Archivering » WFON » 1954 » Pagina 33-34
Ten Afscheid
Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 21e bundel, pagina 33-34.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud West-Friesland”,
1954.
Auteur: C.J. Stins.

De heer Kerkmeijer heeft gemeend, dat de tijd gekomen is om voor het bestuur van ons Genootschap te
moeten bedanken en zijn plaats af te staan aan een jongere kracht.
Het is bijna niet in te denken hoe het zal zijn, als hij geen deel meer zal uitmaken van ons bestuur. De
heer Kerkmeijer behoort tot de oprichters van het Genootschap en is als de pionier te beschouwen in de
strijd om het belang van de schoonheid van het gewest en voor het in ere houden van de schoonste tradities
op folkloristisch gebied, welke West-Friesland nog bezit.
Reeds lang voor het Genootschap werd opgericht streed hij vaak op eenzame posten voor deze belangen. Reeds
meer dan vijftig jaar geleden verhief hij zijn stem tegen zinloze slopingen van monumenten, streed hij
tegen de vervlakking, die ons platteland bedreigde met daaraan inhaerent het verloren gaan van zinvolle
gebruiken, volkskunst en typische gebruiksvoorwerpen uit de bedrijven. Als conservator van ons
streekmuseum, het Westfries Museum, wist hij veel van de ondergang te redden en voor het nageslacht te
bewaren. Denken wij slechts aan de volledige kaas- en botermakerij, die U in het Westfries Museum kunt
bewonderen en welke verzameling in samenwerking met de heer Portegijs werd samengesteld. We moeten niet
vergeten dat in den beginne zijn stem was die eens roependen in de woestijn. Rond de eeuwwisseling zag
men over het algemeen niet in welke waarden men dreigde te verliezen, terwijl men geen oog had voor het
vele bouwkundig schoon, dat ons voorgeslacht ons had nagelaten. Steeds weer trachtte hij te redden wat te
redden was en veel verguizing om "die manie" was zijn deel. Onvermoeid echter kwam hij voor de belangen op
en gelukkig, het tij keerde. Meerderen kwamen tot inzicht, met o.m. als gevolg, dat in 1925 ons Genootschap
werd opgericht. Met Dr. Van Balen Blanken, Ruyterman en anderen behoorde hij tot de oprichters, vervulde
sindsdien met grote ambitie zijn bestuursfunctie en was daardoor een van de steunpilaren van ons
Genootschap. Zijn gezond oordeel, gepaard aan een scherp critisch vermogen, waren waardevolle eigenschappen,
die in het bestuur zeer van pas kwamen.
Nog steeds was hij een militante figuur in het bestuur.
Overal waar gevaar dreigde voor de schoonheid van het gewest legde hij de vinger op de wondeplek en spande
zich in, door restauratie een monument in zijn oude glorie te herstellen. Van zijn hand verschenen
verschillende artikelen in de 'Bundel' en de 'Speelwagen'. Van de Commissie voor Landelijk Schoon is hij
de voorzitter en we kunnen ons moeilijk een betere voorstellen. Zijn aesthetisch gevoel, gepaard aan
gedegen kennis op bouwkundig gebied doen hem daar bij uitstek op zijn plaats zijn. Hopelijk zal hij deze
functie nog blijven vervullen.
Het is moeilijk voor te stellen, dat we hem echter straks niet meer aan de bestuurstafel zien plaats nemen.
Node zien wij hem dan ook vertrekken. We kunnen slechts de wens uitspreken, dat hij nog lang voor ons
gewest gespaard moge blijven en dat het Genootschap op andere wijze nog dikwijls van zijn steun mag blijven
genieten. Het Genootschap zelve kan hem het beste eren door in zijn spoor voort te gaan en onvermoeid te
strijden tegen verval van de cultuurwaarden van ons gewest en de vervlakking, die - nu het verkeer zoveel
intensiever is geworden - een der grootste dreigingen is. Moge van het Genootschap dezelfde stuwkracht
uitgaan, die de heer Kerkmeijer al die jaren heeft gegeven, dan zal het werk, dat hij heeft verricht, de
rijkste vruchten kunnen dragen.
Namens het Hist. Genootschap
"Oud West-Friesland",
C.J. STINS.
Hoorn, Mei 1954.