Westfries Genootschap
Archivering
Westfries Genootschap Archivering Bouwhistorie Creatief Westfries Geschiedschrijving Kap en Dek Landelijk Schoon

Monumentale Kerken Projector Textieloverleg Vrienden Westfries Museum Westfriese Families De Westfriese Molens

 

Delen
:



RSS

Facebook

Archivering » WFON » 1946 » Pagina 191-197

Ongeveer vijf en dertig jaar geleden in een Westfries dorpje

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud en Nieuw, 18e bundel, pagina 191-197.
Uitgave: Historisch Genootschap „Oud West-Friesland”, 1946.
Auteur: W. Porte.

Het was in de tijd, dat wij, jongens, fietsen leerde. Daar hadden we zowat een week voor nodig. Tegenwoordig kunnen we het zonder leren. Auto's stonden nog in hun kinderschoenen. Het trammetje was het vervoermiddel. Wie had dat ooit gedacht, dat diezelfde auto's nog eens de ondergang van ons trammetje zouden bewerkstelligen. Immers spoor en tram waren wel zulk een modern en ideaal vervoermiddel, dat ze ten eeuwigen dage ten gerieve van het mensdom zouden rijden.

De Wognummer deed dat al enige jaren met succes. Wat een drukte op dagen, als er in Schagen wat te doen was. Op marktdagen natuurlijk, maar in het bijzonder op de laatste Kermis-Zondag, de Paastentoonstelling en de harddraverijdag in September Dan waren er soms een vijf- à zestal wagens, die de passagiers vervoerden. En op marktdagen was het veevervoer zeker beduidend, al had de tram daardoor veel langer werk, om het eindpunt te bereiken.

Het was geen wonder, dat van Schagen uit ook de lijnen aangelegd werden naar Ewijksluis en over Warinenhuizen naar Alkmaar. Die twee hebben we nog zien aanleggen. De laatste werd, meen ik, nog gestagneerd door de mobilisatie in 1914. En dat alles is alweer verdwenen ook, op de aarden baan na en wat telefoonpalen.

Jongens hebben altijd een voorliefde voor al wat spoor is en wij niet minder. Als het niet verboden was, dan hadden we de plek bij het stationnetje uitverkoren als speelterrein. Daar was een draaischijf, maar daar moesten we met onze handen afblijven, een veelading en een abri. En in zijn beste tijd kon het er gezellig zijn, als er een paar wagens op het zijlijntje gerangeerd moesten worden. Al die wagens, die daar leeg aankwamen of vol weer werden weggehaald, gaven een aardige afleiding, want soms rangeerden ze een hele poos, voor het trammetje zijn pad kon inkorten en ik heb zo'n idee, dat het soms heel wat hoofdbrekens gekost heeft, voor ze de goeie combinatie hadden en het gebeurde weleens een enkele keer, dat een wagen vóór de locomotief opgeduwd werd tot de volgende halte, waar het wisselapparaat beter werkte. Want al met al nam dat rangeren vaak te veel tijd en snelheid begon al een woordje mee te spreken. We bele.efden nog het glorietijdperk, toen de Donderdagse middagtram door een echte treinlocomotiefmet tender getrokken werd. Maar die glorie duurde niet lang, want de machine was te groot, om met fatsoen door de tamelijke bochtige wissels te rijden.

En nu is dat alles vergeten. Vrachtauto's en autobus, – eerst bescheiden – hebben de concurrentie aangebonden en gewonnen. Maar wie wel stand hielden, dat waren de beurtschippers en ik herinner me nog, dat het beide zeilschepen waren, die ze voeren en wel eens per week naar Alkmaar. De motor deed zijn in tree en het zeil verdween en meteen het mooie sierlijke van het schip.

En zo moesten ook de vijf strijkmolens bij de Molenkaai verdwijnen, toen daar naast de oude machine de diesel verscheen. 0, ja, in die dagen vonden' we het prachtig. Het bouwen en het stellen van de machines, het slopen vàn de molens, dat was alles machtig interessant voor ons jongens van het stille dorpje, dat als zo heel veel andere, nog niet was ingeschakeld in het grote verkeer, zoals dat later zou plaats vinden. Maar als ik weer bij de Boerensluis sta, dan voel ik, dat ik er iets mis, iets moois, iets stoers. Die oude molens zal ik niet licht vergeten!

Toen we in de zomervacantie. '37 op die prachtige Augustusmorgen op de fiets stapten, hadden we allebei het verlangen, onze geboortegrond weer te zien, zoals we het gekend hadden in onze jeugd. Niet alles was zo meer. De wegen waren verbreed, een zwembad was er gekomen en in de verte waren sluiswerken verrezen en de Ringsloot was kleiner, al zal dat verbeelding zijn geweest. Maar de Weere was nog vrijwel hetzelfde. Alleen de herberg was geen herberg meer. Wat kon het daar Maandags van Schager-kermis druk zijn, want dan was het daar ook kermis. Er stond maar één kraam, maar na de middag werd er opgestoken en het lijkt mij toe, dat het hoogtijdagen zijn geweest. Doch voor het overige, hoe kon je de sfeer van vroeger nog aanvoelen, die nog versterkt werd, toen we bij Boekel belandden, waar we gastvrij ten eten werden gevraagd. En later toen we door de Zoutkaag gingen, langs de molen en het sluisje naar Kolhorn. En als van zelf kwamen de vroegere wandelingen tot je. Want vaak gingen we met vader door de polder naar zee, de dijk langs naar de haven van Kolhorn en dan, als we alikrukkels en mossels gezocht hadden, door de Zoutkaag naar huis. Wat genoten we en – dat zie je pas later – hoe leerzaam waren deze tochten. En ik geloof, dat het waarderen van het zo doodgewone landschap me altijd is bijgebleven en ik ben er nog altijd dankbaar voor.

Als ik bij Kolhorn aan de dijk zat, dat kijk ik met zekere weemoed over het nieuwe land, dat veel moois heeft weggenomen. En ook wellicht iets spannends. Want nu de Zuiderzee zijn bepaalde stand heeft, nu is het hoogzee verdwenen. Als na veel zuidwestenwind in de najaarsdagen de wind opeens omschoot naar het noordwesten dan liep de zee vol en in enkele uren waren de boezems aangemalen. De molens en machines stopten, zodra het hoogzee was en het sein werd gehesen. Hoog stond dan het water in de sloten, de stoepen stonden onder; de ringsloot was van kade tot kade tot overstromens toe vol. Doch lang duurde dat nooit, want na een paar dagen was alles weer op normaal peil.

Dat was zo de gewone gang van zaken. Van overstroomd land heb ik weinig gemerkt, of het moest in de Braak zijn, maar dat herinner ik me ook maar een paar maal gezien te hebben. Later toen ik de wereld in mocht zwerven, heb ik vaak en meer land op min-gunstige tijden onder water gezien en ik heb respect gekregen voor de manier, waarop ze het Westfriese land, dat toch altijd nog onder A.P. ligt, boven water wisten te houden.

Als de Novemberdagen in het land kwamen, was daar allereerst Sint-Maarten, dat ons bezighield. De traditie werd door ons hooggehouden en arm of rijk, de jongens en meisjes gingen er op uit. Een paar dagen van tevoren werd er begonnen met de toebereidselen en dat was: zorgen, dat je een peen kreeg. Gelukkig werden er rooie verbouwd. Die waren of kwamen juist binnen, om ergens tegen een boerderijmuur opgestapeld, om straks, als de koeien op stal waren, tot veevoer te dienen, Een flinke rooie, liefst gave moest je hebben en dan wasje er een poosje zoet mee, om die uit te hollen. Eerst de kop er af, dat was al een toer met het aardappelmesje, dat je voor deze gelegenheid mocht gebruiken. En dan uithollen. Eerst ging het nog al vlug maar naarmate je de kanten naderde, moest je voorzichtiger zijn, om er niet doorheen te steken. Nu nog een gat er onderin, waar de kaars moest staan en dat was het allermooiste, het gezicht snijden aan de buitenkant. Voor een paar centen een kaars gehaald en als het avond was kijken, of ie het deed. En hoe dunner de wand geworden was, des te mooier scheen ie door. Maar te dun mocht toch ook weer niet, want de gaatjes, die je bovenaan geboord had voor het touw, waar je het geheel aan droeg, mochten niet inscheuren.

En dan was het wachten op de avond van de elfde. Voordat het duister was, liep je met één of twee kameraden op weg en àls je bij het eerste huis was, zowat anderhalf km ver, was het juist donker genoeg, om met fatsoen te kunnen beginnen. En dat ging van huis tot huis, soms dwars door de modder van het door regen doorweekte pad. Gelukkig, dat je klompen aanhad. Een enkele woning ging je voorbij, daar kreeg je toch niks en je kon je tijd beter besteden. Maar over het algemeen werd er gegeven, gul; soms overvloedig, vooral als het een goed vruchtenjaar geweest was. In het duister stond je daar te zingen, toch iets met wijding. In de deuropening, de vrouw met of zonder spruiten, die nog niet mochten keuvelen, en achter haar het flauwe peterolie-licht, dat de avond aanbleef, zolang er gekeuveld werd.

Soms als ze niet wist, wie er voor haar stonden, vroeg ze: "Van wie bennen jullie d'er ientje?" als het lied uit was. Dan, later terug, in de warme kamer, verdeelden we de buit. Uit de buul rolden en tolden, de koekjes, peperneuten, appels, sausjes, vijgen en centen. Tevreden gingen we naar bed en de volgende dag zag je je keuvel, van binnen zwart geblakerd en het stompje kaars, als een waardeloos ding, dat je niet eens je knijnen kon voeren. Doch veel tijd om daar over te prakkizeren had je niet. Want na schooltijd, moest je kijken naar het speculaas bakken bij den bakker.

Voor de lage ramen hing een rijtje jongens en de bakker daarbinnen was bezig het deeg te kneden. Soms liep-ie naar de oven, opende de deur en dan zag je de he1roode gloed van het takkenbossenvuur. Dan ging hij weer aan het deeg, nam een mop, stopt het stevig in de plank met de uitgesneden figuren en als die plank geheel gevuld was, kwam het boldermes er langs om het overtollige deeg er van weg te snijden. Dan werden de lapjes deeg uit de figuren gewipt en op een ijzeren plaat gelegd, naast elkaar.

Jonge, wat was dat alles interessant en als even later een kruidige speculaasgeur door ons dorpje zich verspreidde, dan wist je, dat het gauw Sinterklaas was. Het werd al geheimzinniger, al heeft de goede baas zelf naar mijn weten in mijn jonge jaren de weg nooit naar ons goede dorpje weten te vinden. Maar niettemin waren het mooie dagen, vooral als de St. Nicolaastafels klaar waren. We hadden er twee, later één. De witte doeken kwamen eerst voor de ramen en als ze dan weggehaald waren, wat een vreugde, allereerst wel, omdat de tafel klaar was en dan om al het verrukkelijke, dat er lag. Nog groter was het feest, als je naar binnen mocht – alleen alsje wat kocht – om dat moois van dichtbij te zien. En dan – eindelijk – kwam de avond, de grote avond. De goede man noch zijn zwarte knecht kwamen zelf, maar het onverwachte gelui van de deurschel is als een heerlijke sensatie me bijgebleven, evenals het gerammel van de ketting, de verschrikkelijke hoge stapel kranten en de niet meer verwachte, toch gekregen cadeautjes.

We moesten het met minder doen dan tegenwoordig, maar de vreugde was niet minder en ik ben er blij om, dat er voor later steeds wat te wensen overgebleven is.

Kerstfeest ging ongemerkt voorbij, al zijn de eerste sinaasappelen – hoe zuur waren ze dan nog – als een lichte feestelijke herinnering achtergebleven. Kerstvacantie vaak zonder ijs. Slechts eenmaal weet ik er van, dat we tot Nieuwjaarsdag reden. Schaatsen rijden konden we gelukkig, als er ijs was, al heel spoedig. Eerst op de slootjes om het huis, dan kwamen de bredere en als het vriezen aanhield – was de Ring aan de beurt. Die was in de regel niet mooi. De beurtschippers op Alkmaar hielden, zolang ze konden, de vaart open. Totdat het niet meer ging, maar het middengedeelte was er niet mooier op geworden. Op de Kromme Gouw was dat niet zo erg, die was breed genoeg. Jonge, als ik daar nog aan denk. Mooier, afwisselender baan is er niet. Op de kolk vonden de wedstrijden plaats. Dat was iets feestelijks. Een mooie ruimte, vaak met prachtige banen. Ja, wat dan schaatsenrijden betreft, dat was ideaal. Je behoefde er niet op een benauwd baantje te rijden. Je kon overal naar toe naar Kolhorn, naar de Rijt, en je leerde meteen het ijs kennen. Je wist, wanneer en waar het betrouwbaar was. En van ernstige ongelukken, verdrinken en al die narigheid meer, weet ik eigenlijk weinig.

Als jongen voel je je aangetrokken, tot een van de ambachtvakken en je wenst zelf niet liever dan opgeleid te worden voor dat vak. En zo was ik vaak te vinden in de werkplaats van onzen overbuurman, den wagenmaker. Later heb ik gemerkt, dat er eigenlijk niet zo heel veel wagenmakers waren en dat het een heel apart vak was, dat Ze beoefenden. Voor de werkplaats stonden haast altijd wel een paar boerenwagens of een driewielde kar. Soms was een van die voertuigen versierd met een krul, dat bedoelde dat die te koop was. Vaak heb ik zo'n wagen van het begin tot het eind zien maken.

Het hout zaagden ze zelf uit de boomstammen, dat, om goed doorwaterd hout te krijgen, een jaar in een van de sloten gelegen had. Er was hout en hout, dat ze met kennis van zaken zelf kochten en ze wisten heel goed wat voor kwaliteit ze konden verwachten. Het was nog een heel verschil in kwaliteit essenhout bijv. ofhet hier, dan wel daar groeide en die afstanden lagen niet eens zover uiteen. Het handzagen van boomstammen heb ik wel gezien en me dunkt dat moet een heel werk zijn. Het bewerken van het hout tot spaken, dissels, neuten, zijschotten en al die onderdelen meer, was interessant en het lijkt me toe, dat hier jarenlange ervaring, een goed timmermansoog, kracht en liefde voor het vak onmisbare factoren zijn geweest. 't Is jammer, dat dit vak dreigt te verdwijnen. Met welk een zekerheid werden de spaken onder een bepaalde hoek in de assen gezet en, hoe precies pasten daar weer op de velgen. Een wiel moet rond zijn; wel het was rond, het touwtje bij het nameten wees het uit. Hier werd grof werk met fijn werk verenigd en hoe. Zo'n wagen was af, als hij vertrok, een degelijk stuk werk ging de winkel uit, dat jaren mee kon.

Ondernemend waren vader en zoon, want voor het bewerken van het hout, het zagen, boren en draaien hebben ze een molen gemaakt met een rad als van een Amerikaanse windmolen. De onderbouw was nu juist niet zo aesthetisch, maar het apparaat werkte en het wist de stammen tot planken te krijgen, het blok hout tot een as te draaien, de gereedschappen te scherpen op de steen. Boven op die molen had je een pracht uitzicht over het land en menigmaal heb ik er van genoten. Het rad was echter niet zo solide, dat 't een zware storm kon doorstaan. Tweemaal meen ik, is het daarvan een slachtoffer geworden. Maar onverdroten, nimmer terneergeslagen, bouwden ze het weer op. Ik heb hier geleerd respect te krijgen voor het ambacht en voor zijn dienaren. Ik heb hier respect gekregen voor hen, die een rotsvast geloof hebben, daar naar leven en werken. En met genoegen denk ik aan het sneetje brood, dat ik mee mocht eten, als het koppies-tijd was.

Toen, in de oorlog 1914-'18 is er veel en snel veranderd. Het is misschien maar goed, dat ik langzamerhand afscheid heb genomen van het dorp van mijn jeugd, in mijn herinnering blijft het, zoals ik het intens meemaakte. En dat is goed. En soms heb ik een sterk verlangen, om sommige kleine dingen weer mee te maken: het ijs te proberen op het slootje achter het huis, in een jachtwagen mee te rijden, of met vader de tocht naar de zee te maken. Misschien is het wel goed, dat het niet gebeurt, want een volwassen mens is niet meer de jongen van vroeger, omdat die jongen nog de wereld moet ontdekken en onverwachte rijkdommen zal tegenkomen.

Het is stil op de weg, zoals het in die jaren stil was in ons dorp. Alleen een paar petroleumlampen branden er met geel schijnsel en verlichten vaag de omtrek. De laatste tram is naar Schagen voorbij gegaan.

Het rode seinlicht van de trambrug is groen geworden. Over de weiden is dauw gekomen, is uit de sloten hoog opgetrokken, heeft de weiden weggevaagd, waaruit alleen de koeien blijven, nog boven uit komen.

En ons dorp slaapt.

W. Porte

 


© 1924-2017 Westfries Genootschap - Contact - Sitemap

West-Friesland, een streek met karakter binnen de Omringdijk.