog eens en men bleef een half uurtje onder gezellige kout de dingen van de dag bespreken, die echter nooit een wijder perspectief boden dan de belevenissen met de visserij. Men ging dan met een „welterusten en prettige Zondag” uiteen tot Zondagnacht op het afgesproken uur aan boord.

Ja, als we deze dingen in den brede bezien en gaan vergelijken met wat de visserij thans te zien geeft, dan hebben er zich wel heel grote veranderingen voltrokken. Sedert het leggen van de afsluitdijk zijn de haring en ansjovis vissoorten, die voor de Zuiderzee, die thans IJselmeer heet, tot het verleden behoren. De bot komt in veel verminderde hoeveelheid voor en wordt in geen geval meer zoals voorheen met het hoekwant gevangen. De motor heeft zijn intrede gedaan, zodat de zeilkunst door de vissers bijna niet meer wordt beoefend. Van eb en van vloed is geen sprake meer en ook de vaartuigen zijn van constructie totaal veranderd.

Vele voorspellingen betreffende de visserij zijn echter niet of slechts zeer ten dele uitgekomen. Dacht men in visserskringen, zowel als in de kringen der wetenschap, dat het IJselmeer een betrekkelijk dood viswater zou worden, de ervaring heeft wel anders geleerd. Na de afsluiting hebben een rond getal van 1000 vissersvaartuigen op het IJselmeer een behoorlijke en sommige jaren zelfs een dikke, belegde boterham verdiend. Maar die voorspellingen, namelijk dat er direct na de afsluiting met de visserij geen droog brood meer zou zijn te verdienen, hebben in hun consequentie zeer vèrstrekkende gevolgen gehad. Vooral voor de vissers van Enkhuizen, waar we het nu over hebben. Van regeringswege en door officiële instanties werden de vissers gewaarschuwd, dat ze hun zonen niet meer mee aan boord moesten nemen, zoals te doen gebruikelijk was. Ook werd gewaarschuwd tegen grote investeringen voor vaartuigen en viswant. Natuurlijk waren deze waarschuwingen en raadgevingen te goeder trouw. En ze werden vaak gegeven door vooraanstaande mensen in visserskringen en door hun vertrouwensmannen. En er werd geluisterd. Wanneer de jongens van school kwamen, gingen ze niet met vader mee aan boord. Natuurlijk waren er wel uitzonderingen. Sommigen lapten de waarschuwingen aan hun laars en zeiden: „Wie dan leeft, die dan zorgt.” En Den Herder van Harderwijk had voorspeld, dat met de eerste de beste springvloed de afsluitdijk het wel zou begeven, als ze die ooit klaar kregen. Ze onderhielden hun schepen prima en namen de jongens mee aan boord. Na verloop van enkele jaren hadden ze niet de ellende van vreemde knechts te moeten soebatten, maar voeren met „eigen volk”. De meesten echter stuurden hun jongens naar de bouwvakken, de zaadhandel of de tuinbouw en bleven zelf nog enkele jaren vissen. Tot ze het niet meer konden bolwerken en moesten leven van wat de regering hun krachtens de Zuiderzee-steunwet had toebedacht. Hierdoor slonk onze grote vloot tot een handvol vaartuigen. De botters werden vervangen door kotters of schouwen en het grote getal van rond 200 verminderde tot rond 30 vaartuigen, waarmee de visserij kon worden uitgeoefend. Het zielige van dit drama is, dat de gehoorzamen, zij die gehoor gaven aan waarschuwingen en adviezen van hogerhand, hiervan helaas zelf de dupe zijn geworden. Toen de dijk eenmaal lag en het water begon te verzoeten, bleek het dat de omgedoopte Zuiderzee, die nu smalend IJselmeer werd genoemd, een visvijver was bij uitnemendheid. Paling, snoekbaars, allerlei soorten witvis en de eerste jaren ook grote hoeveelheden bot werden in ruime mate gevangen. Zodat de vissers, die in hun bedrijf waren gebleven, een dikke boterham verdienden, terwijl hun gehoorzame en goedgelovige collega's hun hand mochten ophouden om iedere week hun schamel steunbedragje in ontvangst te nemen. Dat dit heel wat ontstemming heeft te weeg gebracht, spreekt wel vanzelf. En wij zouden niet gaarne worden uitgenodigd om alle maatregelen goed te praten, die door of vanwege de regering voor deze zwaar gedupeerde mensen in het leven werden geroepen. Maar ja, dat is de les die ons het leven wel meer leert. De deugd wordt vaak niet beloond en de gehoorzaamheid aan regeringsvoorschriften wordt vaak als vanzelfsprekend beschouwd. Vooral wanneer het betreft een betrekkelijk kleine groep van eenvoudige mensen, die slecht of helemaal niet zijn georganiseerd en dus door de individuele behandeling vaak als was zijn in de handen van hen, die op hoger niveau aan de touwtjes trekken. Met dat al was ons vlootje gekrompen tot rond 30 vaartuigen. Dat betekende echter niet de ondergang van Enkhuizen als visserijstad. Integendeel, vooral de palingvisserij concentreerde zich voor een belangrijk deel van het jaar in de buurt van onze stad. Daar komt bij, dat de eigenaars van onze vloot merendeels zeer vooruitstrevende en flinke vissers zijn. De allerbeste vistuigen waren hun maar net goed genoeg. En uitgerust met hun flinke kotters konden ze tegen een stootje. De visserij wil niet bedrogen zijn en bestaat maar voor een klein deel uit geluk of fortuin. Wie de beste spullen heeft, komt meestal met de hoogste besommingen aan de markt. Dat was ook hier het geval. En waar het niet in een hoek geschiedde, werden ook vele vissers van elders (Urk, Lemmer, Bunschoten enz.) naar hier gelokt. Zodat we, met onze kleine vloot, aan de gemeentelijke visafslag de laatste 2 jaar nog een omzet hadden van meer dan een millioen gulden per jaar. Dat is toch bijna een zesde deel van wat het gehele IJselmeer opleverde.

We hadden het hierboven over het verleden en over het heden. Nu zouden we nog iets over de toekomst moeten zeggen. Maar aangezien ook wij behoren tot de profeten die brood eten, zal dat uit de aard der zaak slechts zeer summier kunnen zijn.
Heel duidelijk is, dat de toestand zoals die nu is, in de toekomst niet kan blijven bestendigd. Door de verdere inpoldering van het IJselmeer gaan meerdere havens voor visaanvoer automatisch verloren. Ook verschillende andere vloten, zoals die van Harderwijk, Elburg en meer plaatsen aan de zuidwal kunnen in hun tegenwoordige samenstelling niet blijven bestaan. We vrezen zelfs, dat sommige geheel zullen moeten worden opgedoekt. Er blijft voor hen geen visemplooi over. Hun visterrein wordt land, land en nog eens land. Hier, voor Enkhuizen, zullen we echter, ook in de toekomst, een open water houden. En zou de voorspelling erg gewaagd zijn, dat de vis die nu nog zwemt in het zuidelijk bekken en het daar benauwd krijgt vanwege de inpoldering, meer ruimte zal zoeken? Die is rondom Enkhuizen in voldoende mate aanwezig. Het spreekwoord zegt: „Waar kikkers zijn, zijn ooievaars”. Met een variant daarop zou ik zeggen: „Waar de vis is, komen de vissers”. Enkelen van de zuidwal hebben zich reeds metterwoon in Enkhuizen gevestigd. Maar die enkelingen zullen door meerderen worden gevolgd, wanneer aanstonds blijkt dat het zuidelijk bekken van het IJselmeer voor de visserij als afgedaan moet worden beschouwd. Wel zullen in de loop der eerstvolgende jaren de ruim 800 vergunningen misschien tot 400 of iets meer moeten worden teruggebracht. Maar dan houden we toch nog dat aantal vaartuigen, welke als thuishaven zal begeren die stad welke het dichtst bij hun visterrein is gelegen, een stad, die hun op maatschappelijk en economisch gebied die service kan en wil bieden welke nodig is. En dat Enkhuizen daartoe ook in de toekomst bereid en in staat zal zijn, is mijn vaste overtuiging, die gebaseerd is op de kennis die ik opdeed, toen ik meer dan een kwart eeuw deel uitmaakte van het Enkhuizer gemeentebstuur. We hebben hier een prachtige haven, die dag en nacht te gebruiken is. De verlichting rondom de haven werd reeds door verscheidene besturen van vissersplaatsen als voorbeeld genomen. Enkhuizen heeft een visafslag die aan de hoogste eisen voldoet. Ze biedt een service, die door geen enkele afslag rondom het IJselmeer wordt overtroffen. De prijzen, die hier voor de vis worden besteed, liggen meermalen boven het gemiddelde, maar nooit er onder. En de woningen voor de vissers die zich hier aanstonds willen vestigen? Die kunnen we niet op een presenteerblaadje aanbieden. Maar een goede gelegenheid om een flink aantal woningen te bouwen, wordt door een goedgekeurd en voor een klein gedeelte uitgevoerd uitbreidingsplan geboden. Meerdere Enkhuizers willen daar graag wonen, waardoor huizen aan en rondom de havenkant kunnen worden vrij gemaakt. En waar het hier een nationaal belang betreft, zal de instantie die hierover heeft te beslissen, zeker niet aarzelen om een extra bouwvolume beschikbaar te stellen. Deze kleine volksverhuizing zou een gevolg zijn van een regeringsdaad, de inpoldering van het IJselmeer. De consequentie daarvan is toch zeker minstens, dat de mensen die daardoor worden gedupeerd, in de gelegenheid worden gesteld hun bedrijf elders voort te zetten. Natuurlijk zal dat wat geld en overleg kosten. Maar dat beetje geld is maar een fractie van wat de inpoldering kost. En aan overleg tussen provinciale- en gemeentebesturen zal het zeker niet ontbreken. Want elke goede magistraat acht het zich een eer iets te doen in het belang van hen die aan zijn zorgen werden toevertrouwd.

Met dat al spreken we nu toch al een heel tijdje over de toekomst. En het is U wel duidelijk, dat wij de toekomst voor Enkhuizen als visserijstad niet pessimistisch of donker inzien. Integendeel, het is onze vaste overtuiging, dat ons als centrum der IJselmeervisserij nog een goede toekomst wacht. Mits men natuurlijk allerwege op zijn hoede is, dat het IJselmeer niet door een al te intensieve bevissing wordt leeggeplunderd. Dat de jonge vis door maatregelen wordt beschermd. Dat er geen overbevissing plaats vindt in een tijd waar sommige vissoorten rust moeten hebben om zich voort te planten. Maar dan ook.... dan, ja dan ligt voor Enkhuizen als visstad nog een goede toekomst open. Daarover zullen velen zich verheugen. Maar niet het minst de schrijver van dit artikel,

Jn. Kofman.

 


© 1924-2018 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.