Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1955 » Pagina 21-31

Het Ogelijn der Stad

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 22e bundel, pagina 21-31.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud West-Friesland”, 1955.
Auteur: Dr Jo Daan.

Na de grootheid van de 17e eeuw werd Enkhuizen een stille provinciestad. Havard beschreef het in zijn „Villes mortes” (Dode steden) en beleefde er vreemde avonturen. Maar vele malen toonden de Enkhuizers zelf allerminst dood te zijn. Aan de ongereptheid van de stad, maar evenzeer aan de activiteit van een aantal inwoners was het te danken, dat het Zuiderzeemuseum hier werd gevestigd. Talrijke landgenoten en vreemdelingen trekken naar Enkhuizen om nog iets te zien van het oude, dat door een technische reuzendaad verdween.

Toen de stad ongeveer half zo oud was als nu, was het een van de belangrijkste koopsteden van Holland; het dreef handel met de hele wereld. Maar ook toen herbergde het een museum, heel wat kleiner dan het tegenwoordige, maar met schatten uit veel verder afgelegen streken. Ook toen kwamen vreemdelingen, vorsten en geleerden van overal om het museum te bekijken. Dit was het „Naturaliën- en Kunstkabinet” van Paludanus, die jarenlang stadsdokter in Enkhuizen was. „Urbis ocellus” wordt hij genoemd, „het ogelijn der stad”. De Enkhuizers hebben hem in de loop der eeuwen niet vergeten: in 1928 werd hij herdacht bij een congres. Bij die gelegenheid kreeg de stad een copie van Paludanus' portret in het Frans Halsmuseum te Haarlem, een gedenksteen werd boven de ingang van de Waag geplaatst, een inscriptie aangebracht in de voorgevel van zijn woning in de Westerstraat en een krans opgehangen aan het epitaphium of grafschrift in de Zuiderkerk. Bij die gelegenheid en nog eens 20 jaar later sprak Dr F. W. T. Hunger over hem en de kranten namen zijn woorden in extenso op. Deze beschreef zijn leven ook in een wetenschappelijke verhandeling, een der bijlagen van de uitgave van het reisboek van Jan Huygen van Linschoten, die andere parel aan de kroon van Enkhuizen 1). Johan Theunisz gaf in „Het ontoegankelijk hart” een geromantiseerde biografie 2). Beiden gebruikten dezelfde bronnen, maar hun kijk op Paludanus is verschillend, waarschijnlijk vooral doordat die bronnen schaars zijn. Theunisz tekent Paludanus als een moeilijk man, in voortdurend conflict met de autoriteiten. De brieven, die bewaard zijn, geven daartoe wel aanleiding. Maar de eerste er van schreef hij op zijn dertigste jaar, toen hij zwervensmoe was en teleurgesteld door ervaringen aan enkele Duitse vorstenhoven. Van de vele honderden zijn er maar 40 bewaard. Zijn familieleden schijnen na zijn dood grondig opruiming te hebben gehouden. Hunger echter neemt aan — en dat lijkt me juist — dat Paludanus in zijn jeugd een lustige en ijverige jongen is geweest, amusant voor zijn omgeving. Onder zijn medestudenten was hij „getapt”. En hij was flink en moedig. De reizen, die hij maakte, zijn er het bewijs voor. Het lijkt tegenwoordig een kleinigheid naar Polen en Jeruzalem te reizen, maar in een tijd dat alle afstanden te voet of te paard, met een wagen of per zeilschip afgelegd moesten worden, waren dit vermoeiende en tijdrovende ondernemingen. Hij waagde zich ook in de woestijn en beklom de Etna. Zijn hart trok naar het verre en onbekende; zijn vaste plaats als stadsdokter moet hem later meermalen hebben benauwd. Maar de noodzaak voor vrouw en kinderen te zorgen zal hem toen verhinderd hebben te gaan zwerven. Dank zij zijn kabinet kwamen dan de vreemdelingen naar hem toe en zij brachten hem vreemde voorwerpen van verre. In vele reisverslagen van buitenlanders wordt zijn verzameling vol bewondering genoemd. De beroemde Hugo de Groot bezong hem en in een oude geschiedenis van de stad werd eveneens een lofdicht opgenomen:

De stadt leyt seer bequaem ter zee, dus vintmen daer
Ut alle hoecken claer, des werelts, eenich blijck,
Van cieraet en cleynoodt, ghesteenten, geldt, een paer,
En cleederen voorwaer; seer vreemt uyt 't Indisch rijck:
Ghedierten veelderley, oock t' ghewas desghelijck,
Op, in, aerd', steen, of zee, ghegroyt tot speculeringhe,
Van als machment daer sien, ja wercken vol practijck,
Dit den gheleerden man Palidaen tot besweringhe
Heeft neerstelijck versaemt, hem tot eender lauderinge:
Sijn werck dat is ruchtbaer in menich vreemde lant,
Veel comen verd' ghereyst, hier met grooter begheringe
Om dees vreemtheyt te sien, t'is menich wel bekant.
Licht men hier comen can, met schepen abondant,
Of met den waegen mee; elck na dat hy gheneghen; is.
Gheluckich is een stee; ter goeder plaets gelegen; wis 3).

Een globale opsomming van de inhoud van het kabinet geeft G. Brandt in zijn geschiedenis van Enkhuizen; uitvoeriger is Ernst Brinck, burgemeester van Harderwijk, die het kabinet bezocht in 1610 en er vol lof over schrijft in zijn Album Amicorum. Daaruit kan men een indruk krijgen van wat al zo in een dergelijk rariteitenkabinet werd verzameld. De oorspronkelijke betekenis van „rariteit” is zeldzaamheid. Het woord is dan ook afgeleid van het Franse „rare”, dat nog altijd „zeldzaam, kostbaar” betekent. Men verzamelde meestal, zonder oordeel of voorkeur, alles wat trof door zijn schoonheid of zeldzaamheid. De betekenis van deze kabinetten was groot in die tijd. Behalve staats-, zee-, krijgslieden en enkele studenten kwam niemand buiten de grenzen, velen zelfs nooit in een andere provincie of stad. Men kan zich dus voorstellen dat menigeen zijn ogen uitkeek in een dergelijke verzameling. Voor velen was het de enige mogelijkheid eens iets anders te zien. Boeken met illustraties waren er toen ook niet veel en de meeste mensen konden daarin de bijbehorende teksten niet eens lezen. In onze ogen zou zo'n kabinet niet veel anders zijn dan een rommelkamer, maar in de 16e en 17e, ook nog in de 18e eeuw, vervulden ze een belangrijke rol bij de verspreiding van kennis over „het buitenland”.

Het is niet mogelijk de hele opsomming van Ernst Brinck over te nemen, maar een algemene indruk er van wil ik toch geven. Men vond er dan: munten, gesteenten, zeldzame houtsoorten, kleren uit verre landen, edelstenen, een vliegende vis, pinguins uit de Straat van Magelhaen, andere vogels van Kaap de Goede Hoop, een houten beeld dat de Hollanders hadden gevonden op het „Waygatt”, een rhinoceroshoorn, een Egyptisch afgodsbeeld, een enorm grote schelp, insecten van allerlei soort, wapens. Enkele beschrijvingen zijn de moeite waard om geheel over te nemen: „Een dooth man uit Teneriffe, noch haast geheel sijnde, alt wesende 7 à 800 iaer. Syn ogen en manlickeit waren noch bijcans geheel”. „Een kint van Mumia (mummie) uijt Egypten, alt sijnde wel 2600 iaren”.

Het is geen wonder dat dit kabinet voor een zindelijke Hollandse huisvrouw een grote last is geweest. Zo iets is niet schoon te houden. Maar toch is dat klaarblijkelijk van tijd tot tijd gebeurd. Op 2 Mei 1580 schrijft Paludanus aan Carolus Clusius, dat hij de gevraagde zaden niet voor Pinksteren kan sturen, omdat „de schoonmaak hem tot grote last is”. Zijn kabinet stond toen dus zo overhoop, dat hij er niets meer in kon vinden, behalve misschien een enkel groot stuk als de dode man uit Teneriffe.

Paludanus maakte zelf eens een catalogus van zijn verzameling, toen hij in zijn later leven van plan was alles te verkopen. Deze is ten dele in het latijn, en wordt in Denemarken bewaard. De Universiteitsbibliotheek van Leiden heeft er een fotocopie van, die bestaat uit een dik pak foto's.

Het lukte Paludanus niet zijn verzameling te verkopen. Kort na zijn dood zetten zijn erfgenamen een advertentie in de Amsterdamse krant, waarin de verkoop op 1 Augustus 1634 werd aangekondigd. Maar er was geen belangstelling voor. Eerst 35 jaar later werd alles gekocht door de Hertog van Sleeswijk-Holstein. Nu zijn de voorwerpen verspreid over botanische-, zoölogische- en kunstmusea in Kopenhagen. Daardoor is het moeilijk uit te maken wat oorspronkelijk tot de verzameling van Paludanus heeft gehoord.

De waardering van het bestuur van Enkhuizen voor Paludanus veranderde nog al eens. Toen de stad Leiden hem in 1591 de betrekking van beheerder van de kruidtuin aanbood, voor een salaris van ƒ 400.- per jaar, wilde Enkhuizen hem niet laten gaan. Maar in 1600 verlagen ze zijn salaris van ƒ 200.- op ƒ 100.- per jaar „en soo hy daarvoor nyet en begeert te dienen dat men hem op zijn vrije voeten zullen stellen”. Met andere woorden: als hij het niet goed vindt, gaat hij maar. In 1604 verhoogt men zijn salaris weer tot ƒ 200.-. Dit gesjacher staat in schrijnende tegenstelling met een uitspraak van J. Brosterhuizen in een brief aan Constantijn Huygens: „Duysenden van menschen souden haer leeven om Enchuisen niet ghedacht hebben, 't en waer Doct. Paludanus aldaer syn cabinet van vreemdicheden ghehadt hadde” (1648). Wat de oorzaken van die veranderingen zijn geweest, kunnen we alleen maar raden. Het is best denkbaar dat de belangstelling van Paludanus voor allerlei andere dingen maakte, dat hij zijn eigenlijke werk verwaarloosde. Hij had natuurlijk veel tijd nodig om zijn kabinet te verzorgen en aan te vullen, hij correspondeerde met vele geleerden en vorsten in het buitenland, o.a. de hertogen van Würtemberg, van Aerschot, de landgraaf van Hessen, Prins Maurits, de Paltsgraaf van de Rijn, de vorst van Anhalt, Ernst Casimir, graaf van Nassau e.a. Tenslotte had hij nog een kruidentuin te verzorgen, waarin hij ook zeldzame planten trachtte te kweken. Zo heeft hij geprobeerd een ananas in leven te houden, maar deze stierf. Daar Paludanus ook voor het kweken belangstelling had, is het moeilijk te begrijpen dat hij de betrekking in Leiden niet heeft aangenomen. Hij schrijft zelf dat zijn vrouw Enkhuizen niet wilde verlaten, maar er is ook verondersteld dat hij zelf daar wilde blijven omdat hij nergens anders zo gemakkelijk zijn verzameling kon aanvullen. Schepen voeren uit Enkhuizen naar alle werelddelen. Bij hun terugkomst brachten ze vaak interessante voorwerpen voor hem mee.

De belangrijkste en meest boeiende bron voor het leven van Paludanus is het Album Amicorum, waarin hij handtekeningen en inscripties verzamelde van allen, die hij op zijn reizen ontmoette en die zijn kabinet kwamen bekijken. Ongeveer een derde deel er van is niet gedateerd, zodat we niet kunnen nagaan in welke jaren hij die personen leerde kennen. Maar uit de overige kunnen we zijn reisroute grotendeels opmaken. In 1575 was hij in Padua en hij vertrok daarvandaan in 1578 naar Tripolis, Jeruzalem, Alexandrië, ging vandaar naar Italië terug en bezocht daarna tal van steden in Duitsland. In 1581 keerde hij eindelijk in het vaderland terug. In 1592 moet hij in Londen zijn geweest, in 1595 in Bremen en in 1628 nog in Rouen.

Dit album is een van de merkwaardigste die er in Nederland, misschien wel in heel Europa, zijn bewaard. Album is een latijns woord, dat wit of blank betekent. Men gebruikte het vroeger en nog altijd voor boekjes, waarin men iets verzamelt, b.v. prentbriefkaarten, of foto's. Een poëzie-album, waarin gedichten, opdrachten, tekeningen van familieleden en vrienden worden bewaard, heeft nog bijna elk jong meisje. In de 16e en 17e eeuw waren het vooral studenten, die zo'n album aanlegden. Ze studeerden meestal ver van huis, dikwijls in een vreemd land en wilden iets tastbaars bewaren, dat hun altijd zou herinneren aan de leermeesters en vrienden uit die tijd, die ze zelden of nooit zouden terugzien. De meeste albums worden dan ook niet voortgezet als de student weer thuis is, een gezeten burger is geworden en zijn vrienden en kennissen dagelijks om zich heen heeft. Zo begon ook Paludanus zijn album in Padua, waar hij als student was ingeschreven. Maar na zijn terugkomst in ons land gaat hij er mee door. De hooggeplaatste personen die hem bezochten, vaak dezelfde waarmee hij correspondeerde, zetten hun handtekening er in. Zo vinden we er de namen in van Duitse vorsten en geleerden, van Zweden, Polen en Zwitsers. Maar ook van grote Nederlanders als Prins Maurits (met de bekende zinspreuk: „Je maintiendray”), Frederik Hendrik, Janus Dousa en Jan van Hout uit Leiden, de historicus Emanuel van Meteren, de beroemde Jan Huygen van Linschoten, bij wiens reisverhaal Paludanus toelichtingen schreef. In vele talen hebben ze getuigd van hun vriendschap en bewondering voor de grote Enkhuizer : in het Latijn, het Grieks, het Italiaans, Spaans, Frans, Duits, Hebreeuws en andere oosterse talen.

Soms gebruikte men voor zo'n album geheel blanke boekjes, soms ook bladen bedrukt met gravures. Paludanus heeft beide gedaan en na verloop van tijd, omstreeks 1590, heeft hij alles samen laten inbinden. Niet alle bladen hebben hetzelfde formaat, niet alle zijn van dezelfde kleur. Waarschijnlijk heeft hij telkens een klein boekje gebruikt. Als het vol was legde hij het weg en verving het door een ander. Ook heeft hij wel eens een los blad genomen, als er geen boekje bij de hand was. Daardoor staan ook handtekeningen van verschillende jaren door elkaar; eerst omstreeks 1590 wordt de volgorde regelmatiger. Er schijnt bij het binden dus niet op gelet te zijn het oudste boekje als eerste te nemen.

Het is niet mogelijk ook maar een flauwe indruk te geven van de honderden inscripties, die er in voorkomen. Sommigen, zoals Van Linschoten, schreven alleen hun kenspreuk: Suffrir pour parvenir, 1594 (Lijden om te slagen) 4). Anderen lieten hun familiewapen schilderen bij hun handtekening. Weer anderen schreven er een opdracht bij, waaruit hun achting voor Paludanus bleek. Zo schreef een zekere Cl. Mango in Parijs: „Ik heb Paludanus gezien en in Paludanus alleen alle wonderen. Als eeuwig aandenken van liefde en verering” 5). De filoloog Scaliger droeg zijn inscriptie op aan „de grote geleerde en grote kenner van de ganse natuur” 6). Een zekere Nicolaus Rhedinger schreef zijn kenspreuk in het Spaans: „Het is een moeilijke strijd de gewoonte te overwinnen,” en hij droeg deze op aan „de zeer geleerde Bernhard ten Broek, die uitblinkt door ervaring met vele zaken” 7). Rhedinger schrijft hier de oorspronkelijke achternaam, die in later jaren door Paludanus en zijn bekenden weinig meer wordt gebruikt. Paludanus is afgeleid van het Latijnse „palus” dat, evenals het Nederlandse „broek” moeras betekent. Het woord „broek” in deze betekenis is algemeen bekend, b.v. in Grootebroek, Lutjebroek, Broek op Langendijk, Hensbroek, enz. Het was in Paludanus tijd gebruikelijk, dat geleerden hun naam vertaalden of een Latijnse vorm gaven. De hierboven genoemde Dousa heette Van der Does, Desiderius Erasmus van Rotterdam Geert Geertszoon, Barlaeus van Baerle en Vossius Vos. In navolging van vele anderen noemde Bernhard ten Broek zich in zijn studententijd al Paludanus, de naam waaronder hij beroemd is geworden.

Paludanus gebruikte zijn album ook om andere herinneringen te bewaren. Hij tekende er plaatjes in van costuums, die hij mooi of interessant vond, van Italiaanse mannen- en vrouwendrachten, van costuums van Malta, de bevelhebber van de Armada, in een rood kleed en rode muts, met geel overkleed, een Arabier en een Moor uit Barbarije. Daartussen door vindt men tekeningen van zeilschepen en galeien. Er zijn ook afbeeldingen van grotere gezelschappen, o.a. één van een man met drie vrouwen, die aan een banket zitten. Een van de geestigste tekeningen stelt een huis voor, waarvan een raam is geopend. Een vrouw kijkt er door naar een man en vrouw, die voor de deur staan. Op de linkerbladzijde leest men hierbij een inscriptie van een zekere Merten Gobbe: „Wie clopt wort inghelaten”. Op dezelfde bladzijde staat een opdracht van een zekere Schroter. Eerst zijn kenspreuk in het Latijn: „Zolang ik leef, hoop, is Christus mijn enige hoop”. Links een toevoeging in het Italiaans en rechts hiervan de opdracht, weer in het Latijn. Hierin zinspeelt hij op de reis naar Jeruzalem, die Paludanus binnenkort zal maken. „Goed danst degeen, voor wie de Fortuin speelt. Dit schreef Philip Jacob Schroter, tot een eeuwig aandenken aan zichzelf, aan zijn vriend en broeder Bernard ten Broek, kort voor diens vertrek naar Jeruzalem” 8).

Deze twee bladzijden geven een indruk van het uiterlijk van een dergelijk album. De afmetingen zijn iets groter, n.l. 15.5 x 11.5 cm. Links en rechts ziet men nog vaag de randen van de andere bladen, 590 in het geheel.

Na de dood van de eigenaar erfde zijn schoonzoon, Evert Hidding, het album en in 1651 was het in ieder geval nog in zijn bezit. In dat jaar werd n.l. een inscriptie in het album opgedragen aan deze schoonzoon door Adam Olearius, opzichter en bibliothecaris van de verzamelingen van Frederik III, hertog van Sleeswijk-Holstein, die toen de inhoud van het kabinet heeft gekocht. Daarna is het gaan zwerven alsof het geen rust kon vinden nu zijn meester dood en diens bezittingen verstrooid waren. In het einde van de 18e eeuw is het in het bezit van een zekere Johann Noa de Ron, die het had gevonden in een Jesuïtenklooster en die het geeft aan één der nabestaanden van Paludanus. Dan blijft het in ons land, wordt in 1923 door Mr F. C. Koch gekocht voor ƒ 2400.- en door hem in 1945 aan de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag geschonken 9).

Al heeft Paludanus niet steeds de waardering ondervonden, die hij verdiende, vooral niet in zijn eigen stad, velen, in de eerste plaats geleerden, in zijn eigen tijd en later, hebben zijn betekenis begrepen. En al zijn zijn kinderen niet in staat geweest zijn werk voort te zetten of zelfs maar te bewaren, ook zij hebben begrepen dat hun vader een man van waarde is geweest. In 1635 lieten zij in de Zuiderkerk te Enkhuizen een grafteken plaatsen, waarop zijn verdiensten uitvoerig werden beschreven. De slotregels er van vertaalde Brandt in zijn geschiedenis van Enkhuizen als volgt:

Hoe ongestadig sijn de menschelijke dingen,
Hoe werdt men omge'voert door hun veranderingen?
Die al de wonderen der Indiaensche see,
Van 't Africaensche strandt en van Egyptens reê;
Die al de wonderen der aerd' en locht vergaerde,
En in sijn kisten sloot, werdt eind'lijk in dees' arde
Daer hy ons selfs weleer een Wonder hadt verstrekt,
Door syne Kist en sark besloten en bedekt 10).

Dr Jo Daan.

1) Het itinerario van Jan Huygen van Linschoten. 1579-1592, 3e dl. (Werken uitgeg. d.d. Linschoten-vereeniging XXXIX) ('s Gravenhage 1934). blz. 249-268.
2) 's Gravenhage 1936.
3) Historia. Dat is, Een verhael in rijm van den oorspronck ende fondeeringe der seer vermaerder zee ende coopstadt Enchuysen, enz. beschreven door P. P. K. Enchusanum (1603).
4) De kenspreuk van Paludanus zelf was: „Per angusta ad augusta” (Door ,lijden tot heerlijkheid).
5) Paludanum vidi Et in uno Paludano mira omnia vidi. Amoris et honorii aeternum monumentum XV octobris
1596.
6) Caetera nec verum nec fas animalia norunt. Solus verum et fas novit et odit homo. Doctissimo viro, et totius naturae peritissimo Bernardo Paludano Medico, Josephus Sealiger, Julij Caesaris filius. Anno 1953 III kal. octobris.
7) Dura pelea es vencer la costumbre. D. N. Bernhardo ten Broek viro eruditissimo et multarum rerum usu praestanti, singularis benevolentiae mnemosynon scribebat Nicolaus Riliedinger á Strisa Silesius Amicus Amico Summo Venetii M. Martio 1579.
8) Dum spiro spero mea spes est unica christus. Assai ben balla a chi fortuna suona. Hoc suo amico et fratri iam discessuro Hierosolymam Bernhardo Paludano scribebat Philippus Jacobus Schoter in perpetuam sui memoriam 14 Junij 78.
9) Een uitvoerige beschrijving van het album in: Gedenkboek Koninklijke Bibliotheek. 1798-1948 ('s Gravenhage 1948), 97-118.
10) Heu lubricas mortalium nimis vices!
Qui cuncta Ponti, qua vel Indicum quatit
Nereus, vel Afrum littus, aut Augyptium,
Qui cuncta Terrae atq; Aetheris solus suis
Congesta thecis c1auserat miracula,
Nunc ipse coeco saxeóq; huic carceri;
Non ultimum orbis c1auditur miraculum.

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.