Archivering » WFON » 1955 » Pagina 11-19
Enkhuizen voor 600 jaar
Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 22e bundel, pagina 11-19.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud
West-Friesland”, 1955.
Auteur: Dr S. B. J. Zilverberg.
De laatste jaren is ons goede vaderland wel rijk aan stedelijke eeuwfeesten. Mocht het dan niet
altijd mogelijk zijn het stadsrecht als uitgangspunt te nemen, dan was een eerste vermelding in de
kronieken toch wel een geschikt aanvangspunt. Zonder enigszins volledig te zijn, mogen genoemd worden
de festiviteiten te Zierikzee, Muiden, Haarlem en Alkmaar, waarvan de laatste vooral ons nog wel vers
in het geheugen zal liggen. Thans dan is de beurt aan Enkhuizen, dat wel niet op zeven eeuwen kan bogen,
maar met zijn 600 jaren toch Dok wel een respectabele leeftijd heeft bereikt. Voor zover mij bekend,
herdenkt de haringstad een eeuwfeest van zijn stadsrecht voor de eerst keer. Als er herdacht werd,
dan was het wel de overgang naar de Prins van Oranje op 21 Mei 1572, een feit dat zelfs nu nog geen
jaar ongemerkt voorbijgaat.
Nu de redactie van het Jaarboek mij gevraagd heeft een beeld te geven van Enkhuizen omstreeks 1355,
moge ik wel bij voorbaat de clementie van de lezer inroepen. De gegevens over deze tijd zijn helaas
zeer schaars, archivalia zijn er, behalve een aantal privileges, vrijwel niet, zodat wij ons voor het
overgrote deel wel moeten tevredenstellen met de kroniek van Gerard Brandt. Deze heeft wel veel stukken
geraadpleegd, zoals die van Blauwhulck en Proost, maar alle zijn in de loop der eeuwen verloren gegaan.
Zoals bekend, hadden de Hollandse graven lange tijd beproefd West-Friesland te onderwerpen, waarbij
onder meer WiIlem II in 1256 het leven verloor. Eerst Floris V slaagde er in 1289 in, zij het ten koste
van een aantal concessies, deze noordelijke streken bij zijn graafschap te voegen. In het nieuwe gebied
werden een aantal versterkingen aangelegd, o.m. te Medemblik, dat tevens als eerste plaats in het nieuw
verworven land het stadsrecht verwierf, dat aan het Alkmaarse ontleend was. Dit was geheel in de lijn
van de stadsrechtverleningen, waarbij de privileges van andere steden als voorbeeld dienden.
De opkomst der steden is wel één van de belangrijkste verschijnselen in de geschiedenis
der Middeleeuwen. De nederzettingen, die zich tot een zeker handelscentrum hadden ontwikkeld, vaak door
gunstige ligging, of ook indien een gunstige economische ontwikkeling viel te verwachten, kregen van
hun landsheer allerlei voorrechten, waarvan het stadsrecht dan wel het voornaamste was. Deze rechten
werden soms vrijwillig gegeven, vooral als de landsheer zijn macht tegenover de adel wilde versterken,
maar ook wel geschiedde dit onder de dwang der omstandigheden. Gewoonlijk zien wij een goede verhouding
tussen landsheer en steden, die het nieuwe element in de Middeleeuwse samenleving vormen.
In de Nederlanden lag de stedelijke ontwikkeling aanvankelijk vooral in het Zuiden: plaatsen als Gent,
Brugge en Leuven waren economisch en juridisch gezien die in het Noorden ver vooruit, al kan men b.v.
Tiel en Utrecht een grote rol in de vroege Middeleeuwen niet ontzeggen. De gevolgen van een dergelijke
stadrechtverlening waren vooral van juridische aard, n.1. de emancipatie uit het landrecht.
Toen Medemblik het stadsrecht kreeg, moet Enkhuizen nog een zeer onbelangrijk plaatsje zijn geweest,
waarover wij dan ook vrijwel niets weten. Omstreeks 1300 lagen op de Oostpunt van West-Friesland een
tweetal kerspels, Enkhuizen, dat zich aan de zeezijde bevond en het kerspel van St. Gomarus, meer
landinwaarts. De meeste gegevens weten wij nog van het oude Enkhuizen, waarvan de bevolking in 1309
slaags raakte met de Oost-Friezen (d.w.z. de bewoners van het huidige Friesland), die zich schuldig
hadden gemaakt aan plundering en brandstichting. De Enkhuizers lieten zich niet onbetuigd door
vergeldingsmaatregelen te nemen tegen het klooster St. Odulf bij Stavoren, waarbij zij tien gevangenen
maakten, die zonder veel omhaal de volgende morgen voor het klooster werden opgehangen.
Hoe zag Enkhuizen er omtrent die tijd uit? Een grote voorstelling moet men zich hiervan zeker niet
maken. Vast staat, dat het zeedorp Enkhuizen toen nog buiten de Westfriese Ringdijk gelegen was en
een kapel had, die aan St. Paulus was gewijd. Omstreeks 1325 werd ook een kapel binnendijks gebouwd,
genoemd naar St. Pancratius. Langzamerhand ging deze de plaats innemen van die van St. Paulus, die in
de vijftiende eeuw voor goed werd verlaten. De plaats, waar deze kapel lag, ten Oosten van de Wierdijk,
moet nog lang de naam van het „Kerkhof” gedragen hebben. Van Gommerkerspel weten we, dat
in 1355 een zekere Ludolf van der Meulen daar pastoor was, terwijl in 1358 Theodoricus de Dobbe als
kapelaan vermeld wordt.
Het is begrijpelijk, dat een plaats, die aan zee gelegen was, betrokken raakte in de scheepvaart. In
de dertiende en veertiende eeuw vond vanuit Holland een belangrijke handel plaats op Hamburg en het
Oostzeegebied, waarbij het schiereiland Schonen een voorname rol speelde. In 1307 moeten er al Enkhuizers
in Hamburg zijn geweest, al kunnen we uit de vermelding verder weinig opmaken. In 1333 raakte een aantal
burgers uit Enkhuizen, Arnold Steyneldersone, Altgheer Jacobssone en zijn broer Thade, in conflict met
de stad Lübeck over de inbeslagneming van hun schip tijdens de strijd van deze stad met Stavoren.
Willem II van Holland deed daarop de uitspraak, dat Lübeck de drie Enkhuizers 3 pond groten moest
betalen op „den naeste Meyedach” te Haarlem. In 1335 ontvingen twee burgers uit Enkhuizen,
die in de oorlog tussen Stavoren en Lübeck schade hadden opgelopen in de Sont, van de voogd van
Lübeck op Schonen schadeloosstelling. Over de economische geschiedenis na 1342 zijn we toevalligerwijs
wat beter ingelicht door de gegevens, die de rekeningen van de grafelijkheid en de Amsterdamse biertollen
ons bieden. In 1342 betaalden Enkhuizen en Gommerkerspel samen de vroonschout (heffing ten bate van de
landsheer) ten bedrage van 18 schellingen, terwijl Hoorn in hetzelfde jaar slechts 13 schellingen en
8 penningen betaalde. Dat er een niet onaanzienlijke visserij bestond, blijkt wel uit het feit, dat
Simon van den Burch en Malthe Jonge Vokels voor de stalen (stokken ter bevestiging van de visnetten)
een som aan de graaf betaalden van 30 pond. In 1344 vernemen wij voor de eerste maal van een scheepswerf
te Enkhuizen, omdat graaf Willem IV in dat jaar daar een kogge met negen roeibanken liet bouwen,
vermoedelijk wel in verband met de in het volgend jaar te ondernemen tocht tegen Friesland.
Uit de rekeningen van de Amsterdamse biertollen kunnen wij leren, dat een vrij groot aantal Enkhuizer
schippers betrokken was in de handel van Hamburg op Amsterdam. Ook te Enkhuizen zelf was een tol op
het bier gevestigd, die de graaf enige inkomsten opleverde, doch deze was lang niet zo winstgevend als
die te Amsterdam. Echter niet alleen bier werd vervoerd, doch ook een aantal goederen, die nog niet
tolplichtig waren. De Enkhuizer schippers wier namen het meest voorkwamen in de registers, waren Jacob
Herte en Claes Trudensoen, die naast bier ook vlas, rogge en hout vervoerden. In de jaren na 1360
transporteerden de Enkhuizers nog grotere vrachten: in 1365 bedroeg de vracht van Claes Trudensoen 103
tonnen bier en voorts aanzienlijke hoeveelheden hout in allerlei soorten en haring. Al met al is er
echter geen reden de handel en scheepvaart van Enkhuizen in de eerste helft van de veertiende eeuw al
te hoog aan te slaan.
Graaf Willem IV, die in 1345 getracht had Friesland te onderwerpen, moest zijn optreden met de dood
bekopen in de slag bij Warns. Hij stierf kinderloos, waarna een felle opvolgingsstrijd ontbrandde tussen
zijn zuster Margareta, gehuwd met keizer Lodewijk de Beier, en haar zoon Willem, die meende in het
graafschap Holland, een zwaardleen, aanspraak te moeten maken op de erfenis van zijn oom. Er barstte
een oorlog uit tussen de aanhangers van Margareta, de Hoeken en die van Willem, de Kabeljauwen genaamd.
Over het algemeen kan men zeggen, dat de steden Willem steunden, terwijl de adel, die minder voelde
voor een krachtig landsheerlijk gezag, meer op de hand was van Margareta, al waren er steden, die
Margareta en edelen, die Willem steunden. Wij willen in dit artikel niet nader op de aspecten van deze
oorlog ingaan, wij releveren slechts, dat in 1354 een verzoening tussen moeder en zoon tot stand kwam
door bemiddeling van Jan van Beaumont. Willem V betoonde zich vrij inschikkelijk tegenover Margareta,
die o.m. een grote som gelds in eens en een lijfrente kreeg. Prof. Niermeyer uit het vermoeden, dat
verschillende Hollandse steden niet erg met het verdrag waren ingenomen, zodat de talrijke privileges,
die de graaf hun moest toekennen wel in de eerste plaats concessies waren om hun inwilliging te verkrijgen.
Mogelijk is echter ook, dat de grafelijke privileges voortkwamen uit erkentelijkheid voor de geboden
hulp tijdens de oorlog. In de jaren na 1354 kregen de Zuiderzeeplaatsen Edam, Monnikendam, Hoorn en
Enkhuizen het stadsrecht. Wij mogen hieraan echter geen economische betekenis toeschrijven, daar in
die tijd wel meer plaatsen tot stad verheven werden zonder ooit economisch deze hoogte bereikt te hebben,
zoals Rijssen, 's-Gravesande en Baarn. In West-Friesland speciaal, maar ook in Waterland, bleek de
administratieve factor toch wel het belangrijkst.
Op Woensdag na St. Paulus Conversio 1355 ontving Enkhuizen dan van Willem V het stadsrecht. In verband
met de toen in Holland geldende Paasstijl mogen we wel aannemen, dat voor het jaar wel 1356 moet worden
gelezen, zodat wij met grote zekerheid de juiste datum op 27 Januari 1356 mogen stellen. Het stadsrecht,
dat toegekend werd, was dat van Medemblik, zoals deze stad het weer van Alkmaar had ontleend. Willem V
zegde „onsen lieven ende getrouwen luyden van Enkhuisen ende Gommerkerspel” een vrijheid
en poortrecht toe, die zich in noordelijke, oostelijke en westelijke richting tot de zee en in het
Westen tot de grens van de ban van Bovenkarspel zouden uitstrekken. Het recht zou gelden, zoals dat
tot nu toe te Medemblik gebruikelijk was, met dit voorbehoud, dat geen poorter van Medemblik of buurman
van het Overleeker Ambacht het poorterrecht van Enkhuizen mocht krijgen. Voorts werd het recht van
jaarmarkt geschonken, te houden gedurende veertien dagen in de maand Augustus. In de heervaart moest
de stad Enkhuizen de graaf dienen met 30 mannen, waarbij die van Bovenkarspel en Grootebroek hulp
moesten bieden.
Nu is het opvallende aan het Enkhuizer stadsrecht, en dat gold later ook voor de andere steden in
West-Friesland, dat twee dorpen tezamen één stad vormden. In 1364 gebeurde iets dergelijks
met Bovenkarspel en Grootebroek, als stad Broek geheten, waarbij later nog Lutjebroek en Hoogkarspel
werden gevoegd. Dit streven naar vereniging van dorpen tot een aantal steden vond zijn voltooiïng onder
graaf Willem VI omstreeks 1400, toen geheel West-Friesland op deze wijze administratief in steden was
ingedeeld.
Nog was Enkhuizen, ook als stad, uitermate gering van omvang. Waarschijnlijk was het niet veel groter
dan het stadsdeel, dat begrensd werd door de volgende straten (naar de huidige benaming): Breedstraat,
Dijkstraat, Dijk, St. Jansstraat, Melkmarkt, van Blieswijkstraat en Vissersdijk. Na de grote storm van
1361 werd besloten een haven te graven om de schepen een veiliger ligplaats te bieden dan voorheen. De
mond hiervan lag bewesten de Dijkstraat en liep door voorbij de Breedstraat tot de Vissersdijk; schotdeuren
waren aangebracht voor de waterkering, maar grote schepen konden de haven niet binnen. Voor de bierschepen
werd bij het Noorderspui een speciale aanlegplaats gebouwd, een plaats, die nog lang de naam van
„bierhoofd” heeft gedragen.
Hoewel de gegevens over handel en nijverheid schaars blijven, mogen we toch wel vaststellen, dat de
Oostzeehandel nu van meer belang werd. In 1368 ontving Enkhuizen, naast Amsterdam en Wieringen, van
koning Albrecht van Zweden een aantal privileges van vrije vaart op Denemarken en het land van Schonen,
met het recht om in het laatstgenoemde gebied een „vitte” (d.i. nederzetting) te vestigen,
die aan de Amsterdamse rechtspraak zou zijn onderworpen. We kunnen wel met zekerheid aannemen, dat de
Enkhuizers inderdaad in de Amsterdamse vitte zijn geweest. Een enkele vermelding vinden wij voorts van
de handel op Engeland, waarbij Enkhuizer schippers zich o.m. bezig hielden met het vervoer van steenkool.
Al deze gegevens zijn echter zo fragmentarisch, dat wij moeilijk hieruit nadere conclusies kunnen trekken.
In 1387 werd de vrijheid van de stad aanzienlijk vergroot. Doordat aan de zeezijde het gebied afbrokkelde,
kreeg Enkhuizen het recht zijn gebied in de richting van Bovenkarspel uit te breiden, terwijl ook de
ban in noordelijke en zuidelijke richting zich verder zou mogen uitstrekken. In 1393 ontving Enkhuizen
van de graaf nog het recht van vrijheid op de stapelgelden, die door Dordrecht werden geeist, hoewel
deze stad zich weinig aan dit privilege stoorde.
Omdat de handel in zuivelproducten een niet onbelangrijke plaats innam, werd in 1394 een Waag opgericht
aan de Breedstraat, terwijl voor de arme vreemdelingen een gasthuis werd gesticht. In deze jaren moet
ook de St. Antoniuskapel zijn gebouwd ongeveer op de plaats, waar het latere eerste stadhuis werd
opgetrokken. Volgens Gerard Brandt werd voorts omstreeks 1398 een Begijnhof gevestigd op een punt, dat
grensde aan de huidige Bagijnestraat. Hoewel dit niet met zekerheid vaststaat, moet ten tijde van de
tocht van Albrecht tegen de Friezen (1396) de z.g. „Engelse toren” zijn gebouwd, die zo
genoemd was naar de Engelse soldaten, die in dienst van de graaf aldaar gelegerd waren. Later werd in
deze toren het hoofdkwartier van de V.O.C. gevestigd; helaas is deze het slachtoffer geworden van de
negentiende-eeuwse afbraakwoede.
Inmiddels bleek de haven van 1361 al spoedig te klein, zodat in 1395 de Rommelhaven werd gegraven, die
buiten de muren lag en door een dijk naar de zeezijde was afgeschermd: de haven, die Enkhuizen nog steeds
heeft. Voorts ontving de stad nog in 1397 verdere faciliteiten ten aanzien van het dijkrecht, vrijheid
van tol te Spaarndam en Heusden, terwijl bovendien de graaf toezegde, dat de inkomsten van de Waag
gebruikt mochten worden voor het gasthuis der armen. Het voornaamste artikel van het privilege was
echter wel de instelling van het college van poortmeesters d.w.z. burgemeesters, die alle jaren op
Nieuwjaarsdag zouden worden gekozen door de schout en de poorters van Enkhuizen en gedurende een jaar
zitting hadden. Over de verdere werkzaamheden van deze lieden in die tijd weten wij echter niets; eerst
een eeuw later kunnen wij meer licht zien in de ambtelijke werkzaamheden te Enkhuizen.
Wij zijn de historie van omstreeks 1400 genaderd, wanneer Enkhuizens macht zal gaan toenemen om in de
zestiende en het eerste kwart der zeventiende eeuw zijn hoogtepunt te bereiken. Nader hierop ingaan
zullen wij echter niet; in het bovenstaande wilden wij slechts een, zij het noodgedwongen zeer
fragmentarische schets geven van het Enkhuizen van 600 jaar geleden.
Dr S. B. J. Zilverberg.
Voornaamste geraadpleegde literatuur:
G. Brandt: Historie van Enkhuizen. 2e druk verzorgd door S. Centen (1747).
E. van den Hoof: Handtvesten. Privilegiën. Wi11keureri en de Ordonnantiën der stadt Enchuijsen
(Enkhuizen 1667).
H. A. Poelman: Bronnen tot de geschiedenis van de Oostzeehandel I (1917).
H. G. Hamaker: De rekeningen der grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. deel I en II
(1875/6).
H. J. Smit: De registers van den biertol te Amsterdam (in Bijdragen en Mededelingen van het Historisch
Genootsohap. dl. 38. 1914).
M. S. Pols: Westfriesche Stadrechten I (1888).
E. H. Rijkenberg: Enchusana (in Bijdragen voor de Geschiedenis van het bisdom Haarlem. dl. 36. 1915).
J. Theunisz: Het stadhuis van Enkhuizen (diss. Amsterdam 1927).
M. A. Verkade: De opkomst van de Zaanstreek (diss. Groningen 1952).
H. J. Smit: Opkomst van den handel van Amsterdam (diss. Amsterdam 1914).
Algemene Geschiedenis der Nederlanden III (1951).